Strafrecht overig

Weigering bloedonderzoek, art. 163.6 WVW 1994. Rechtmatigheid van inzet van (niet-registrerend) peilbaken…

Hoge Raad, 14 mei 2024

Zaakgegevens

Op 14 mei 2024 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
14 mei 2024
Datum publicatie
10 mei 2024
Zaaknummer
22/01389
Procedure
Artikel 81 RO-zaken
ECLI
ECLI:NL:HR:2024:697
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Weigering bloedonderzoek, art. 163.6 WVW 1994. Rechtmatigheid van inzet van (niet-registrerend) peilbaken onder auto van verdachte voorafgaande aan zijn staandehouding. Verweer dat sprake is van vormverzuim, nu plaatsen van peilbaken onder auto van verdachte moet worden aangemerkt als stelselmatige observatie waarvoor bevel ex art. 126g Sv is vereist, terwijl dat bevel niet is gegeven.

HR: art. 81.1 RO.

Procesgang

  1. Conclusie A-G · 2 april 2024

    ECLI:NL:PHR:2024:357
  2. Hoge Raad · 14 mei 2024deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2024:697

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 22/01389

Datum 14 mei 2024

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 11 april 2022, nummer 21-002481-21, in de strafzaak

tegen

[verdachte] ,

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1987,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft A.A. Franken, advocaat in Arnhem, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De advocaat-generaal T.N.B.M. Spronken heeft geconcludeerd tot de constatering dat de redelijke termijn is overschreden en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2 Beoordeling van het eerste cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3 Beoordeling van het tweede cassatiemiddel

3.1

Het cassatiemiddel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.

3.2

Het cassatiemiddel is gegrond. Bovendien doet de Hoge Raad uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Een en ander brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM is overschreden. In het licht van de opgelegde geldboete van € 500 volstaat de Hoge Raad met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden.

4 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en C.N. Dalebout, in bijzijn van de waarnemend griffier B.C. Broekhuizen-Meuter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 14 mei 2024.