Strafrecht overig

Aanwezig hebben van cocaïne en MDMA (art. 2.C Opiumwet) en voorhanden hebben van stroomstootwapen (art. 26.1…

Hoge Raad, 16 september 2025

Zaakgegevens

Op 16 september 2025 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
16 september 2025
Datum publicatie
15 september 2025
Zaaknummer
23/01193
Procedure
Artikel 81 RO-zaken
ECLI
ECLI:NL:HR:2025:1309
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Aanwezig hebben van cocaïne en MDMA (art. 2.C Opiumwet) en voorhanden hebben van stroomstootwapen (art. 26.1 WWM). 1. Bewijsklacht aanwezig hebben van cocaïne. Is bewezenverklaring voldoende gemotiveerd in het licht van verweer van verdediging over het ontbreken van wetenschap omtrent aanwezigheid van drugs? 2. Strafmotivering (taakstraf van 60 uren, subsidiair 30 dagen hechtenis) en verbeurdverklaring van auto, art. 24, 33a.1.c en 33c.2 Sr. Is auto een voorwerp met behulp waarvan bewezenverklaarde feiten zijn begaan en heeft hof rekening gehouden met draagkracht van verdachte? 3. Bewijsklacht voorhanden hebben van stroomstootwapen en kwalificatie van dat feit als strafbaar feit.

HR: art. 81.1 RO.

Procesgang

  1. Conclusie A-G · 3 juni 2025

    ECLI:NL:PHR:2025:621
  2. Hoge Raad · 16 september 2025deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2025:1309

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 23/01193

Datum 16 september 2025

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 13 maart 2023, nummer 22-001171-22, in de strafzaak

tegen

[verdachte] ,

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2001,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat R.A.J. Verploegh bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.

De advocaat-generaal V.M.A. Sinnige heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2 Beoordeling van de cassatiemiddelen

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3 Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof

De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. In het licht van de opgelegde taakstraf van zestig uren volstaat de Hoge Raad met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden.

4 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren C. Caminada en T.B. Trotman, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 16 september 2025.