Strafrecht overig

Medeplegen aanwezig hebben van 108 kilogram hennep, art. 3.C Opiumwet. 1. Ontbrekende pleitnota in eerste…

Hoge Raad, 30 september 2025

Zaakgegevens

Op 30 september 2025 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
30 september 2025
Datum publicatie
26 september 2025
Zaaknummer
23/01570
Procedure
Artikel 81 RO-zaken
ECLI
ECLI:NL:HR:2025:1406
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Medeplegen aanwezig hebben van 108 kilogram hennep, art. 3.C Opiumwet. 1. Ontbrekende pleitnota in eerste aanleg. 2. Bewijsklacht medeplegen.

HR: art. 81.1 RO.

Procesgang

  1. Gerechtshof Amsterdam · 20 april 2023

    ECLI:NL:GHAMS:2023:3726
  2. Conclusie A-G · 26 augustus 2025

    ECLI:NL:PHR:2025:900
  3. Hoge Raad · 30 september 2025deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2025:1406

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 23/01570

Datum 30 september 2025

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 20 april 2023, nummer 23-002089-22, in de strafzaak

tegen

[verdachte],

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1984,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben de advocaten R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.

De advocaat-generaal M.E. van Wees heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest, maar uitsluitend wat betreft de strafoplegging, tot vermindering daarvan aan de hand van de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2 Beoordeling van de cassatiemiddelen

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3 Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof

De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde geldboete van € 8.000, subsidiair 75 dagen hechtenis.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de hoogte van de opgelegde geldboete en de duur van de vervangende hechtenis;

- vermindert de geldboete en de duur van de vervangende hechtenis in die zin dat deze € 7.600, subsidiair 73 dagen hechtenis bedragen;

- verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en T.B. Trotman, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 30 september 2025.