Strafrecht overig

Beklag, beslag ex art. 94 Sv op personenauto onder schoonzoon van klaagster t.z.v. verdenking van rijden…

Hoge Raad, 25 juni 2024

Zaakgegevens

Op 25 juni 2024 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
25 juni 2024
Datum publicatie
24 juni 2024
Zaaknummer
23/01987
Procedure
Artikel 81 RO-zaken
ECLI
ECLI:NL:HR:2024:938
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Beklag, beslag ex art. 94 Sv op personenauto onder schoonzoon van klaagster t.z.v. verdenking van rijden zonder rijbewijs. 1. Verbeurdverklaring auto, art. 33a.2.a Sr. Heeft klaagster voldoende maatregelen getroffen om te voorkomen dat haar schoonzoon opnieuw haar auto zou gebruiken zonder in het bezit te zijn van geldig rijbewijs? 2. Was hof (gelet op hetgeen namens klaagster is aangevoerd) gehouden onderzoek te doen naar vraag of voortzetting van beslag in overeenstemming is met eis van proportionaliteit?

HR: art. 81.1 RO.

Procesgang

  1. Conclusie A-G · 16 april 2024

    ECLI:NL:PHR:2024:279
  2. Hoge Raad · 25 juni 2024deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2024:938

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 23/01987 B

Datum 25 juni 2024.

BESCHIKKING

op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de rechtbank Noord-Holland van 8 mei 2023, nummer RK 23/004189, op een klaagschrift als bedoeld in artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering, ingediend

door

[klaagster],

geboren op [geboortedatum] 1970,

hierna: de klaagster.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de klaagster. Namens deze heeft Y. ten Tuijnte, advocaat in Arnhem, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

De advocaat-generaal A.E. Harteveld heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2 Beoordeling van de cassatiemiddelen

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van de rechtbank beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Deze beschikking is gegeven door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren A.E.M. Röttgering en F. Posthumus, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P.J. Lugtenburg, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 25 juni 2024.