Strafrecht overig
Diefstal van geldbedrag van coffeeshop, art. 310 Sr. 1. Bewijsklacht. Kon hof camerabeelden van coffeeshop…
Hoge Raad, 23 april 2024
ECLI:NL:HR:2024:505 · Hoge Raad · 23 april 2024
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/artikel-81-ro-zaken/ecli-nl-hr-2024-505
Zaakgegevens
Op 23 april 2024 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 23 april 2024
- Datum publicatie
- 27 maart 2024
- Zaaknummer
- 22/01660
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- Artikel 81 RO-zakenArtikel 81 RODe Hoge Raad verwerpt een cassatieklacht met een verkorte motivering, omdat die klacht niet kan slagen en geen belangrijke rechtsvraag opwerpt.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2024:505
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Diefstal van geldbedrag van coffeeshop, art. 310 Sr. 1. Bewijsklacht. Kon hof camerabeelden van coffeeshop voor bewijs gebruiken, terwijl hof ttz. in hoger beroep aan deze camerabeelden een ontlastende betekenis heeft toegekend? 2. Vordering benadeelde partij. Is toewijzing van vordering b.p. tot bedrag van € 6.561,50 toereikend gemotiveerd, nu hof verdachte partieel heeft vrijgesproken van bedrag van (ongeveer) € 6.561?
HR: art. 81.1 RO.
Procesgang
Gerechtshof Amsterdam · 29 april 2022
ECLI:NL:GHAMS:2022:3925Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 19 maart 2024
ECLI:NL:PHR:2024:265Hoge Raad · 23 april 2024deze uitspraak
ECLI:NL:HR:2024:505
Overig
Uitspraak
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 22/01660
Datum 23 april 2024
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 29 april 2022, nummer 23-003316-19, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1976,
hierna: de verdachte.
1 Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft M. Berndsen, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal E.J. Hofstee heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
2 Beoordeling van de cassatiemiddelen
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3 Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en A.E.M. Röttgering, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 23 april 2024.