Strafrecht overig

Grootschalige Marktplaatsoplichting. Medeplegen (poging tot) oplichting (art. 326.1 Sr). 1. Bewijsklacht…

Hoge Raad, 26 november 2024

Zaakgegevens

Op 26 november 2024 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
26 november 2024
Datum publicatie
25 november 2024
Zaaknummer
22/04492
Procedure
Artikel 81 RO-zaken
ECLI
ECLI:NL:HR:2024:1741
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Grootschalige Marktplaatsoplichting. Medeplegen (poging tot) oplichting (art. 326.1 Sr). 1. Bewijsklacht medeplegen oplichting. Uitdrukkelijk onderbouwd standpunt dat aangeefster niet is bewogen tot afgifte van geld, art. 359.2 Sv. 2. Bewijsklacht medeplegen poging tot oplichting. Kon hof redengevend achten dat verdachte en medeverdachte de aangever hebben toegezegd dat hij graafmachine kon komen bekijken en dat ze hem bezichtigingsadres zouden sturen?

HR: art. 81.1 RO. Samenhang met 22/04304 P, 22/04305 (niet gepubliceerd; geen middelen ingediend, verdachte n-o) en 22/04494 P (niet gepubliceerd; geen middelen ingediend, betrokkene n-o).

Procesgang

  1. Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden · 17 november 2022

    ECLI:NL:GHARL:2022:9829
  2. Conclusie A-G · 5 november 2024

    ECLI:NL:PHR:2024:1170
  3. Hoge Raad · 26 november 2024deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2024:1741

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 22/04492

Datum 26 november 2024

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 17 november 2022, nummer 21-003059-18, in de strafzaak

tegen

[verdachte],

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1987,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft B. Kizilocak, advocaat in Rotterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.

De advocaat-generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot verwerping van het cassatieberoep.

2 Beoordeling van de cassatiemiddelen

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren M. Kuijer en T. Kooijmans, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 26 november 2024.