Strafrecht overig

Medeplegen vervoeren van harddrugs (art. 2.B Opiumwet), medeplegen uitvoer van harddrugs naar Duitsland (art…

Hoge Raad, 23 januari 2024

Zaakgegevens

Op 23 januari 2024 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
23 januari 2024
Datum publicatie
22 januari 2024
Zaaknummer
22/03749
Procedure
Artikel 81 RO-zaken
ECLI
ECLI:NL:HR:2024:73
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Medeplegen vervoeren van harddrugs (art. 2.B Opiumwet), medeplegen uitvoer van harddrugs naar Duitsland (art. 2.A Opiumwet) en eenvoudig witwassen van geldbedrag (€ 25.760) (art. 420bis Sr). 1. Afwijzing van een ttz. in hoger beroep gedaan voorwaardelijk verzoek tot horen van getuige (die in Ironchat (PGP) gesprekken met medeverdachte communiceerde over drugstransport waarbij verdachte de koerier was), op de grond dat horen van deze getuige niet noodzakelijk is, nu hof zich gelet op inhoud van dossier voldoende geïnformeerd acht. 2. Strafmotivering (gevangenisstraf van 48 maanden waarvan 8 maanden voorwaardelijk). Wekt strafoplegging verbazing gelet op gewijzigde bewezenverklaring in h.b. en argumentatie van raadsman?

HR: art. 81.1 RO.

Procesgang

  1. Conclusie A-G · 19 december 2023

    ECLI:NL:PHR:2023:1161
  2. Hoge Raad · 23 januari 2024deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2024:73

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 22/03749

Datum 23 januari 2024

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 7 oktober 2022, nummer 21-001666-20, in de strafzaak

tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1987,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft J. Michels, advocaat te Oldenzaal, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De advocaat-generaal A.E. Harteveld heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan in een mate die de Hoge Raad gepast zal voorkomen, en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2 Beoordeling van de cassatiemiddelen

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren T. Kooijmans en C.N. Dalebout, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 23 januari 2024.