Strafrecht overig
Poging tot doodslag door in 2020 in Amsterdam een willekeurige wandelaar met vuurwapen in buik te schieten…
Hoge Raad, 9 december 2025
ECLI:NL:HR:2025:1844 · Hoge Raad · 9 december 2025
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/artikel-81-ro-zaken/ecli-nl-hr-2025-1844
Zaakgegevens
Op 9 december 2025 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 9 december 2025
- Datum publicatie
- 4 december 2025
- Zaaknummer
- 24/03722
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- Artikel 81 RO-zakenArtikel 81 RODe Hoge Raad verwerpt een cassatieklacht met een verkorte motivering, omdat die klacht niet kan slagen en geen belangrijke rechtsvraag opwerpt.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2025:1844
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Poging tot doodslag door in 2020 in Amsterdam een willekeurige wandelaar met vuurwapen in buik te schieten (art. 287 Sr), bedreiging met enig misdrijf tegen leven gericht (art. 285.1 Sr) en voorhanden hebben van vuurwapen en munitie (art. 26.1 WWM). TBS met dwangverpleging opgelegd. 1. Strafmotivering (gevangenisstraf van 66 maanden en TBS met dwangverpleging), beroep op EHRM-arrest Constancia/Nederland (nr. 73560/12). Is oordeel hof dat bij verdachte tijdens begaan van feiten een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van geestvermogens bestond, begrijpelijk? 2. Vordering benadeelde partij t.z.v. immateriële schade. Is toewijzing door hof van meer dan aanvankelijke vordering van b.p. in strijd met art. 421.3 Sv, en kan het als (verwezenlijkte) toekomstige schade aangemerkte bedrag van € 5.000 gelden als rechtstreekse schade a.b.i. art. 51f Sv?
HR: art. 81.1 RO.
Procesgang
Gerechtshof Amsterdam · 3 oktober 2024
ECLI:NL:GHAMS:2024:2750Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 18 november 2025
ECLI:NL:PHR:2025:1267Hoge Raad · 9 december 2025deze uitspraak
ECLI:NL:HR:2025:1844
Uitspraak
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 24/03722
Datum 9 december 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 3 oktober 2024, nummer 23-002581-21, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1990,
hierna: de verdachte.
1 Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat J. Kuijper bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal T.N.B.M. Spronken heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De raadsvrouw van de verdachte heeft daarop schriftelijk gereageerd.
2 Beoordeling van de cassatiemiddelen
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3 Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en F. Posthumus, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 9 december 2025.