Strafrecht overig
Medeplegen gewoontewitwassen (art. 420ter jo. 420bis.1.b Sr), medeplegen opzettelijk gebruikmaken van vals…
Hoge Raad, 4 februari 2025
ECLI:NL:HR:2025:179 · Hoge Raad · 4 februari 2025
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/artikel-81-ro-zaken/ecli-nl-hr-2025-179
Zaakgegevens
Op 4 februari 2025 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 4 februari 2025
- Datum publicatie
- 31 januari 2025
- Zaaknummer
- 22/02739
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- Artikel 81 RO-zakenArtikel 81 RODe Hoge Raad verwerpt een cassatieklacht met een verkorte motivering, omdat die klacht niet kan slagen en geen belangrijke rechtsvraag opwerpt.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2025:179
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Medeplegen gewoontewitwassen (art. 420ter jo. 420bis.1.b Sr), medeplegen opzettelijk gebruikmaken van vals geschrift (art. 225.2 Sr) medeplegen oplichting (art. 326.1 Sr). 1. Kwalificatieklacht gewoontewitwassen. Heeft hof dit feit ten onrechte gekwalificeerd als gewoontewitwassen, nu bestanddeel “gewoonte” geen onderdeel is van bewezenverklaring? 2. Kwalificatieklacht opzettelijk gebruikmaken van vals geschrift. Heeft hof dit feit ten onrechte gekwalificeerd als opzettelijk gebruikmaken van vals geschrift, omdat bestanddeel “opzettelijk” geen onderdeel van bewezenverklaring zou zijn? 3. Bewijsklacht oplichting t.a.v. medeplegen.
HR: 81.1 RO. Samenhang met 22/02523, 22/02608, 22/02703, 22/02704 P, 22/02705, 22/02706 en 22/02758.
Procesgang
Gerechtshof Amsterdam · 7 juli 2022
ECLI:NL:GHAMS:2022:2233Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 26 november 2024
ECLI:NL:PHR:2024:1263Hoge Raad · 4 februari 2025deze uitspraak
ECLI:NL:HR:2025:179
Uitspraak
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 22/02739
Datum 4 februari 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 7 juli 2022, nummer 23-002120-19, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1968,
hierna: de verdachte.
1 Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft M.W. Stoet, advocaat in ’s-Gravenhage, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan aan de hand van de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.
2 Beoordeling van de cassatiemiddelen
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3 Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van 24 maanden, waarvan 8 maanden voorwaardelijk.
4 Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;
- vermindert deze in die zin dat deze 23 maanden, waarvan 8 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, beloopt;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren C.N. Dalebout en F. Posthumus, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 4 februari 2025.