Strafrecht overig

Caribische zaak. Medeplegen moord (art. 2:262 jo. art. 1:123 SrStM) en voorhanden hebben van pistool en…

Hoge Raad, 17 december 2024

Zaakgegevens

Op 17 december 2024 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
17 december 2024
Datum publicatie
12 december 2024
Zaaknummer
24/00585
Procedure
Artikel 81 RO-zaken
ECLI
ECLI:NL:HR:2024:1870
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Caribische zaak. Medeplegen moord (art. 2:262 jo. art. 1:123 SrStM) en voorhanden hebben van pistool en munitie (art. 3 Vuurwapenverordening) in Sint Maarten. Onvindbare getuige. Gebruik van getuigenverklaring voor bewijs. Kon hof oordelen dat redelijkerwijs is geprobeerd wat mogelijk is om verdediging de gelegenheid te bieden tot uitoefening van ondervragingsrecht?

HR: art. 81.1 RO.

Procesgang

  1. Conclusie A-G · 19 november 2024

    ECLI:NL:PHR:2024:1237
  2. Hoge Raad · 17 december 2024deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2024:1870

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 24/00585 C

Datum 17 december 2024

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een vonnis van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba van 24 juli 2023, nummer H 190/2021, in de strafzaak

tegen

[verdachte] ,

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1996,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft G. Spong, advocaat in Amsterdam, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.

De advocaat-generaal E.J. Hofstee heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden vonnis, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan volgens de vaste maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2 Beoordeling van het cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3 Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof

De verdachte bevindt zich in voorlopige hechtenis. De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan zestien maanden zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. In het licht van de beperkte mate van overschrijding van de redelijke termijn volstaat de Hoge Raad met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden.

4 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren M. Kuijer en F. Posthumus, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 17 december 2024.