Strafrecht overig

Belastingfraude. Feitelijk leiding geven aan verstrekken van valse facturen aan belastingdienst en doen van…

Hoge Raad, 7 oktober 2025

Zaakgegevens

Op 7 oktober 2025 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
7 oktober 2025
Datum publicatie
2 oktober 2025
Zaaknummer
23/01458
Procedure
Artikel 81 RO-zaken
ECLI
ECLI:NL:HR:2025:1451
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Belastingfraude. Feitelijk leiding geven aan verstrekken van valse facturen aan belastingdienst en doen van onjuiste belastingaangifte, begaan door rechtspersoon (meermalen gepleegd), art. 68.1 en 69.2 AWR. 1. Denaturering van verklaring die verdachte bij Rb heeft afgelegd over een in tll. opgenomen factuur. 2. Bewijsklacht opzet. Was verdachte zich ervan bewust dat factuur onjuist was? 3. Strafmotivering (gevangenisstraf van 8 maanden, waarvan 3 maanden voorwaardelijk). Kon hof bij strafoplegging rekening houden met niet tlgd. feiten? 4. Strafmotivering, vaststelling van feiten die hof aan strafoplegging ten grondslag heeft gelegd.

HR: art. 81.1 RO.

Procesgang

  1. Gerechtshof Den Haag · 5 april 2023

    ECLI:NL:GHDHA:2023:3000
  2. Conclusie A-G · 16 september 2025

    ECLI:NL:PHR:2025:800
  3. Hoge Raad · 7 oktober 2025deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2025:1451

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 23/01458

Datum 7 oktober 2025

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 5 april 2023, nummer 22-005148-19, in de strafzaak

tegen

[verdachte] ,

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1960,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat E.G. Engwirda bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.

De advocaat-generaal V.M.A. Sinnige heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de strafoplegging, tot strafvermindering volgens de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De raadsvrouw van de verdachte heeft daarop schriftelijk gereageerd.

2 Beoordeling van de cassatiemiddelen

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3 Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof

De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van acht maanden, waarvan drie maanden voorwaardelijk.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;

- vermindert deze in die zin dat deze zeven maanden en drie weken, waarvan drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren beloopt;

- verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren T. Kooijmans en F. Posthumus, in bijzijn van de waarnemend griffier B.C. Broekhuizen-Meuter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 7 oktober 2025.