Strafrecht overig

Opzettelijk onjuist doen van aangifte omzetbelasting, meermalen gepleegd (art. 69.2 AWR). 1. Strafmotivering…

Hoge Raad, 13 februari 2024

Zaakgegevens

Op 13 februari 2024 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
13 februari 2024
Datum publicatie
8 februari 2024
Zaaknummer
22/02369
Procedure
Artikel 81 RO-zaken
ECLI
ECLI:NL:HR:2024:205
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Opzettelijk onjuist doen van aangifte omzetbelasting, meermalen gepleegd (art. 69.2 AWR). 1. Strafmotivering (gevangenisstraf van 10 maanden, waarvan 4 maanden voorwaardelijk). Kon hof bij strafoplegging rekening houden met onjuiste belastingaangiften die niet aan verdachte ten laste zijn gelegd? 2. Beginpunt redelijke termijn in eerste aanleg. Had hof de doorzoeking van woning en bedrijfspand van verdachte in plaats van verhoor van verdachte door FIOD moeten aanmerken als beginpunt van redelijke termijn?

HR: art. 81.1 RO.

Procesgang

  1. Uitspraak · 2021

    ECLI:NL:RBOBR:2021:3178
  2. Gerechtshof 's-Hertogenbosch · 21 juni 2022

    ECLI:NL:GHSHE:2022:1944

    (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan

  3. Conclusie A-G · 19 december 2023

    ECLI:NL:PHR:2023:1185
  4. Hoge Raad · 13 februari 2024deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2024:205

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 22/02369

Datum 13 februari 2024

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 21 juni 2022, nummer 20-001607-21, in de strafzaak

tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1969,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft R.J. Baumgardt, advocaat te Rotterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De plaatsvervangend advocaat-generaal M.E. van Wees heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest, maar uitsluitend voor wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf en met vermindering daarvan volgens de gebruikelijke maatstaf.

2 Beoordeling van het eerste en het tweede cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3 Beoordeling van het derde cassatiemiddel

3.1

Het cassatiemiddel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.

3.2

Het cassatiemiddel is gegrond. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van tien maanden, waarvan vier maanden voorwaardelijk.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;

- vermindert deze in die zin dat deze negen maanden en drie weken, waarvan vier maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren beloopt;

- verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren T. Kooijmans en C.N. Dalebout, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 13 februari 2024.