Strafrecht overig

Medeplegen invoer van cocaïne op Schiphol (art. 2.A Opiumwet) en aanwezig hebben van 1 kilo cocaïne (art. 2.C…

Hoge Raad, 11 juli 2025

Zaakgegevens

Op 11 juli 2025 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
11 juli 2025
Datum publicatie
10 juli 2025
Zaaknummer
23/02357
Procedure
Artikel 81 RO-zaken
ECLI
ECLI:NL:HR:2025:1126
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Medeplegen invoer van cocaïne op Schiphol (art. 2.A Opiumwet) en aanwezig hebben van 1 kilo cocaïne (art. 2.C Opiumwet). Strafmotivering (gevangenisstraf van 17 maanden), verwijzing naar niet tlgd. feiten. Kon hof bij strafoplegging niet onherroepelijke veroordeling en omstandigheid dat verdachte “opnieuw gedetineerd is geraakt vanwege nieuwe verdenking t.z.v. strafbaar feit” betrekken?

HR: art. 81.1 RO. Samenhang met 23/02354 P.

Procesgang

  1. Gerechtshof Amsterdam · 6 juni 2023

    ECLI:NL:GHAMS:2023:1694
  2. Conclusie A-G · 24 juni 2025

    ECLI:NL:PHR:2025:713
  3. Hoge Raad · 11 juli 2025deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2025:1126

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 23/02357

Datum 11 juli 2025

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 6 juni 2023, nummer 23-002643-20, in de strafzaak

tegen

[verdachte] ,

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1987,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat B. Kizilocak bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.

De advocaat-generaal P.H.P.H.M.C. van Kempen heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep in cassatie.

2 Beoordeling van het cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3 Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof

De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. In het licht van de beperkte mate van overschrijding van de redelijke termijn volstaat de Hoge Raad met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden.

4 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de raadsheer A.L.J. van Strien als voorzitter, en de raadsheren T. Kooijmans en C.N. Dalebout, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 11 juli 2025.