Strafrecht overig

Rijden terwijl verdachte redelijkerwijs moest weten dat haar rijbewijs ongeldig was verklaard, art. 9.2 WVW…

Hoge Raad, 16 december 2025

Zaakgegevens

Op 16 december 2025 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
16 december 2025
Datum publicatie
26 november 2025
Zaaknummer
24/03877
Procedure
Artikel 81 RO-zaken
ECLI
ECLI:NL:HR:2025:1787
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Rijden terwijl verdachte redelijkerwijs moest weten dat haar rijbewijs ongeldig was verklaard, art. 9.2 WVW 1994. Bewijsklacht. Kan uit omstandigheid dat hof heeft vastgesteld dat besluit tot ongeldigverklaring van rijbewijs aan verdachte in persoon is uitgereikt, worden afgeleid dat verdachte “redelijkerwijs moest weten” dat haar rijbewijs ongeldig was verklaard?

HR: art. 81.1 RO.

Procesgang

  1. Gerechtshof 's-Hertogenbosch · 16 oktober 2024

    ECLI:NL:GHSHE:2024:3437
  2. Conclusie A-G · 11 november 2025

    ECLI:NL:PHR:2025:1223
  3. Hoge Raad · 16 december 2025deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2025:1787

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 24/03877

Datum 16 december 2025

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 16 oktober 2024, nummer 20-000808-24, in de strafzaak

tegen

[verdachte] ,

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1982,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben de advocaten J.H.L. Antonides en M. Draaijers bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.

De advocaat-generaal M.E. van Wees heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2 Beoordeling van het cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en R. Kuiper, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 16 december 2025.