Strafrecht overig
Medeplegen diefstal van vrachtauto met kraan (311.1.4 Sr). Uitdrukkelijk onderbouwd standpunt m.b.t. bewijs…
Hoge Raad, 4 juni 2024
ECLI:NL:HR:2024:796 · Hoge Raad · 4 juni 2024
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/artikel-81-ro-zaken/ecli-nl-hr-2024-796
Zaakgegevens
Op 4 juni 2024 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 4 juni 2024
- Datum publicatie
- 31 mei 2024
- Zaaknummer
- 22/00678
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- Artikel 81 RO-zakenArtikel 81 RODe Hoge Raad verwerpt een cassatieklacht met een verkorte motivering, omdat die klacht niet kan slagen en geen belangrijke rechtsvraag opwerpt.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2024:796
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Medeplegen diefstal van vrachtauto met kraan (311.1.4 Sr). Uitdrukkelijk onderbouwd standpunt m.b.t. bewijs, art. 359.2 Sv. 2. Bewijsklacht m.b.t. het door getuige gegeven signalement van bestuurder van vrachtauto. Redengevendheid van verklaring voor bewijs. 3. Bewijsklacht. Vindplaats van redengevende feiten en omstandigheden. 4. Hoofdelijkheid bij schadevergoedingsmaatregel, art. 36f Sr. Heeft hof bij oplegging van schadevergoedingsmaatregel verzuimd rekening te houden met feit dat vordering gedeeltelijk door mededaders is voldaan?
HR: art. 81.1 RO. Samenhang met 22/00558 en 22/00658 P (niet gepubliceerd; geen middelen ingediend, betrokkene n-o).
Procesgang
Gerechtshof Amsterdam · 16 februari 2022
ECLI:NL:GHAMS:2022:425Hoge Raad · 4 juni 2024deze uitspraak
ECLI:NL:HR:2024:796
Uitspraak
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 22/00678
Datum 4 juni 2024
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 16 februari 2022, nummer 23-000400-18, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1955,
hierna: de verdachte.
1 Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft S.J. van der Woude, advocaat in Amsterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde taakstraf, tot vermindering daarvan aan de hand van de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De raadsman van de verdachte heeft daarop schriftelijk gereageerd.
2 Beoordeling van de cassatiemiddelen
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3 Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde taakstraf van 150 uren, subsidiair 75 dagen hechtenis.
4 Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft het aantal uren te verrichten taakstraf en de duur van de vervangende hechtenis;
- vermindert het aantal uren taakstraf en de duur van de vervangende hechtenis in die zin dat de taakstraf 143 uren beloopt, subsidiair 71 dagen hechtenis;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren M. Kuijer en T.B. Trotman, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 4 juni 2024.