Strafrecht overig

Medeplegen diefstal met geweld, art. 312.2.2 Sr. 1. Afwijzing van een bij (te laat ingediende)…

Hoge Raad, 16 januari 2024

Zaakgegevens

Op 16 januari 2024 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
16 januari 2024
Datum publicatie
15 januari 2024
Zaaknummer
21/03578
Procedure
Artikel 81 RO-zaken
ECLI
ECLI:NL:HR:2024:35
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Medeplegen diefstal met geweld, art. 312.2.2 Sr. 1. Afwijzing van een bij (te laat ingediende) appelschriftuur gedaan en ttz. in hoger beroep gehandhaafd voorwaardelijk verzoek tot aanvullend deskundigenonderzoek en onderzoek aan alle stukken van overtuiging, o.g.v. noodzaakcriterium (verzoek is onvoldoende onderbouwd). 2. Afwijzing van een bij (te laat ingediende) appelschriftuur gedaan en ttz. in hoger beroep gehandhaafd voorwaardelijk verzoek tot horen van 4 getuigen, op de grond dat onvoldoende is onderbouwd waarom er enige noodzaak is om onderzoekswens toe te wijzen (ontbrekende onderbouwing). 3. Bewijsklacht. Verweren m.b.t. betrouwbaarheid van aangevers en redengevendheid voor bewijs van NFI-rapport en verklaringen van NFI-deskundigen.

HR: art. 81.1 RO.

Procesgang

  1. Conclusie A-G · 21 november 2023

    ECLI:NL:PHR:2023:1220
  2. Hoge Raad · 16 januari 2024deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2024:35

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 21/03578

Datum 16 januari 2024

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 20 augustus 2021, nummer 21-003558-19, in de strafzaak

tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1996,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft M. van Stratum, advocaat te ’s-Gravenhage, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De advocaat-generaal E.J. Hofstee heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De raadsman van de verdachte heeft daarop schriftelijk gereageerd.

2 Beoordeling van de cassatiemiddelen

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3 Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof

De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van vier jaren, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;

- vermindert deze in die zin dat deze drie jaren en tien maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren beloopt;

- verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren T. Kooijmans en T.B. Trotman, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P.J. Lugtenburg, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 16 januari 2024.