Strafrecht overig

Poging tot doodslag op ex-vriendin (art. 45 jo. 287 Sr) en brandstichting in haar woning terwijl haar…

Hoge Raad, 5 maart 2024

Zaakgegevens

Op 5 maart 2024 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
5 maart 2024
Datum publicatie
1 maart 2024
Zaaknummer
23/00003
Procedure
Artikel 81 RO-zaken
ECLI
ECLI:NL:HR:2024:306
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Poging tot doodslag op ex-vriendin (art. 45 jo. 287 Sr) en brandstichting in haar woning terwijl haar 3-jarige zoontje boven ligt te slapen (art. 157.1 en 157.3 Sr). 1. Bewijsklacht poging tot doodslag en brandstichting, redengevendheid bewijsmiddelen. Kon hof gebruik maken van indirect bewijsmateriaal? 2. Bewijsklacht brandstichting. Kan uit b.m. volgen dat verdachte brand heeft gesticht in woning van slachtoffer?

HR: art. 81.1 RO.

Procesgang

  1. Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden · 30 december 2022

    ECLI:NL:GHARL:2022:11199
  2. Conclusie A-G · 16 januari 2024

    ECLI:NL:PHR:2024:62
  3. Hoge Raad · 5 maart 2024deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2024:306

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 23/00003

Datum 5 maart 2024

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 30 december 2022, nummer 21-002188-21, in de strafzaak

tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1985,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft J. Boksem, advocaat te Leeuwarden, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De advocaat-generaal T.N.B.M. Spronken heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De raadsman van de verdachte heeft daarop schriftelijk gereageerd.

2 Beoordeling van de cassatiemiddelen

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren T.B. Trotman en F. Posthumus, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P.J. Lugtenburg, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 5 maart 2024.