Strafrecht overig

Veroordeling wegens opzettelijk niet (tijdig) doen van aangifte vennootschapsbelasting gedurende meerder…

Rechtbank Amsterdam, 5 maart 2026

Zaakgegevens

Op 5 maart 2026 heeft de Rechtbank Amsterdam in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Zittingsplaats
Amsterdam
Datum uitspraak
5 maart 2026
Datum publicatie
5 maart 2026
Zaaknummer
81/243030-23
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
ECLI
ECLI:NL:RBAMS:2026:2275
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Veroordeling wegens opzettelijk niet (tijdig) doen van aangifte vennootschapsbelasting gedurende meerder jaren, uitnodigingen tot het doen van belastingaangifte zijn aan het juiste adres verstuurd, verdachte heeft fiscale verplichtingen volstrekt onvoldoende prioriteit gegeven, geldboete van E 25.000,-

Uitspraak

[afbeelding niet beschikbaar]vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht

Teams Strafrecht

Parketnummer: 81/243030-23

Datum uitspraak: 5 maart 2026

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen:

[verdachte] ,

gevestigd op het adres: [vestigingsadres] , [vestigingsadres] ,

hierna: [verdachte] .

1 Onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 19 februari 2026.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. D.G. Specker, en van wat de vertegenwoordiger van verdachte, [naam vertegenwoordiger] en de raadslieden van verdachte, mr. M. Prins en mr. G.J.M.E. de Bont, naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan [verdachte] is – kort gezegd – ten laste gelegd dat het zich schuldig heeft gemaakt aan het opzettelijk niet of niet tijdig doen van aangifte vennootschapsbelasting over de jaren 2018, 2020 en 2021, terwijl dat ertoe strekte dat te weinig belasting wordt geheven.

De volledige tenlastelegging is opgenomen in de bijlage bij dit vonnis.

3 Waardering van het bewijs

3.1.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

Het ten laste gelegde kan worden bewezen.

3.2.

Standpunt van de verdediging

De uitnodiging tot het doen van aangifte vennootschapsbelasting is naar een onjuist adres gestuurd, zodat geen verplichting tot het doen van aangifte bestond. Verder is er geen sprake van opzet op het niet (tijdig) doen van de aangiften.

3.3.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht bewezen dat [verdachte] zich schuldig heeft gemaakt aan het ten laste gelegde. Zij gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit.

Wat niet ter discussie staat is dat [verdachte] een fiscale eenheid vormt met elf dochterondernemingen. De eenheid [verdachte] is belastingplichtig voor de vennootschapsbelasting. In de jaren 2018, 2020 en 2021 is door [verdachte] geen aangifte vennootschapsbelasting gedaan binnen de daarvoor door de Belastingdienst gestelde termijnen. Het niet (tijdig) doen van belastingaangifte strekt er in zijn algemeenheid toe dat te weinig belasting wordt geheven.

Juistheid van de adressering

De uitnodigingen van de Belastingdienst tot het doen van de aangifte vennootschapsbelasting over de jaren in geding zijn steeds verzonden naar het adres [adres] . Dit adres was bij de Belastingdienst bekend als postadres voor de vennootschapsbelasting in de periode van 22 oktober 2014 tot en met 22 maart 2022. [naam vertegenwoordiger] (middellijk bestuurder van [verdachte] ) heeft op de zitting verklaard dat hij degene is geweest die dit adres destijds, namens de vennootschap, heeft opgegeven als postadres bij de Belastingdienst. De rechtbank stelt vast dat niet is gebleken dat het postadres door of namens [verdachte] nadien is gewijzigd. Pas in 2022, omdat de naar Tiel gestuurde brieven door de Belastingdienst retour werden ontvangen met als melding “niet gevestigd op dit adres” is het postadres door de Belastingdienst gewijzigd naar het vestigingsadres van [verdachte] . De rechtbank ziet wel dat er eerder door [verdachte] melding is gemaakt van wijziging van belastingconsulent en dat erop is gewezen dat bepaalde bij de Belastingdienst bekende gegevens onjuist zijn, maar uit die melding is niet op te maken om welke gegevens dat gaat. In ieder geval is niet (expliciet) verzocht om wijziging van het eerder opgegeven postadres. De rechtbank concludeert al met al dan ook dat de uitnodigingen voor het doen van aangifte vennootschapsbelasting naar het juiste adres zijn verzonden. Dat tevens correspondentie over de vennootschapsbelasting is verzonden aan andere adressen, doet daar niet aan af.

Voorwaardelijk opzet

Op 27 september 2021 heeft BDO (het toenmalige accountantskantoor van [verdachte] ) per mail laten weten aan [naam] (de CFO van [verdachte] ), met [naam vertegenwoordiger] in de cc, dat er op dat moment nog uitstel liep voor de aangifte vennootschapsbelasting 2018, maar dat dit spoedig af zou lopen, te weten op 1 oktober 2021. Korte tijd daarna is [verdachte] overgestapt van BDO naar een ander accountantskantoor: PwC. [naam vertegenwoordiger] heeft hierover verklaard dat [verdachte] de overstap van BDO naar PwC heeft gemaakt nadat duidelijk werd dat niet voldaan werd aan de aangifteverplichtingen. De rechtbank stelt op basis van de genoemde omstandigheden vast dat het voor [verdachte] eind 2021 duidelijk was dat snel moest worden gehandeld. Vervolgens duurde het echter nog tot 28 februari 2022 voordat [verdachte] en PwC een overeenkomst sloten. Uit de opdrachtbevestiging blijkt vervolgens niet dat PwC opdracht is gegeven ook de aangifte vennootschapsbelasting 2018, 2020 en 2021 te doen. [naam partner] , partner van PwC, heeft eveneens verklaard dat hij niet met [verdachte] heeft gesproken over aangiften vennootschapsbelasting en de achterstanden daarvan. [naam partner] raakte naar eigen zeggen pas op de hoogte van de achterstanden op 1 februari 2023, toen de Belastingdienst daarover telefonisch contact met hem opnam en PwC is dan ook pas vanaf dat moment betrokken geraakt bij de achterstallige aangiften vennootschapsbelasting van [verdachte] . [verdachte] heeft voor de aangiften vennootschapsbelasting 2018, 2020 en 2021 herinneringen en aanmaningen ontvangen. De rechtbank concludeert echter dat uit de stukken niet blijkt dat [verdachte] , PwC vervolgens (op welke manier dan ook) op de hoogte heeft gesteld van deze stukken en de achterstanden. [verdachte] heeft aldus onvoldoende actie ondernomen met betrekking tot de aangiften. Deze omstandigheden tezamen maken dat door [verdachte] willens en wetens de aanmerkelijke kans is aanvaard dat de aangiften niet of niet tijdig zouden worden ingediend. Daarmee is sprake van voorwaardelijk opzet.

4 Bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat

[verdachte] op tijdstippen in of omstreeks 9 maart 2022 tot en met 28 december 2024 te Amsterdam en/of Apeldoorn, in elk geval in Nederland,

(telkens) opzettelijk bij de belastingwet voorziene aangiften, als bedoeld in

de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten (digitale)

aangiften vennootschapsbelasting ten name van [verdachte] over:

- het jaar 2018 en

- het jaar 2020 en

- het jaar 2021;

(telkens) niet of niet binnen de gestelde termijn heeft gedaan,

terwijl die feiten (telkens) ertoe strekten dat te weinig belasting wordt

geheven.

Voor zover in het bewezenverklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

5 Strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6 Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7 Motivering van de straf

7.1.

Eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat [verdachte] voor het door hem bewezen geachte feit zal worden veroordeeld tot een geldboete ter hoogte van € 25.000,-.

7.2.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht om bij een bewezenverklaring rekening te houden met de hoogte van het nadeel. Ook is verzocht om rekening te houden met de inspanningen die zijn verricht door [verdachte] om de aangiften alsnog in te dienen, wat inmiddels is gebeurd.

7.3.

Oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte en de omstandigheden waaronder dit is begaan, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

[verdachte] heeft een lange periode, gedurende drie jaar, opzettelijk niet (tijdig) voldaan aan zijn aangifte verplichtingen. De rechtbank heeft niet de indruk dat hiermee moedwillig geprobeerd is belasting te ontduiken. Wel blijkt uit het handelen, althans het ontbreken daaraan, dat [verdachte] de fiscale verplichtingen die verbonden zijn aan het drijven van een onderneming volstrekt onvoldoende prioriteit heeft gegeven.

Door niet aan de aangifteverplichtingen te voldoen wordt de mogelijkheid voor de Belastingdienst om belastingaanslagen op te leggen bemoeilijkt. Uiteindelijk kan dit leiden tot verdere verzwaring van de belastingdruk voor alle Nederlanders. De handelingen van [verdachte] dragen bovendien bij aan het ondermijnen van de belastingmoraal.

Uiteindelijk heeft de Belastingdienst voor de jaren 2018, 2020 en 2021 aanslagen voor een totaal bedrag van € 561.732 opgelegd. In het voordeel van verdachte houdt de rechtbank er rekening mee dat de benodigde gegevens voor de aanslagen vennootschapsbelasting over de jaren in geding uiteindelijk, zij het pas vele jaren na dato, door [verdachte] zijn aangeleverd. Over het jaar 2018 is de aanslag inmiddels betaald, voor de jaren 2020 en 2021 is uitstel van betaling verleend.

Alles overwegende, ook mede gelet op de hoogte van de uiteindelijke opgelegde aanslagen, acht de rechtbank een geldboete ter hoogte van € 25.000,- passend en geboden.

8 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 23, 51 en 63 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 69 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.

9 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte niet of niet tijdig doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een geldboete van € 25.000,- (vijfentwintigduizend euro).

Dit vonnis is gewezen door

mr. J.M.R. Vastenburg, voorzitter,

mrs. C.A.E. Wijnker en G.J.M. Kruizinga, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. A.V. Koppelman, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 5 maart 2026.

Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende dossier bevinden, volgens de in dat dossier toegepaste nummering. Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. De met DOC aangeduide bewijsmiddelen zijn steeds geschriften. De inhoud van de bewijsmiddelen is steeds zakelijk weergegeven. VD-001-03, p. 0024-0025. DOC-024, p. 1035; DOC-002, p. 0511; DOC-003, p. 0536; DOC-130, p. 1887. DOC-008, p. 0645; DOC-009, p. 0665; DOC-010, p. 0690; DOC-131, p. 1888. DOC-011, p. 0710; DOC-012, p. 0730; DOC-013, p. 0759; DOC-132, p. 1889. DOC-024, p. 1035 (2018); DOC-008, p. 0645 (2020); DOC-011, p. 0710 (2021). AMB-010, p. 0419. De verklaring van verdachte op de zitting van 19 februari 2026. DOC-078, p. 1477. V-002-02, p. 0173. DOC-093, p. 1578-1585. G-001-04, p. 0337. G-001-04, p. 0338. DOC-002, p. 0511 (herinnering); DOC-003, p. 0536 (aanmaning). DOC-009, p. 0665 (herinnering); DOC-010, p. 690 (aanmaning). DOC-012, p. 0730 (herinnering); DOC-013, p. 0759 (aanmaning).