Strafrecht overig

Zwembadmoord in 2012 in Marum. Medeplegen uitlokking van medeplegen moord door de huurmoord mede te…

Hoge Raad, 23 september 2025

Zaakgegevens

Op 23 september 2025 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
23 september 2025
Datum publicatie
22 september 2025
Zaaknummer
24/01961
Procedure
Artikel 81 RO-zaken
ECLI
ECLI:NL:HR:2025:1369
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Zwembadmoord in 2012 in Marum. Medeplegen uitlokking van medeplegen moord door de huurmoord mede te organiseren en uitlokking daarvan samen te beramen met zijn zus en moeder, art 289 Sr. 1. Verweer strekkende tot niet-ontvankelijkverklaring van OM, omdat recht op eerlijk proces van verdachte is geschonden, art. 359a Sv. 2. Verweer strekkende tot bewijsuitsluiting van verklaringen van kroongetuige in eerste aanleg en in hoger beroep. 3. Verweer strekkende tot bewijsuitsluiting van directe resultaten van onrechtmatig verkregen kroongetuigeverklaringen.

HR: art. 81.1 RO. Samenhang met 24/01950, 24/02037 en 24/02049.

Procesgang

  1. Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden · 15 mei 2024

    ECLI:NL:GHARL:2024:2838
  2. Conclusie A-G · 8 juli 2025

    ECLI:NL:PHR:2025:776
  3. Hoge Raad · 23 september 2025deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2025:1369

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 24/01961

Datum 23 september 2025

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 15 mei 2024, nummer 21-005686-22, in de strafzaak

tegen

[verdachte] ,

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1982,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben de advocaten C.J.J. Visser en F.P. Slewe bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.

De advocaat-generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf naar de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2 Beoordeling van het eerste, het tweede en het derde cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3 Beoordeling van het vierde cassatiemiddel

3.1

Het cassatiemiddel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.

3.2

Het cassatiemiddel is gegrond. Bovendien doet de Hoge Raad in deze zaak waarin de verdachte zich in voorlopige hechtenis bevindt, uitspraak nadat meer dan zestien maanden zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Een en ander brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM is overschreden. In het licht van de beperkte mate van overschrijding van de redelijke termijn volstaat de Hoge Raad met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden.

4 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren C. Caminada en F. Posthumus, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P.J. Lugtenburg, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 23 september 2025.