Strafrecht overig
Liquidatie in Rotterdam-Kralingen in 2018. Verstrekken van mobiele telefoon met daarin notitie inhoudende…
Hoge Raad, 16 april 2024
ECLI:NL:HR:2024:590 · Hoge Raad · 16 april 2024
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/artikel-81-ro-zaken/ecli-nl-hr-2024-590
Zaakgegevens
Op 16 april 2024 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 16 april 2024
- Datum publicatie
- 12 april 2024
- Zaaknummer
- 22/03817
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- Artikel 81 RO-zakenArtikel 81 RODe Hoge Raad verwerpt een cassatieklacht met een verkorte motivering, omdat die klacht niet kan slagen en geen belangrijke rechtsvraag opwerpt.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2024:590
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Liquidatie in Rotterdam-Kralingen in 2018. Verstrekken van mobiele telefoon met daarin notitie inhoudende cruciale informatie over identiteit, adres en vervoermiddel van slachtoffer waardoor medeverdachte, op klaarlichte dag, met automatisch wapen (ten minste) twaalf keer kon schieten op bestuurder van auto, die stilstond op druk kruispunt, als gevolg waarvan slachtoffer is overleden en waarbij kogel bestelbus heeft geraakt die zich bevond achter auto van slachtoffer. Medeplichtigheid aan moord (art. 289 Sr). Bewijsklachten. 1. Kon hof het opzet op medeplichtigheid afleiden uit het gevolg van gedraging van verdachte? 2. Bewijsklacht m.b.t. opzet van verdachte op dood van slachtoffer. 3. Kon hof het ontbreken van een de redengevendheid ontzenuwende verklaring betrekken bij oordeel over bewijs van opzet op dood van slachtoffer? 4. Kon hof oordelen dat niet is gebleken van contra-indicaties m.b.t. misdrijf? 5. Motiveringsklacht m.b.t. rol van tussenpersonen aan wie verdachte de telefoon met notitie heeft afgegeven.
HR: art. 81.1 RO. Samenhang met 22/03836.
Procesgang
Rechtbank Rotterdam · 18 december 2020
ECLI:NL:RBROT:2020:11745Gerechtshof Den Haag · 11 oktober 2022
ECLI:NL:GHDHA:2022:2003Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 26 maart 2024
ECLI:NL:PHR:2024:335Hoge Raad · 16 april 2024deze uitspraak
ECLI:NL:HR:2024:590
Uitspraak
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 22/03817
Datum 16 april 2024
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 11 oktober 2022, nummer 22-000014-21, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1990,
hierna: de verdachte.
1 Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo, beiden advocaat te Rotterdam, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de hoogte van de gevangenisstraf, tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De raadslieden van de verdachte hebben daarop schriftelijk gereageerd.
2 Beoordeling van het cassatiemiddel
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3 Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
Naar aanleiding van de conclusie van de advocaat-generaal onder 25 merkt de Hoge Raad op dat in deze zaak uitspraak wordt gedaan binnen twee jaren na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden niet is overschreden.
4 Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en M. Kuijer, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 16 april 2024.