Strafrecht overig
Medeplegen poging tot afpersing, meermalen gepleegd (art. 317.3 Sr jo. 312.2.2 Sr), medeplegen diefstal met…
Hoge Raad, 16 december 2025
ECLI:NL:HR:2025:1934 · Hoge Raad · 16 december 2025
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/artikel-81-ro-zaken/ecli-nl-hr-2025-1934
Zaakgegevens
Op 16 december 2025 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 16 december 2025
- Datum publicatie
- 15 december 2025
- Zaaknummer
- 24/01650
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- Artikel 81 RO-zakenArtikel 81 RODe Hoge Raad verwerpt een cassatieklacht met een verkorte motivering, omdat die klacht niet kan slagen en geen belangrijke rechtsvraag opwerpt.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2025:1934
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Medeplegen poging tot afpersing, meermalen gepleegd (art. 317.3 Sr jo. 312.2.2 Sr), medeplegen diefstal met geweld, meermalen gepleegd (art. 312.2.2 Sr) en medeplegen wederrechtelijke vrijheidsberoving (art. 282.1 Sr). 1. Ontbrekend p-v van 4 tz. in hoger beroep, art. 326.1 Sv. 2. Bewijsklacht poging tot afpersing. Heeft verdachte oogmerk gehad ander te dwingen tot afgifte van geld of enig goed? 3. Afwijzing van bij appelschriftuur gedaan en ttz. in h.b. gehandhaafd verzoek tot horen van getuige, op de grond dat niet is gebleken dat horen van deze persoon redelijkerwijs van belang is voor enige in strafzaak te nemen beslissing. 4. Bewijsklacht medeplegen diefstal met geweld. 5. Vermelding wetsartikelen. Heeft hof verzuimd art. 47 Sr te vermelden als wettelijk voorschrift waarop strafoplegging o.m. berust?
HR: art. 81.1 RO, mede gelet op HR:2012:BX0146 t.a.v. vermelding van art. 47 Sr. CAG: anders t.a.v. vermelding van art. 47 Sr. Samenhang met 24/01690 en 24/01752.
Procesgang
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden · 24 april 2024
ECLI:NL:GHARL:2024:2789Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 11 november 2025
ECLI:NL:PHR:2025:1219Hoge Raad · 16 december 2025deze uitspraak
ECLI:NL:HR:2025:1934
Uitspraak
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 24/01650
Datum 16 december 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 24 april 2024, nummer 21-003404-21, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1967,
hierna: de verdachte.
1 Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat A.W. Syrier bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend voor wat betreft het niet vermelden van een artikel waarop de strafoplegging mede is gegrond en wat betreft de strafoplegging, tot vermelding van artikel 47 Sr, tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf en tot verwerping van het beroep voor het overige.
2 Beoordeling van de cassatiemiddelen
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het – ten aanzien van het vijfde cassatiemiddel mede gelet op het arrest van de Hoge Raad van 11 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX0146, rechtsoverweging 2.2.2 en 2.2.3 – namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3 Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
De verdachte bevindt zich in voorlopige hechtenis. De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan zestien maanden zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van elf jaren en zes maanden.
4 Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;
- vermindert deze in die zin dat deze elf jaren en drie maanden beloopt;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren T. Kooijmans en F. Posthumus, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 16 december 2025.