Strafrecht overig

Diefstal (meermalen gepleegd), art. 310 Sr. Vorderingen tot tenuitvoerlegging van eerder opgelegde…

Hoge Raad, 4 februari 2025

Zaakgegevens

Op 4 februari 2025 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
4 februari 2025
Datum publicatie
28 januari 2025
Zaaknummer
22/03419
Procedure
Artikel 81 RO-zaken
ECLI
ECLI:NL:HR:2025:140
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Diefstal (meermalen gepleegd), art. 310 Sr. Vorderingen tot tenuitvoerlegging van eerder opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraffen. Kon hof oordelen dat proeftijden van eerder opgelegde voorwaardelijke straffen niet meer kunnen worden verlengd?

HR: art. 81.1 RO. Samenhang met 22/03420.

Procesgang

  1. Gerechtshof 's-Hertogenbosch · 14 september 2022

    ECLI:NL:GHSHE:2022:3500
  2. Conclusie A-G · 26 november 2024

    ECLI:NL:PHR:2024:1271
  3. Hoge Raad · 4 februari 2025deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2025:140

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 22/03419

Datum 4 februari 2025

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 14 september 2022, nummer 20-001924-21, in de strafzaak

tegen

[verdachte] ,

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1985,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft J.J.J. van Rijsbergen, advocaat in Breda, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.

De advocaat-generaal B.F. Keulen heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2 Beoordeling van het cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3 Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof

De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. In het licht van de opgelegde gevangenisstraf van twee maanden volstaat de Hoge Raad met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden.

4 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren C. Caminada en C.N. Dalebout, in bijzijn van de waarnemend griffier B.C. Broekhuizen-Meuter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 4 februari 2025.