Strafrecht overig
Voortgezette handeling van medeplegen oplichting (art. 326.1 Sr), door bestuurder opzettelijk openbaar maken…
Hoge Raad, 14 oktober 2025
ECLI:NL:HR:2025:1553 · Hoge Raad · 14 oktober 2025
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/artikel-81-ro-zaken/ecli-nl-hr-2025-1553
Zaakgegevens
Op 14 oktober 2025 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 14 oktober 2025
- Datum publicatie
- 10 oktober 2025
- Zaaknummer
- 22/04941
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- Artikel 81 RO-zakenArtikel 81 RODe Hoge Raad verwerpt een cassatieklacht met een verkorte motivering, omdat die klacht niet kan slagen en geen belangrijke rechtsvraag opwerpt.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2025:1553
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Voortgezette handeling van medeplegen oplichting (art. 326.1 Sr), door bestuurder opzettelijk openbaar maken van onware jaarstukken, meermalen gepleegd (art. 336 Sr) en (medeplegen) valsheid in geschrift, meermalen gepleegd (art. 225.1 Sr). 1. Kon hof oordelen dat verdachte eerlijk proces a.b.i. art. 6 EVRM heeft gehad ondanks ontbrekende stukken in dossier? 2. Afwijzing van getuigenverzoeken o.g.v. noodzaakcriterium. 3. Bewijsklacht oplichting. Vindt ‘oogmerk om zich of ander wederrechtelijk te bevoordelen’ voldoende steun in bewijsvoering? 4. Bewijsklachten oplichting t.a.v. listige kunstgrepen en bewegen tot. Is sprake van ‘listige kunstgrepen’ en blijkt uit bewijsvoering dat A (voorzitter van raad van commissaris van energiebedrijf) door deze gedragingen is ‘bewogen tot’ afgifte van gelden? 5. Bewijsklacht opzettelijk openbaar maken van onware jaarstukken. Kon hof oordelen dat A en B (bedrijf dat zorgt voor bouw en exploitatie van warmtekracht- en torrefactiecentrale) verbonden partijen waren? 6. Bewijsklacht valsheid in geschrift. Kon hof oordelen dat verdachte in “Letters of Representation” ten onrechte niet heeft vermeld dat B en A verbonden ondernemingen waren? 7. Bewijsklacht valsheid in geschrift. Heeft hof kunnen oordelen dat verdachte getekende offerte voor lening voor bedrag van 4,5 miljoen euro valselijk heeft opgemaakt?
HR: art. 81.1 RO. Samenhang met 22/04905, 22/04906 en 22/04942.
Procesgang
Rechtbank Noord-Nederland · 6 februari 2018
ECLI:NL:RBNNE:2018:392Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden · 23 december 2020
ECLI:NL:GHARL:2020:10789Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden · 21 december 2022
ECLI:NL:GHARL:2022:10794Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 26 augustus 2025
ECLI:NL:PHR:2025:860Hoge Raad · 14 oktober 2025deze uitspraak
ECLI:NL:HR:2025:1553
Uitspraak
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 22/04941
Datum 14 oktober 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 21 december 2022, nummer 21-001064-18, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1959,
hierna: de verdachte.
1 Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat J. Boksem bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal T.N.B.M. Spronken heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde straf, tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De raadsman van de verdachte heeft daarop schriftelijk gereageerd.
2 Beoordeling van de cassatiemiddelen
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3 Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van vier jaren.
4 Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;
- vermindert deze in die zin dat deze drie jaren en acht maanden beloopt;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren T. Kooijmans en F. Posthumus, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 14 oktober 2025.