Strafrecht overig

Uitkeringsfraude door gedurende periode van ruim 10 jaren met ex-man en (meerderjarige) kinderen gezamenlijke…

Hoge Raad, 5 maart 2024

Zaakgegevens

Op 5 maart 2024 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
5 maart 2024
Datum publicatie
4 maart 2024
Zaaknummer
22/01474
Procedure
Artikel 81 RO-zaken
ECLI
ECLI:NL:HR:2024:310
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Uitkeringsfraude door gedurende periode van ruim 10 jaren met ex-man en (meerderjarige) kinderen gezamenlijke huishouding te voeren en na te laten juiste inlichtingen over haar woonsituatie te verstrekken aan gemeente, art. 227b Sr. 1. Bewijsklachten t.a.v. “gezamenlijke huishouding” met ex-man en “medebewoning” van kinderen. 2. Kwalificatieklacht, art. 17 Wet werk en bijstand (oud) en art. 17 Participatiewet. Levert bewezenverklaarde m.b.t. “medebewoning” in periode waarin verdachte o.b.v. WWB (oud) recht had op uitkering een strafbaar feit op, nu “medebewoning” in die periode geen feit of omstandigheid was waarvan redelijkerwijs duidelijk moest zijn dat dit of deze van invloed kon zijn op uitkering van verdachte?

HR: art. 81.1 RO.

Procesgang

  1. Gerechtshof Amsterdam · 15 april 2022

    ECLI:NL:GHAMS:2022:1189
  2. Conclusie A-G · 16 januari 2024

    ECLI:NL:PHR:2024:57
  3. Hoge Raad · 5 maart 2024deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2024:310

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 22/01474

Datum 5 maart 2024

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 15 april 2022, nummer 23-002356-20, in de strafzaak

tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1965,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft J. Kuijper, advocaat in Amsterdam, bij schriftuur en aanvullende schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De schrifturen zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.

De plaatsvervangend advocaat-generaal M.E. van Wees heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De raadsvrouw van de verdachte en D.W.E. Sternfeld, advocaat in Amsterdam, hebben daarop schriftelijk gereageerd.

2 Beoordeling van het cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren A.E.M. Röttgering en C.N. Dalebout, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 5 maart 2024.