Strafrecht overig

Feitelijk leidinggeven aan het niet/onjuist doen van verschillende belastingaangiften, begaan door…

Zaakgegevens

Op 1 juli 2025 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
1 juli 2025
Datum publicatie
26 juni 2025
Zaaknummer
23/01060
Procedure
Artikel 81 RO-zaken
ECLI
ECLI:NL:HR:2025:1013
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Feitelijk leidinggeven aan het niet/onjuist doen van verschillende belastingaangiften, begaan door rechtspersoon, art. 69.1 en 69.2 AWR. 1. Bewijsklachten opzet en feitelijk leidinggeven aan niet doen van aangifte omzetbelasting. Is sprake van ‘een bij belastingwet voorziene aangifte’, nu uit bewijsvoering niet kan worden afgeleid dat verdachte een uitnodiging tot het doen van aangifte heeft ontvangen? Heeft verdachte opzet gehad op het niet doen van aangifte? 2. Bewijsklacht feitelijk leidinggeven aan onjuist doen van aangiften omzetbelasting. Grondslagverlating door onder bewezenverklaring ook intracommunautaire verwervingen te betrekken, terwijl ten laste is gelegd het ‘onjuist’ doen van aangiften door ‘te hoog bedrag aan voorbelasting in aftrek te brengen en daardoor te laag bedrag aan omzetbelasting aan te geven’? 3. Bewijsklachten in aftrek brengen van te hoog bedrag aan voorbelasting en opzet op het onjuist doen van aangiften omzetbelasting. 4. Verweer strekkende tot niet-ontvankelijkheid OM. 5. Bewijsklachten feitelijk leidinggeven aan doen van onjuiste aangiften loonbelasting/premie volksverzekeringen. 6. Strafmotivering (gevangenisstraf van 8 maanden). Kon hof benadelingsbedragen van € 100.000 en € 83.747 als uitgangspunt nemen bij strafoplegging?

HR: art. 81.1 RO. Vervolg op HR:2022:86.

Procesgang

  1. Conclusie A-G · 1 april 2025

    ECLI:NL:PHR:2025:376
  2. Hoge Raad · 1 juli 2025deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2025:1013

Uitspraak

Inhoudsopgave

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 23/01060

Datum 1 juli 2025

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 10 maart 2023, nummer 21-000411-22, in de strafzaak

tegen

[verdachte],

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1962,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat J. Kuijper bij schriftuur en aanvullende schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.

De plaatsvervangend advocaat-generaal V.M.A. Sinnige heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan aan de hand van de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2 Beoordeling van de cassatiemiddelen

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof

De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van acht maanden.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;

- vermindert deze in die zin dat deze zeven maanden en drie weken beloopt;

- verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren C.N. Dalebout en F. Posthumus, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 1 juli 2025.