Strafrecht overig
Belediging van politieambtenaar (art. 266.1 jo. 267.1.2 Sr) en aanwezig hebben van cocaïne in zakjes in zijn…
Hoge Raad, 7 januari 2025
ECLI:NL:HR:2025:19 · Hoge Raad · 7 januari 2025
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/artikel-81-ro-zaken/ecli-nl-hr-2025-19
Zaakgegevens
Op 7 januari 2025 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 7 januari 2025
- Datum publicatie
- 19 december 2024
- Zaaknummer
- 22/02130
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- Artikel 81 RO-zakenArtikel 81 RODe Hoge Raad verwerpt een cassatieklacht met een verkorte motivering, omdat die klacht niet kan slagen en geen belangrijke rechtsvraag opwerpt.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2025:19
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Belediging van politieambtenaar (art. 266.1 jo. 267.1.2 Sr) en aanwezig hebben van cocaïne in zakjes in zijn garage (art. 2.C Opiumwet). 1. Bewijsklacht belediging t.a.v. “gedurende rechtmatige uitoefening van zijn bediening”. Kon hof oordelen dat uitlatingen van verbalisanten aan verdachte bezwaarlijk anders kunnen worden begrepen dan als (meermalen) tot hem gerichte vordering om zijn mobiele telefoon neer te leggen, waaraan verdachte geen gehoor gaf? 2. Strafbaarheid belediging. Heeft hof gereageerd op noodweerverweer? 3. Bewijsklacht aanwezig hebben van cocaïne. Kon hof oordelen dat verdachte gelet op alle omstandigheden in onderling verband en samenhang bezien bewust aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat er in een van zakjes cocaïne zou zitten? 4. Gebruik van handboeien, art. 22 Ambtsinstructie politie. Kan uit omstandigheid dat verdachte bij zijn aanhouding “recalcitrant” was, worden afgeleid dat er redelijkerwijs gevaar voor inzittenden van politieauto te duchten viel?
HR: art. 81.1 RO.
Procesgang
Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 22 oktober 2024
ECLI:NL:PHR:2024:1091Hoge Raad · 7 januari 2025deze uitspraak
ECLI:NL:HR:2025:19
Uitspraak
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 22/02130
Datum 7 januari 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 8 juni 2022, nummer 21-004454-20, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1986,
hierna: de verdachte.
1 Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft A.R. Maarsingh, advocaat in Deventer, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
2 Beoordeling van de cassatiemiddelen
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3 Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. In het licht van de opgelegde taakstraf van twintig uren volstaat de Hoge Raad met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden.
4 Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en C.N. Dalebout, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P.J. Lugtenburg, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 7 januari 2025.