Strafrecht overig

Opzettelijke invoer van cocaïne vanuit Curaçao (art. 2.A Opiumwet). 1. Afwijzing van ttz. in hoger beroep…

Hoge Raad, 18 november 2025

Zaakgegevens

Op 18 november 2025 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
18 november 2025
Datum publicatie
17 november 2025
Zaaknummer
23/02274
Procedure
Artikel 81 RO-zaken
ECLI
ECLI:NL:HR:2025:1710
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Opzettelijke invoer van cocaïne vanuit Curaçao (art. 2.A Opiumwet). 1. Afwijzing van ttz. in hoger beroep gedaan verzoek tot aanhouding om verdachte, die na schorsing van zijn voorlopige hechtenis naar Curaçao was afgereisd, met behulp van videoconferentie te horen, art. 131a Sv. 2. Bewijsklacht opzet.

HR: art. 81.1 RO.

Procesgang

  1. Conclusie A-G · 2 september 2025

    ECLI:NL:PHR:2025:844
  2. Hoge Raad · 18 november 2025deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2025:1710

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 23/02274

Datum 18 november 2025

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 6 juni 2023, nummer 23-000627-21, in de strafzaak

tegen

[verdachte],

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1987,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat G. Spong bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.

De advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot vernietiging van de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2 Beoordeling van de cassatiemiddelen

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3 Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof

De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van achttien maanden.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;

- vermindert deze in die zin dat deze zeventien maanden en twee weken beloopt;

- verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren M. Kuijer en C. Caminada, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 18 november 2025.