Strafrecht overig

Beklag o.g.v. art. 5.1.11 jo 552a Sv, beslag ex art. 94 Sv op diverse voorwerpen onder klaagster n.a.v…

Hoge Raad, 26 maart 2024

Zaakgegevens

Op 26 maart 2024 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
26 maart 2024
Datum publicatie
22 maart 2024
Zaaknummer
23/02739
Procedure
Artikel 81 RO-zaken
ECLI
ECLI:NL:HR:2024:490
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Beklag o.g.v. art. 5.1.11 jo 552a Sv, beslag ex art. 94 Sv op diverse voorwerpen onder klaagster n.a.v. rechtshulpverzoek van Surinaamse autoriteiten. 1. Heeft Rb bij oordeel dat beklag ongegrond moet worden verklaard juiste maatstaf gehanteerd? 2. Ziet het rechtshulpverzoek op de inbeslaggenomen voorwerpen? HR: art. 81.1 RO. Samenhang met 23/02733 Br en 23/02772 Br.

Procesgang

  1. Conclusie A-G · 27 februari 2024

    ECLI:NL:PHR:2024:141
  2. Hoge Raad · 26 maart 2024deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2024:490

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 23/02739 Br

Datum 26 maart 2024

BESCHIKKING

op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de rechtbank Rotterdam van 28 juni 2023, nummer RK 23/003570, op een klaagschrift als bedoeld in artikel 5.1.11 in samenhang met artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering, ingediend

door

[klaagster],

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1962,

hierna: de klaagster.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de klaagster. Namens deze heeft M.E. van der Werf, advocaat in Amsterdam, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De schriftuur is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

De advocaat-generaal T.N.B.M. Spronken heeft geconcludeerd tot verwerping van het cassatieberoep.

De raadsman van de klaagster heeft daarop schriftelijk gereageerd. Nu deze reactie pas is ingekomen nadat de daartoe in de wet gestelde termijn was verlopen, slaat de Hoge Raad op dit stuk geen acht.

2 Beoordeling van het cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van de rechtbank beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Deze beschikking is gegeven door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren T. Kooijmans en F. Posthumus, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 26 maart 2024.