Strafrecht overig

Ontucht met 15-jarig meisje door 53-jarige verdachte (art. 245 Sr). 1. Uitdrukkelijk onderbouwd standpunt…

Hoge Raad, 18 juni 2024

Zaakgegevens

Op 18 juni 2024 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
18 juni 2024
Datum publicatie
10 juni 2024
Zaaknummer
22/03789
Procedure
Artikel 81 RO-zaken
ECLI
ECLI:NL:HR:2024:849
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Ontucht met 15-jarig meisje door 53-jarige verdachte (art. 245 Sr). 1. Uitdrukkelijk onderbouwd standpunt m.b.t. betrouwbaarheid van verklaringen van aangeefster en getuige, art. 359.2 Sv. 2. Uos m.b.t. betrouwbaarheid van de in p-v van aanhouding opgenomen verklaring van verdachte, art. 359.2 Sv. 3. Toelaatbaarheid bijzondere voorwaarde m.b.t. “openheid over relaties/seksualiteit”, art. 14c.2.14 Sr.

HR: art. 81.1 RO.

Procesgang

  1. Conclusie A-G · 14 mei 2024

    ECLI:NL:PHR:2024:501
  2. Hoge Raad · 18 juni 2024deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2024:849

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 22/03789

Datum 18 juni 2024

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 29 september 2022, nummer 22-002727-21, in de strafzaak

tegen

[verdachte] ,

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1967,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben C.W. Noorduyn en N.J.B. Vegelien, beiden advocaat in 's-Gravenhage, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De plaatsvervangend advocaat-generaal M.E. van Wees heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2 Beoordeling van de cassatiemiddelen

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren M. Kuijer en T. Kooijmans, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 18 juni 2024.