Strafrecht overig
Vrijspraak van samen met anderen het plegen van het valselijk opmaken van vervoersbewijzen dierlijke…
Rechtbank Overijssel, 26 oktober 2026
ECLI:NL:RBOVE:2026:6444 · Rechtbank Overijssel · 26 oktober 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-overijssel/strafrecht/strafrecht-overig/eerste-aanleg-meervoudig/ecli-nl-rbove-2026-6444
Zaakgegevens
Op 26 oktober 2026 heeft de Rechtbank Overijssel in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Rechtbank OverijsselRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Zwolle
- Datum uitspraak
- 26 oktober 2026
- Datum publicatie
- 26 oktober 2026
- Zaaknummer
- 84-089868-22 (P)
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- Eerste aanleg - meervoudigMeervoudige kamerDe zaak is behandeld door drie rechters samen, meestal omdat zij ingewikkeld of zwaar is.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBOVE:2026:6444
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Vrijspraak van samen met anderen het plegen van het valselijk opmaken van vervoersbewijzen dierlijke meststoffen, valselijk opmaken van zestien VDM’s, verbreken van de door het bevoegde gezag aangebrachte zegels van een groot aantal met meststoffen gevulde sealbags en niet naar waarheid bijhouden van haar administratie.
Uitspraak
RECHTBANK OVERIJSSEL
Team Strafrecht
Meervoudige kamer
Zittingsplaats Zwolle
Parketnummer: 84-089868-22 (P)
Datum vonnis: 26 oktober 2026
Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:
[verdachte bedrijf] B.V.
gevestigd op het adres [adres 1] .
1 Het onderzoek op de terechtzitting
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 11 april 2023, 23 januari 2024, 18 juni 2024, 14 september 2026 en 26 oktober 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officieren van justitie en wat door de vertegenwoordiger van verdachte, de heer [medeverdachte 1] en zijn raadsman mr. M.J.J.E. Stassen, advocaat in Tilburg, naar voren is gebracht.
2 De tenlastelegging
De verdenking komt er, zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte:
feit 1: in de periode van 1 januari 2017 tot en met 14 augustus 2018 samen met anderen of alleen opzettelijk haar administratie niet naar waarheid heeft bijgehouden;
feit 2: op 25 april 2018 samen met anderen of alleen opzettelijk twee vervoersbewijzen dierlijke meststoffen valselijk heeft opgemaakt of heeft vervalst;
feit 3: in de periode van 31 mei 2017 tot en met 1 augustus 2018 samen met anderen of alleen opzettelijk zestien vervoersbewijzen dierlijke meststoffen valselijk heeft opgemaakt of vervalst;
feit 4: in de periode van 3 januari 2017 tot en met 14 augustus 2018 samen met anderen of alleen opzettelijk de door het bevoegde gezag aangebrachte zegels van een groot aantal met meststoffen gevulde sealbags heeft verbroken (primair), dan wel dat zij dit heeft gedaan ten aanzien van 22 sealbags (subsidiair).
Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:
1
dat zij in of omstreeks de periode van 1 januari 2017 tot en met 14 augustus 2018 te
Haaksbergen, althans in Nederland,
als rechtspersoon die dierlijke meststoffen verhandelde in de zin van artikel 1 lid 1
aanhef en onder e van de Meststoffenwet,
tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen,
opzettelijk
niet steeds kon verantwoorden dat de op de eigen onderneming aangevoerde
dierlijke meststoffen waren afgevoerd,
immers werd haar administratie niet naar waarheid bijgehouden (artikel 39 lid 1 en
4 jo. artikel 34 Uitvoeringsbesluit meststoffenwet);
2
zij op of omstreeks 25 april 2018 te Vriezenveen en/of te Haaksbergen, althans in
Nederland,
tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen,
twee vervoersbewijzen dierlijke meststoffen, te weten
- van 25 april 2018 met nummer [nummer 1] (DOC-0001, proces-verbaal p. 92-96 en
1488) en
- van 25 april 2018 met nummer [nummer 2] (DOC-0002, proces-verbaal p. 92-96 en
1489)
zijnde deze vervoersbewijzen telkens een geschrift dat bestemd was om tot bewijs
van enig feit te dienen,
valselijk heeft opgemaakt en/of heeft vervalst, met het oogmerk om deze als echt en
onvervalst te gebruiken en/of door anderen te doen gebruiken,
bestaande deze valsheid en/of vervalsing hierin dat
- in het vervoersbewijs van 25 april 2018 met nummer [nummer 1] in strijd met de
waarheid onder Afnemer was ingevuld ‘ [bedrijf 1] ’ en/of onder postcode losplaats
was ingevuld ‘ [adres 2] ’ (zijnde een postcode in [vestigingsplaats 1] ) en/of onder tijdstip
lossen was ingevuld ’07:25’ en/of
- in het vervoersbewijs van 25 april 2018 met nummer [nummer 2] in strijd met de
waarheid onder Leverancier was ingevuld ‘ [bedrijf 1] ’ en/of onder tijdstip laden was ingevuld ’07:35’;
3
zij in of omstreeks de periode van 31 mei 2017 tot en met 1 augustus 2018 te
Haaksbergen en/of te Vriezenveen en/of te Scheemda en/of te Brucht, althans in
Nederland,
tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen,
zestien, althans een aantal vervoersbewijzen dierlijke meststoffen, te weten die
- van 30 november 2017 met nummer [nummer 3] (chauffeur [chauffeur 1] ,
DOC-04081, proces-verbaal p. 106-111, 2320 en 3549) en
- van 30 november 2017 met nummer [nummer 4] (chauffeur [chauffeur 1] ,
DOC-05126, proces-verbaal p. 106-111, 2320 en 3564) en
- van 16 april 2018 met nummer [nummer 5] (chauffeur [chauffeur 1] , DOC-01535,
proces-verbaal p. 116-120, 2326 en 2860) en
- van 16 april 2018 met nummer [nummer 6] (chauffeur [chauffeur 1] , DOC-02896,
proces-verbaal p. 116-120, 2326 en 3495) en
- van 11 december 2017 met nummer [nummer 7] (chauffeur [chauffeur 2] ,
DOC-03766, proces-verbaal p. 137-141, 2294 en 3528) en
- van 11 december 2017 met nummer [nummer 8] (chauffeur [chauffeur 2] ,
DOC-05149, proces-verbaal p. 137-141, 2294 en 3567) en
- van 10 januari 2018 met nummer [nummer 9] (chauffeur [chauffeur 2] , DOC-01332,
proces-verbaal p. 150-155, 2296 en 2834) en
- van 10 januari 2018 met nummer [nummer 10] (chauffeur [chauffeur 2] , DOC-02259,
proces-verbaal p. 150-155, 2296 en 3421) en
- van 31 mei 2017 met nummer [nummer 11] (chauffeur [chauffeur 3] , DOC-03578,
proces-verbaal p. 167-171, 2921 en 3516) en
- van 31 mei 2017 met nummer [nummer 12] (chauffeur [chauffeur 3] , DOC-04854,
proces-verbaal p. 167-171, 2921 en 3551) en
- van 1 augustus 2018 met nummer [nummer 13] (chauffeur [chauffeur 4] , DOC-01773,
proces-verbaal p. 208-212, 2894 en 2916) en
- van 1 augustus 2018 met nummer [nummer 14] (chauffeur [chauffeur 4] DOC-03035,
proces-verbaal p. 208-212, 2917 en 3509) en
- van 4 april 2018 met nummer [nummer 15] (chauffeur [chauffeur 5] , DOC-01558,
proces-verbaal p. 225-229, 2341 en 2864) en
- van 4 april 2018 met nummer [nummer 16] (chauffeur [chauffeur 5] , DOC-02880,
proces-verbaal p. 225-229, 2341 en 3493) en
- van 15 juli 2017 met nummer [nummer 17] (chauffeur [medeverdachte 2] , DOC-03650,
proces-verbaal p. 255-259, 2954 en 3521) en
- van 15 juli 2017 met nummer [nummer 18] (chauffeur [medeverdachte 2] , DOC-05181,
proces-verbaal p. 255-259, 2954 en 3573)
zijnde deze vervoersbewijzen telkens een geschrift dat bestemd was om tot bewijs
van enig feit te dienen,
valselijk heeft opgemaakt en/of heeft vervalst, telkens met het oogmerk om deze als
echt en onvervalst te gebruiken en/of door anderen te doen gebruiken,
bestaande deze valsheid en/of vervalsing hierin dat
- in het vervoersbewijs van 30 november 2017 met nummer [nummer 3] in strijd met
de waarheid onder Afnemer was ingevuld ‘ [bedrijf 1] [vestigingsplaats 1] ’ en/of onder
postcode losplaats was ingevuld ‘ [adres 2] ’ (zijnde een postcode in [vestigingsplaats 1] )
en/of onder tijdstip lossen was ingevuld ‘13:00’ en
- in het vervoersbewijs van 30 november 2017 met nummer [nummer 4] in strijd met
de waarheid onder Leverancier was ingevuld ‘ [bedrijf 1] [vestigingsplaats 1] ’ en/of onder
postcode laadplaats was ingevuld ‘ [adres 2] ’ (zijnde een postcode in [vestigingsplaats 1] )
en/of onder tijdstip laden was ingevuld ‘13:10’ en
- in het vervoersbewijs van 16 april 2018 met nummer [nummer 5] in strijd met de
waarheid onder Afnemer was ingevuld ‘ [bedrijf 1] [vestigingsplaats 1] ’ en/of onder
postcode losplaats was ingevuld ‘ [adres 2] ’ (zijnde een postcode in [vestigingsplaats 1] )
en/of onder tijdstip lossen was ingevuld ‘12:10’ en
- in het vervoersbewijs van 16 april 2018 met nummer [nummer 6] in strijd met de
waarheid onder Leverancier was ingevuld ‘ [bedrijf 1] [vestigingsplaats 1] ’ en/of onder
postcode laadplaats was ingevuld ‘ [adres 2] ’ (zijnde een postcode in [vestigingsplaats 1] )
en/of onder tijdstip laden was ingevuld ‘12:20’ en
- in het vervoersbewijs van 11 december 2017 met nummer [nummer 7] in strijd met
de waarheid onder Afnemer was ingevuld ‘ [bedrijf 1] ’ en/of onder postcode
losplaats was ingevuld ‘ [adres 2] ’ (zijnde een postcode in [vestigingsplaats 1] ) en/of onder
tijdstip lossen was ingevuld ‘17:10’ en
- in het vervoersbewijs van 11 december 2017 met nummer [nummer 8] in strijd met
de waarheid onder Leverancier was ingevuld ‘ [bedrijf 1] ’ en/of onder postcode
laadplaats was ingevuld ‘ [adres 2] ’ (zijnde een postcode in [vestigingsplaats 1] ) en/of onder
tijdstip laden was ingevuld ‘17:25’ en
- in het vervoersbewijs van 10 januari 2018 met nummer [nummer 9] in strijd met de
waarheid onder Afnemer was ingevuld ‘ [bedrijf 1] ’ en/of onder postcode losplaats
was ingevuld ‘ [adres 3] ’ (zijnde een postcode in [vestigingsplaats 2] ) en/of onder tijdstip
lossen was ingevuld ‘10:10’ en
- in het vervoersbewijs van 10 januari 2018 met nummer [nummer 10] in strijd met de
waarheid onder Leverancier was ingevuld ‘ [bedrijf 1] ’ en/of onder postcode
laadplaats was ingevuld ‘ [adres 3] ’ (zijnde een postcode in [vestigingsplaats 2] ) en/of onder
tijdstip laden was ingevuld ‘10:30’ en
- in het vervoersbewijs van 31 mei 2017 met nummer [nummer 11] in strijd met de
waarheid onder Afnemer was ingevuld ‘ [bedrijf 1] ’ en/of onder postcode losplaats
was ingevuld ‘ [adres 3] ’ (zijnde een postcode in [vestigingsplaats 2] ) en/of onder tijdstip
lossen was ingevuld ‘08:25’en
- in het vervoersbewijs van 31 mei 2017 met nummer [nummer 12] in strijd met de
waarheid onder Leverancier was ingevuld ‘ [bedrijf 1] ’ en/of onder postcode
laadplaats was ingevuld ‘ [adres 3] ’ (zijnde een postcode in [vestigingsplaats 2] ) en/of onder
tijdstip laden was ingevuld ‘08:30’ en
- in het vervoersbewijs van 1 augustus 2018 met nummer [nummer 13] in strijd met
de waarheid onder Afnemer was ingevuld ‘ [bedrijf 1] ’ en/of onder postcode
losplaats was ingevuld ‘ [adres 2] ’ (zijnde een postcode in [vestigingsplaats 1] ) en/of onder
tijdstip lossen was ingevuld ‘13:10’ en
- in het vervoersbewijs van 1 augustus 2018 met nummer [nummer 14] in strijd met
de waarheid onder Leverancier was ingevuld ‘ [bedrijf 1] ’ en/of onder postcode
laadplaats was ingevuld ‘ [adres 2] ’ (zijnde een postcode in [vestigingsplaats 1] ) en/of onder
tijdstip laden was ingevuld ‘13:30’ en
- in het vervoersbewijs van 4 april 2018 met nummer [nummer 15] in strijd met de
waarheid onder Afnemer was ingevuld ‘ [bedrijf 1] ’ en/of onder postcode losplaats
was ingevuld ‘ [adres 2] ’ (zijnde een postcode in [vestigingsplaats 1] ) en/of onder tijdstip
lossen was ingevuld ‘15:56’ en
- in het vervoersbewijs van 4 april 2018 met nummer [nummer 16] in strijd met de
waarheid onder Leverancier was ingevuld ‘ [bedrijf 1] ’ en/of onder postcode laadplaats was ingevuld ‘ [adres 2] ’ (zijnde een postcode in [vestigingsplaats 1] ) en/of onder
tijdstip laden was ingevuld ‘15:58’ en
- in het vervoersbewijs van 15 juli 2017 met nummer [nummer 17] in strijd met de
waarheid onder Afnemer was ingevuld ‘ [bedrijf 1] ’ en/of onder postcode losplaats
was ingevuld ‘ [adres 4] ’ (zijnde een postcode in [vestigingsplaats 3] ) en/of onder tijdstip lossen
was ingevuld ‘12:30’ en
- in het vervoersbewijs van 15 juli 2017 met nummer [nummer 18] in strijd met de
waarheid onder Leverancier was ingevuld ‘ [bedrijf 1] ’ en/of onder postcode
laadplaats was ingevuld ‘ [adres 4] ’ (zijnde een postcode in [vestigingsplaats 3] ) en/of onder
tijdstip laden was ingevuld ‘12:40’;
4
zij in of omstreeks de periode van 3 januari 2017 tot en met 14 augustus 2018 te
Bergentheim en/of te Haaksbergen en/of te Gramsbergen, althans in Nederland,
tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen,
opzettelijk
een groot aantal zegels waarmede voorwerpen door of vanwege het bevoegd gezag
verzegeld waren,
te weten met meststoffen gevulde zogeheten VMA sealbags, zijnde deze VMA
sealbags met meststoffen gevulde monsterverpakkingen als bedoeld in artikel 79 lid
1 en Bijlage E, onderdeel B van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet, die zodanig
waren gesloten dat deze niet zonder herkenbare beschadiging konden worden
geopend, en/of aan de inhoud ervan zonder herkenbare beschadiging niets
toegevoegd, afgenomen of anderszins veranderd kon worden,
heeft verbroken en/of opgeheven en/of beschadigd,
door deze VMA sealbags met een schaar open te knippen,
in elk geval,
opzettelijk een groot aantal afsluitingen die werden bewerkt door zegels waarmede
voorwerpen door of vanwege het bevoegd openbaar gezag verzegeld waren,
te weten met meststoffen gevulde zogeheten VMA sealbags, zijnde deze VMA
sealbags met meststoffen gevulde monsterverpakkingen als bedoeld in artikel 79 lid
1 en Bijlage E, onderdeel B van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet, die zodanig
waren gesloten dat deze niet zonder herkenbare beschadiging konden worden
geopend, en/of aan de inhoud ervan zonder herkenbare beschadiging niets
toegevoegd, afgenomen of anderszins veranderd kon worden,
heeft verijdeld,
door deze VMA sealbags met een schaar open te knippen,
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou
kunnen leiden:
zij in de periode van 1 juli 2018 tot en met 16 augustus 2018 te Haaksbergen en/of te
Bergentheim, althans in Nederland,
tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen,
opzettelijk zegels waarmede voorwerpen door of vanwege het bevoegd openbaar
gezag verzegeld waren,
te weten de met meststoffen gevulde zogeheten VMA sealbags met de nummers
[nummer 19] , [nummer 20] , [nummer 21] , [nummer 22] ,
[nummer 23] , [nummer 24] , [nummer 25] , [nummer 26] ,
[nummer 27] , [nummer 28] , [nummer 29] , [nummer 30] , [nummer 31] ,
[nummer 32] , [nummer 33] , [nummer 34] , [nummer 35] , [nummer 36] ,
[nummer 37] , [nummer 38] , [nummer 39] en [nummer 40]
(DOC-00732, proces-verbaal p. 375-386, 1856-1882, 2443-2459 en 2478-2501),
zijnde deze VMA sealbags met meststoffen gevulde monsterverpakkingen als
bedoeld in artikel 79 lid 1 en Bijlage E, onderdeel B van de Uitvoeringsregeling
Meststoffenwet, die zodanig waren gesloten dat deze niet zonder herkenbare
beschadiging konden worden geopend en/of aan de inhoud ervan zonder
herkenbare beschadiging niets toegevoegd, afgenomen of anderszins veranderd kon
worden,
heeft verbroken en/of opgeheven en/of beschadigd,
door deze VMA sealbags met een schaar open te knippen,
in elk geval
opzettelijk de afsluitingen die werden bewerkt door zegels waarmede voorwerpen
door of vanwege het bevoegd openbaar gezag verzegeld waren,
te weten de met meststoffen gevulde zogeheten VMA sealbags met de nummers
[nummer 19] , [nummer 20] , [nummer 21] , [nummer 22] ,
[nummer 23] , [nummer 24] , [nummer 25] , [nummer 26] ,
[nummer 27] , [nummer 28] , [nummer 29] , [nummer 30] , [nummer 31] ,
[nummer 32] , [nummer 33] , [nummer 34] , [nummer 35] , [nummer 36] ,
[nummer 37] , [nummer 38] , [nummer 39] en [nummer 40]
(DOC-00732, proces-verbaal p. 375-386, 1856-1882, 2443-2459 en 2478-2501),
zijnde deze VMA sealbags met meststoffen gevulde monsterverpakkingen als
bedoeld in artikel 79 lid 1 en Bijlage E, onderdeel B van de Uitvoeringsregeling
Meststoffenwet, die zodanig waren gesloten dat deze niet zonder herkenbare
beschadiging konden worden geopend en/of aan de inhoud ervan zonder
herkenbare beschadiging niets toegevoegd, afgenomen of anderszins veranderd kon
worden,
heeft verijdeld,
door deze VMA sealbags met een schaar open te knippen.
3 De voorvragen
De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.
4 De bewijsoverwegingen
Inleiding
Op 25 februari 2018 zag een toezichthouder van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (verder: NVWA) in het digitale dossier met betrekking tot zogenoemde AGR/GPS-meldingen dat in de maand februari 2018 door verschillende tankopleggers die geregistreerd stonden bij de intermediair [verdachte bedrijf] B.V. (verder: [verdachte bedrijf] B.V.) meermalen binnen een zeer kort tijdsbestek – variërend van drie tot negentien minuten – los- en laadmeldingen waren gedaan bij een mestbassin gelegen aan de [adres 5]. De korte tijdspanne tussen het lossen en het vervolgens laden van dierlijke meststoffen riep bij de toezichthouder het vermoeden op dat deze handelingen in werkelijkheid niet hadden plaatsgevonden, dat wil zeggen dat het zou gaan om zogenoemde “klik-klakmeldingen”, waarbij een laadmelding kort na een losmelding volgt, zonder dat daadwerkelijk een lossing en belading had kunnen plaatsvinden.
Dit vermoeden leek bevestiging te vinden in de bevindingen van twee toezichthouders van de NVWA bij een bezoek op 26 februari 2018 aan het betreffende mestbassin, dat bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (verder: RVO) geregistreerd stond op naam van het bedrijf [bedrijf 1] BV. Zij troffen een vrachtwagencombinatie aan die in gebruik was bij [verdachte bedrijf] BV en die een los- en laadmelding had gedaan, terwijl er zichtbaar geen vulslang aan de vrachtwagen was bevestigd.
Gelet op deze bevindingen werd het digitale dossier met betrekking tot de door [verdachte bedrijf] B.V. verrichte AGR/GPS-meldingen nader onderzocht. Daaruit kwam een groot aantal andere mogelijke “klik-klakvrachten” naar voren. Tijdens het verdere onderzoek ontstond daarnaast het vermoeden dat de automatisch gegenereerde mestmonsters handmatig werden gemanipuleerd voordat deze voor monsteronderzoek werden verzonden naar een erkend laboratorium. Naar aanleiding hiervan is het strafrechtelijk onderzoek “Glassnijder” gestart.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat alle tenlastegelegde feiten wettig en overtuigend kunnen worden bewezen verklaard.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft integrale vrijspraak bepleit. Daartoe heeft hij, zakelijk weergegeven, het volgende aangevoerd.
Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde kunnen de gedragingen, voor zover deze al kunnen worden bewezen, niet aan verdachte worden toegerekend.
Ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde heeft de raadsman betoogd dat de veronderstelling dat tussen een los- en laadmelding minimaal vier minuten en 31 seconden moet zijn verstreken, niet houdbaar is. Deze tijd is immers gebaseerd op aannames over de technische instellingen van het AGR/GPS-systeem, terwijl uit het dossier volgt dat deze instellingen kunnen variëren. Aan het enkele tijdsverloop tussen de los- en laadmelding kan daarom niet de conclusie worden verbonden dat sprake is geweest van fictieve los- en laadmeldingen. Nu niet kan worden vastgesteld dat de meststoffen daadwerkelijk niet zijn gelost en geladen, kan evenmin worden vastgesteld dat de daarop betrekking hebbende VDM’s valselijk zijn opgemaakt.
Ten aanzien van het onder 4 ten laste gelegde kan niet worden vastgesteld dat mestmonsters zijn gemanipuleerd. Voor zover van manipulatie van de mestmonsters kan worden uitgegaan, kunnen deze gedragingen niet aan verdachte worden toegerekend.
Nu niet kan worden vastgesteld dat de in de administratie opgenomen VDM’s vals zijn, kan evenmin worden vastgesteld dat verdachte haar administratie niet naar waarheid heeft bijgehouden. Ook ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde heeft de raadsman derhalve vrijspraak bepleit.
Het oordeel van de rechtbank
Wettelijk kader en regelgeving
Ingevolge de Meststoffenwet rust op een veehouder die meer dierlijke meststoffen produceert dan hij op zijn bedrijf voor bemesting mag gebruiken, de verplichting om het bedrijfsoverschot te laten verwerken. Aan deze verwerkingsverplichting kan onder meer worden voldaan door de dierlijke meststoffen door een intermediaire onderneming te laten afvoeren. Een intermediaire onderneming is een onderneming, niet zijnde een bedrijf, in het kader waarvan al dan niet uitsluitend dierlijke meststoffen worden verhandeld of worden gebruikt. Een intermediaire onderneming dient afzonderlijk te zijn geregistreerd bij de RVO. Indien de dierlijke meststoffen door een intermediair worden afgevoerd, komt de verantwoordelijkheid voor de verdere verwerking en de verantwoording van de afgevoerde meststoffen bij de intermediair te liggen.
Het vervoer van dierlijke meststoffen wordt geregistreerd door middel van een vervoersbewijs dierlijke meststoffen (VDM). Wanneer de meststoffen door een intermediair worden afgevoerd, wordt dit op het VDM onder meer door middel van “opmerkingscode 61” kenbaar gemaakt. De intermediair is in dat geval gehouden de gegevens die betrekking hebben op de vracht dierlijke meststoffen (elektronisch) in te dienen bij de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit. Deze gegevens worden bij de RVO geregistreerd.
De voertuigen waarmee dierlijke meststoffen worden vervoerd, dienen te zijn uitgerust met AGR/GPS-apparatuur en bemonsterings- en verpakkingsapparatuur. De vervoerder, doorgaans de chauffeur, draagt ervoor zorg dat op het tijdstip van lossen en laden van een vracht dierlijke mest de door de AGR/GPS-apparatuur gegenereerde gegevens inzake de laad- of loslocatie, de datum en het tijdstip van het lossen of laden van het transportmiddel, automatisch worden vastgelegd en elektronisch aan de RVO worden verzonden. De mestmonsters worden automatisch genomen bij het laden van een vracht dierlijke mest in een tankwagen. Deze mestmonsters zijn automatisch verpakt en de met mest gevulde monsterverpakkingen zijn automatisch gesloten door het op de vervoermiddelen aanwezige verpakkingsapparatuur. De mestmonsters zijn verpakt in monsterverpakkingen van VMA en worden aangeduid als “VMA-sealzakken” of “VMA-sealbags”. Ingevolge de Meststoffenwet dienen de mestmonsters te worden verzonden naar een erkend laboratorium alwaar het stikstof- en fosfaatgehalte wordt vastgesteld. De monsteruitslagen zijn vervolgens van belang voor de verantwoordingsplicht met betrekking tot de verwerkte hoeveelheden stikstof en fosfaat.
Overwegingen van de rechtbank
Voor de leesbaarheid van het vonnis bespreekt de rechtbank de aan verdachte ten laste gelegde feiten in chronologische volgorde. Dat betekent dat de rechtbank eerst de feiten 2, 3 en 4 zal bespreken en vervolgens, als laatste, feit 1.
4.4.2.1 Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde
Aan verdachte is, kort gezegd, ten laste gelegd dat zij zich schuldig heeft gemaakt aan het valselijk opmaken van vervoersbewijzen dierlijke meststoffen met betrekking tot de los- en laadmelding op 25 april 2018.
Naar aanleiding van de hierboven aangehaalde bevindingen op 25 en 26 februari 2018, heeft de NVWA op 25 april 2018 opnieuw een controle uitgevoerd, die specifiek was gericht op mesttransporten van [verdachte bedrijf] B.V. De verbalisanten zagen dat een vrachtwagencombinatie van [bedrijf 2] B.V., voorzien van het kenteken [kenteken], in de richting van een mestbassin reed. Het mestbassin was gelegen aan de [adres 6] . Uit raadpleging van het digitale dossier van de RVO bleek dat het betreffende voertuig stond geregistreerd ten name van [verdachte bedrijf] B.V. De verbalisanten zagen dat de vrachtwagencombinatie stopte voor het mestbassin. Zij hoorden vervolgens een sissend geluid dat volgens hen afkomstig was van ontsnappende lucht. De chauffeur stapte uit de cabine, verbleef ongeveer twee minuten buiten de cabine en stapte vervolgens weer in, waarna hij wegreed in de richting van [vestigingsplaats 1] . Uit het digitale dossier bleek dat om 07:29 uur een losmelding was geregistreerd met betrekking tot een VDM met het nummer [nummer 1] , kort daarop gevolgd door een laadmelding om 07:34 uur met betrekking tot een VDM met het nummer [nummer 2] . Deze bevindingen vormden aanleiding om de chauffeur te controleren. De chauffeur betrof [naam 1]. Nadat [naam 1] op het politiebureau was geconfronteerd met het zeer korte tijdsbestek tussen de los- en laadmelding en de daarmee samenhangende valselijk ingevulde VDM’s, verklaarde hij dat hij op de betreffende locatie geen meststoffen had gelost en geladen, maar dat hij met behulp van het VMA AGR/GPS-systeem een fictieve los- en laadmelding had gedaan. [naam 1] verklaarde dat hij daartoe de luchtdruk van de oplegger liet ontsnappen door een kraan te openen. Als gevolg daarvan registreerde de AGR/GPS-apparatuur een losmelding. Vervolgens heeft hij een nieuwe mestbon gescand, waarna het systeem een nieuwe laadmelding genereerde. Het mestmonster werd daarbij genomen van de mest die zich reeds in de tankoplegger bevond. Daadwerkelijk is er niet gelost en geladen bij de mestopslag in [vestigingsplaats 1] . Volgens [naam 1] had op de betreffende locatie in werkelijkheid geen lossing of belading van meststoffen plaatsgevonden. Hij verklaarde voorts dat hij deze werkwijze in opdracht van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] had toegepast.
De rechtbank stelt op grond van het bovenstaande vast dat op de betreffende datum geen daadwerkelijke lossing en belading van dierlijke meststoffen bij het mestbassin in [vestigingsplaats 1] heeft plaatsgevonden en (dus) valse VDM’s met betrekking tot het betreffende transport zijn opgemaakt.
De vraag die vervolgens voorligt, is of deze gedragingen aan verdachte kunnen worden toegerekend. [naam 1] heeft verklaard dat hij de hiervoor beschreven werkwijze in opdracht van [verdachte bedrijf] heeft toegepast. [verdachte bedrijf] heeft dat echter ontkend en ter terechtzitting verklaard dat hij [naam 1] geen opdracht heeft gegeven om fictieve los- en laadmeldingen te genereren of daarmee samenhangend valse VDM’s op te maken. Hoewel het dossier wel aanwijzingen bevat dat [verdachte bedrijf] op de hoogte is geweest van de gehanteerde werkwijze, constateert de rechtbank dat de verklaring van [naam 1] geen steun in andere bewijsmiddelen vindt. De enkele verklaring van [naam 1] is onvoldoende om te bewijzen dat [verdachte bedrijf] feitelijke leiding of opdracht heeft gegeven aan het door [naam 1] fictief lossen en laden van meststoffen en het vervolgens opmaken van de daarmee samenhangende valse VDM’s (de zogeheten “unus testis nullus testis-regel”). Evenmin is op andere wijze gebleken van enige betrokkenheid van [verdachte bedrijf] bij het opmaken of doen opmaken van deze VDM’s. De rechtbank kan derhalve weliswaar vaststellen dat de betreffende los- en laadmelding fictief waren en dat de daarbij behorende VDM’s valselijk waren ingevuld, maar niet dat [verdachte bedrijf] daarbij betrokken is geweest, noch dat de gedragingen passen in de normale bedrijfsvoering of taakuitoefening van [verdachte bedrijf] B.V. Gelet hierop kan evenmin worden vastgesteld dat de gedragingen aan verdachte kunnen worden toegerekend. De rechtbank spreekt verdachte daarom vrij van het onder 2 ten laste gelegde.
4.4.2.2 Ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde
Aan verdachte is onder feit 3 ten laste gelegd dat zij zich schuldig heeft gemaakt aan het valselijk opmaken van zestien VDM’s. Deze VDM’s hebben betrekking op mesttransporten die zijn uitgevoerd door de chauffeurs [chauffeur 1] , [chauffeur 2] , [chauffeur 3] , [chauffeur 4] , [chauffeur 5] en medeverdachte [medeverdachte 2] .
De rechtbank stelt voorop dat de verdenking ten aanzien van deze zestien VDM’s uitsluitend is gebaseerd op het – volgens de NVWA – zeer korte tijdsbestek tussen de geregistreerde los- en laadmeldingen. Anders dan in het hierboven beschreven geval, heeft de NVWA in geen van deze gevallen eigen waarnemingen gedaan. De NVWA heeft aan de hand van de technische eigenschappen en instellingen van de door [naam 1] gebruikte AGR/GPS-apparatuur, een berekening heeft gemaakt van de tijd die minimaal nodig zou zijn tussen het genereren van een losmelding van de ene vracht en de laadmelding van een direct daarop op dezelfde locatie geladen vracht dierlijke meststoffen. Daarbij is uitgegaan van een tankoplegger met een inhoud van ongeveer 37m3, een pompcapaciteit van ongeveer 4,5m3 per minuut en systeeminstellingen waarbij een losmelding werd gegenereerd wanneer de tank voor ongeveer zestig procent was geleegd en een laadmelding wanneer de tank voor ongeveer vijftien procent was gevuld. Op basis hiervan heeft de NVWA berekend dat tussen een los- en een daaropvolgende laadmeldingen minimaal vier minuten en 31 seconden moet zijn verstreken.
De in de tenlastelegging opgenomen VDM’s zijn geselecteerd omdat het tijdsverloop tussen de los- en laadmelding telkens minder dan die vier minuten en 31 seconden bedraagt. Aan de verdenking dat de betreffende VDM’s valselijk zijn opgemaakt ligt daarmee in de kern de aanname ten grondslag dat het technisch niet mogelijk is om binnen een korter tijdsbestek dan vier minuten en 31 seconden een los- en een daaropvolgende laadmelding ter zake van een daadwerkelijke volledige lossing onderscheidenlijk direct aansluitende belading te genereren. Daarnaast is aan de hand van de tachograafgegevens onderzocht hoe lang de vrachtwagencombinatie op de desbetreffende locaties heeft stilgestaan. Ook die gegevens zouden erop wijzen dat de vrachtwagencombinatie niet lang genoeg heeft stilgestaan om die combinatie daadwerkelijk volledig te lossen en aansluitend volledig te laden.
[naam 2], directeur van het bedrijf [bedrijf 3], heeft verklaard dat de door hen geleverde AGR/GPS-apparatuur over verschillende technische instellingen beschikt die van invloed kunnen zijn op het moment waarop het systeem een los- of laadmelding genereerd. Volgens [naam 2] kunnen deze instellingen, onder meer in verband met storingen of andere technische omstandigheden, op verzoek van derden door medewerkers worden gewijzigd. Het is daarmee mogelijk de drukinstellingen van het systeem aan te passen waardoor een los- of laadmelding bij een andere vullingsgraad van de tank wordt gegenereerd dan waarvan de NVWA bij haar berekening is uitgegaan. De omstandigheid dat een losmelding bij een vullingsgraad van zestig procent en een laadmelding bij een vullingsgraad van vijftien procent, is derhalve geen vaststaand gegeven. Ook het door het NFI verrichte onderzoek naar de werking van het AGR/GPS-systeem toont aan dat de door het systeem berekende vullingsgraad en gewicht kunnen afwijken van de daadwerkelijke aanwezige hoeveelheid mest. Het NFI heeft uiteindelijk geconcludeerd dat uit het enkele tijdsverloop tussen een los- en een daaropvolgende laadmelding niet met zekerheid kan worden afgeleid of daadwerkelijk meststoffen zijn gelost en geladen, dan wel dat een fictieve melding is gegenereerd.
De rechtbank ziet geen reden om te twijfelen aan de bevindingen van het NFI, al helemaal niet nu deze ondersteuning vinden in de verklaring van de leverancier van de gebruikte apparatuur. Hoewel er zeker vraagtekens gesteld kunnen worden bij sommige los- en laadmeldingen die elkaar in een zeer kort tijdsbestek opvolgen, betekent
het enkele feit dat bij de zestien in de tenlastelegging opgenomen VDM’s sprake is geweest van transporten waarbij minder dan 4 minuten en eenendertig seconden een los- en laadmelding is gegenereerd, dus nog niet dat in elk van die gevallen per definitie sprake is geweest van fictieve meldingen of (daarmee) van vals opgemaakte VDM’s.
De omstandigheid dat uit de tachograafgegevens zou volgen dat de betreffende vrachtwagencombinaties op de desbetreffende locaties niet lang genoeg hebben stilgestaan om een vracht volledig te lossen en vervolgens te laden, zoals de officier van justitie heeft betoogd, maakt dit oordeel niet anders. Uit de tachograafgegevens kan immers slechts de duur van de stilstand van het voertuig worden afgeleid. Daaruit volgt niet welke handelingen gedurende die stilstand wel of niet hebben plaatsgevonden. Ook hieruit kan dan ook niet met een voldoende mate van zekerheid worden afgeleid dat de op de VDM’s vermelde los- en laadhandelingen niet daadwerkelijk hebben plaatsgevonden.
Ook van dit feit zal verdachte daarom worden vrijgesproken.
4.4.2.3 Ten aanzien van het onder 4 ten laste gelegde
Aan verdachte wordt onder 4 primair, kort gezegd, verweten dat zij (een groot aantal) door of vanwege het bevoegd gezag aangebrachte zegels, te weten VMA-sealbags, heeft verbroken door deze open te knippen.
Op grond van het dossier bestaan er sterke aanwijzingen dat mestmonsters zijn bewerkt voordat deze ter analyse aan Dumea werden aangeboden. Bij een groot aantal onderzochte mestmonsters zijn immers afwijkingen vastgesteld tussen de gehalten aan fosfaat en stikstof. Daarnaast zijn bij verschillende VMA-sealbags bijzonderheden aan de afsluiting vastgesteld die passen bij het openen en vervolgens opnieuw sluiten van de zakken. Daarnaast is op het erf van medeverdachte [medeverdachte 2] een ruimte aangetroffen die als ‘mestwerkplaats’ of ‘mestlaboratorium’ kon worden gebruikt. Aldaar zijn een VMA-sealapparaat, mestmonsters en verschillende voorwerpen en stoffen voor het bewerken van mestmonsters aangetroffen, zoals bijvoorbeeld emmers met meststoffen, aantekeningen omtrent de samenstelling daarvan, die mogelijk gebruikt konden worden voor de aanpassing van mestmonsters.
De voorliggende (juridische) vraag is echter of met het openknippen van de VMA-sealbags een verzegeling is verbroken die door of vanwege het bevoegd gezag is aangebracht, zoals bedoeld in het hier tenlastegelegde artikel 199 Wetboek van Strafrecht (Sr).
De Meststoffenwet schrijft voor dat de verpakking van een mestmonster zodanig moet worden gesloten dat deze niet kan worden geopend zonder dat dit leidt tot een herkenbare beschadiging en aan de inhoud ervan zonder herkenbare beschadiging niets kan worden toegevoegd, afgenomen of anderszins veranderd. Het sluiten van de monsterverpakking is daarmee een handeling die de intermediair zelf, op grond van een wettelijke verplichting, moet verrichten. De VMA-sealbag wordt dus niet door of vanwege het bevoegd gezag verzegeld. Het is de intermediair dat de monsterverpakking overeenkomstig het wettelijk voorschrift afsluit voordat deze ter analyse wordt ingezonden. Dat deze wijze van afsluiten rechtstreeks voortvloeit uit de Meststoffenwet en de daarop gebaseerde lagere regelgeving, maakt niet dat de aldus aangebrachte afsluiting kan worden aangemerkt als een door of vanwege het bevoegd gezag aangebrachte verzegeling. Het enkele feit dat de wetgever de wijze voorschrijft waaraan een verpakking van een mestmonster moet voldoen, is daarvoor onvoldoende. Het wettelijk voorschrift verplicht de intermediair tot het zelf aanbrengen van de afsluiting. Het bevoegd gezag brengt daarmee niet zelf, ook niet door tussenkomst van een ander namens hem, een zegel aan. Hoewel de hiervoor besproken feiten en omstandigheden sterke aanwijzingen opleveren dat mestmonsters zijn gemanipuleerd en dat de verdachten [verdachte bedrijf] en [medeverdachte 2] daarbij betrokken zijn geweest, kan niet worden bewezen dat daarbij een door of vanwege het bevoegd gezag aangebrachte verzegeling is verbroken door het openknippen van een VMA-sealbag. Nu dit bestanddeel niet kan worden bewezen, spreekt de rechtbank verdachte daarom ook vrij van het onder 4 ten laste gelegde.
4.4.2.4 Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde
Aan verdachte is tot slot ten laste gelegd dat zij in strijd met de Meststoffenwet haar administratie niet naar waarheid heeft bijgehouden, aangezien daarin VDM’s waren opgenomen die geen juiste weergave vormden van de daadwerkelijk verrichte mesttransporten. Uit hetgeen de rechtbank hiervoor ten aanzien van feit 3 heeft overwogen, volgt dat niet kan worden vastgesteld dat de daarin betrokken VDM’s valselijk zijn opgemaakt dan wel een onjuiste weergave van de werkelijkheid bevatten. Daarmee kan evenmin worden vastgesteld dat verdachte door het opnemen van deze VDM’s in haar administratie haar administratie niet naar waarheid heeft bijgehouden. De rechtbank spreekt verdachte daarom ook vrij van het onder 1 ten laste gelegde.
4.4.2.5 Conclusie
De rechtbank spreekt verdachte integraal vrij van het onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde.
5 De in beslag genomen voorwerpen
De rechtbank zal de teruggave aan de verdachte gelasten van de toebehorende op de beslaglijst vermelde “17 STK Ordner”, aangezien deze niet vatbaar zijn voor verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer en het belang van strafvordering zich niet tegen teruggave verzet.
6 De beslissing
De rechtbank:
vrijspraak
- verklaart niet bewezen dat verdachte het onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt haar daarvan vrij;
de in beslag genomen voorwerpen
- gelast de teruggave van “17 STK Ordner” aan verdachte.
Dit vonnis is gewezen door mr. D. ten Boer, voorzitter, mr. H. Manuel en mr. J. van Bruggen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. D.N. Esajas, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 26 oktober 2026.