Strafrecht overig

Diefstal d.m.v. braak (art. 311.1.5 Sr) en medeplichtigheid aan poging tot diefstal d.m.v. braak (art…

Hoge Raad, 8 juli 2025

Zaakgegevens

Op 8 juli 2025 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
8 juli 2025
Datum publicatie
30 juni 2025
Zaaknummer
23/00780
Procedure
Artikel 81 RO-zaken
ECLI
ECLI:NL:HR:2025:1052
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Diefstal d.m.v. braak (art. 311.1.5 Sr) en medeplichtigheid aan poging tot diefstal d.m.v. braak (art. 311.1.5 Sr) van fietsen. 1. Bewijsklacht medeplichtigheid aan poging tot diefstal. Heeft hof voor bewijs gebruik gemaakt van verklaring van anonieme getuige (art. 360.1 en 360.4 jo. 344a.3 Sv)? 2. Strafmotivering (gevangenisstraf van 3 weken). Heeft hof onvoorwaardelijke gevangenisstraf toereikend gemotiveerd? 3. Redelijke termijn in hoger beroep. Was hof gehouden ambtshalve te onderzoeken of redelijke termijn is overschreden?

HR: art. 81.1 RO.

Procesgang

  1. Conclusie A-G · 13 mei 2025

    ECLI:NL:PHR:2025:498
  2. Hoge Raad · 8 juli 2025deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2025:1052

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 23/00780

Datum 8 juli 2025

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 17 februari 2023, nummer 21-003368-20, in de strafzaak

tegen

[verdachte] ,

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1988,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat E.E.W.J. Maessen bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.

De plaatsvervangend advocaat-generaal V.M.A. Sinnige heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2 Beoordeling van de cassatiemiddelen

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3 Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof

De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. In het licht van de opgelegde gevangenisstraf van drie weken volstaat de Hoge Raad met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden.

4 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren A.E.M. Röttgering en C. Caminada, in bijzijn van de waarnemend griffier B.C. Broekhuizen-Meuter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 8 juli 2025.