Strafrecht overig

Deelneming aan terroristische organisatie, art. 140a.1 Sr. Bewijsklacht. Kon hof redengevend voor bewijs…

Hoge Raad, 21 januari 2025

Zaakgegevens

Op 21 januari 2025 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
21 januari 2025
Datum publicatie
19 januari 2025
Zaaknummer
23/02048
Procedure
Artikel 81 RO-zaken
ECLI
ECLI:NL:HR:2025:103
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Deelneming aan terroristische organisatie, art. 140a.1 Sr. Bewijsklacht. Kon hof redengevend voor bewijs achten dat verdachte de ideologie van organisatie doceerde, activiteiten verrichtte die specifiek salafistisch/jihadistisch karakter droegen en bovendien bijdroegen aan werven van leden voor organisatie, terwijl tot bewijs gebezigde verklaring van getuige-deskundige waaruit deze omstandigheden zouden volgen “niet vallen binnen wat zijn wetenschap en kennis hem leren en ook overigens zijn conclusies over deze omstandigheden niet worden gedragen door zijn bevindingen”?

HR: art. 81.1 RO.

Procesgang

  1. Gerechtshof Den Haag · 12 mei 2023

    ECLI:NL:GHDHA:2023:1054
  2. Gerechtshof Den Haag · 12 mei 2023

    ECLI:NL:GHDHA:2023:2370
  3. Conclusie A-G · 26 november 2024

    ECLI:NL:PHR:2024:1268
  4. Hoge Raad · 21 januari 2025deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2025:103

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 23/02048

Datum 21 januari 2025

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 12 mei 2023, nummer 22-001579-21, in de strafzaak

tegen

[verdachte],

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1969,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft B. Kizilocak, advocaat in Rotterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.

De advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot vernietiging van de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2 Beoordeling van het eerste cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3 Beoordeling van het tweede cassatiemiddel

3.1

Het cassatiemiddel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.

3.2

Het cassatiemiddel is gegrond. Bovendien doet de Hoge Raad in deze zaak waarin de verdachte zich in voorlopige hechtenis bevindt, uitspraak nadat meer dan zestien maanden zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Een en ander brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van zes jaren en zes maanden.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;

- vermindert deze in die zin dat deze zes jaren en drie maanden beloopt;

- verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren C. Caminada en C.N. Dalebout, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 21 januari 2025.