Strafrecht overig

Openlijke geweldpleging n.a.v. ruzie in uitgaansgelegenheid, art. 141.1 Sr. Strafmotivering (gevangenisstraf…

Hoge Raad, 9 juli 2024

Zaakgegevens

Op 9 juli 2024 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
9 juli 2024
Datum publicatie
28 juni 2024
Zaaknummer
22/02676
Procedure
Artikel 81 RO-zaken
ECLI
ECLI:NL:HR:2024:996
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Openlijke geweldpleging n.a.v. ruzie in uitgaansgelegenheid, art. 141.1 Sr. Strafmotivering (gevangenisstraf van 227 dagen, waarvan 180 dagen voorwaardelijk en taakstraf van 150 uren, subsidiair 75 dagen hechtenis), niet tlgd. en bewezenverklaarde strafverzwarende omstandigheid meegewogen bij strafoplegging. Heeft hof art. 141.2 Sr miskend, nu hof art. 141.1 Sr heeft bewezenverklaard maar in strafmotivering heeft overwogen dat zwaar lichamelijk letsel is toegebracht, en heeft hof noodzaak en aard van medisch ingrijpen bij slachtoffer vastgesteld?

HR: art. 81.1 RO.

Procesgang

  1. Conclusie A-G · 14 mei 2024

    ECLI:NL:PHR:2024:525
  2. Hoge Raad · 9 juli 2024deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2024:996

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 22/02676

Datum 9 juli 2024

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 14 juli 2022, nummer 22-003271-20, in de strafzaak

tegen

[verdachte],

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1999,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo, beiden advocaat in Rotterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.

De advocaat-generaal T.N.B.M. Spronken heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2 Beoordeling van het eerste cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3 Beoordeling van het tweede cassatiemiddel

3.1

Het cassatiemiddel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.

3.2

Het cassatiemiddel is gegrond. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van 227 dagen, waarvan 180 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;

- vermindert deze in die zin dat deze 225 dagen, waarvan 180 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren beloopt;

- verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en C.N. Dalebout, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 9 juli 2024.