Strafrecht overig
Conclusie AG. Onderzoek Rykiel. Aanbieden online kansspelen in Nederland zonder vergunning. Deelneming…
Parket bij de Hoge Raad, 6 oktober 2026
ECLI:NL:PHR:2026:954 · Parket bij de Hoge Raad · 6 oktober 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/parket-bij-de-hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/ecli-nl-phr-2026-954
Zaakgegevens
Op 6 oktober 2026 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Parket bij de Hoge RaadParket bij de Hoge RaadHet onafhankelijke parket van de procureur-generaal en de advocaten-generaal, die de Hoge Raad adviseren in conclusies.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 6 oktober 2026
- Datum publicatie
- 2 oktober 2026
- Zaaknummer
- 24/00921
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- ECLI
- ECLI:NL:PHR:2026:954
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Conclusie AG. Onderzoek Rykiel. Aanbieden online kansspelen in Nederland zonder vergunning. Deelneming criminele organisatie (feit 1), medeplegen gewoontewitwassen (feit 2), valsheid in geschrift (meermalen gepleegd) (feit 3), feitelijk leidinggeven aan medeplegen faillissementsfraude door een rechtspersoon (feit 4). M1, dat klaagt over toewijzing vordering tot wijziging tenlastelegging feit 3, faalt. M2 bevat klachten over oordeel hof dat onder 6 tenlastegelegde feit (waarvan de verdachte is vrijgesproken) in hoger beroep nog niet (gedeeltelijk) was verjaard. Klachten falen. Vanwege falen M2, is klacht uit M3 dat hof vanwege doorwerking verjaring feit 6 niet tot bewezenverklaring van feiten 1 en 2 had mogen komen, tevergeefs voorgesteld. M4, M5, M6 en M7 bevatten verschillende klachten over bewezenverklaringen van gewoontewitwassen, deelneming aan criminele organisatie, valsheid in geschrift en faillissementsfraude. Alle klachten falen. M8 klaagt over verzuim hof om wettelijke voorschriften waarop strafoplegging (mede) berust op te nemen. Leidt niet tot cassatie. Ambtshalve opmerking over redelijke termijn in cassatie. Conclusie strekt tot vernietiging bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft duur opgelegde taakstraf, tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping beroep voor het overige. Samenhang met de zaken 24/00946, 24/00947, 24/01045, 24/01117, 24/01118, 24/01119, 24/01120, 24/01121 en 24/01126.
Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 24/00921
Zitting 6 oktober 2026
CONCLUSIE
V.M.A. Sinnige
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1975,
hierna: de verdachte
1 Inleiding
De verdachte is bij arrest van 11 maart 2024 door het gerechtshof 's-Hertogenbosch (parketnr. 20-000018-19), wegens
- onder 1 “deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven”;
- onder 2 “medeplegen van: van het plegen van witwassen een gewoonte maken”;
- onder 3 “valsheid in geschrift, meermalen gepleegd”; en;
- onder 4 “medeplegen van: in het vooruitzicht van faillissement, terwijl het faillissement is gevolgd, ter bedrieglijke verkorting van de rechten van de schuldeisers, enig goed aan de boedel onttrekken, begaan door een rechtspersoon, terwijl hij feitelijk leiding heeft gegeven aan die verboden gedraging”
veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 150 uren, te vervangen door 75 dagen hechtenis, met aftrek overeenkomstig art. 27 Sr (volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag).
Er bestaat samenhang met de zaken 24/00946, 24/00947, 24/01045, 24/01117, 24/01118, 24/01119, 24/01120, 24/01121 en 24/01126. In deze zaken zal ik vandaag ook concluderen. Samenhang bestaat eveneens met de zaken 24/01115 en 24/01116, waarin het door het openbaar ministerie ingestelde cassatieberoep is ingetrokken.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. J.T.E. Vis, advocaat in [plaats] , heeft acht middelen van cassatie voorgesteld.
2 De zaak
De zaak tegen de verdachte maakt deel uit van het onderzoek Rykiel. Dat onderzoek had – blijkens het bestreden arrest – betrekking op het zonder vergunning aanbieden van online kansspelen in Nederland, hetgeen in strijd is met de Wet op de kansspelen (hierna: Wok). De hoofdpersonen achter het aanbieden van de gokspellen waren de medeverdachten [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] . Zij hebben omvangrijke geldbedragen gegenereerd en verdiend met het aanbieden van die gokspellen. Daarbij is gebruik gemaakt van diverse Nederlandse en buitenlandse vennootschappen. Binnen deze vennootschappen werden werkzaamheden verricht als het maken van spellen, het online aanbieden van kansspelen, het afwikkelen van het financiële verkeer rondom inleg van en uitbetaling aan spelers, technische ondersteuning aan afnemers van spellen, alsmede de administratieve werkzaamheden die met voorgaande waren gemoeid. Diverse vennootschappen dienden er in verband en samenhang met elkaar ook toe om te verhullen wie achter het aanbieden van de gokspellen zat, hoe geldstromen liepen en hoe geldstromen werden verantwoord, aldus het hof.
Voordat ik overga tot bespreking van de middelen zal ik kort en in grote lijnen stilstaan bij de vaststellingen van het hof over de (feitelijke) constructie van (internationale) rechtspersonen en natuurlijke personen die zich naar het oordeel van het hof hebben schuldig gemaakt aan de bewezenverklaarde feiten en daarnaast bij de samenhang tussen de verschillende feiten, voor zover voor de beoordeling van de cassatiemiddelen van belang is. Daarbij merk ik op dat het hof in zijn overwegingen tot uitdrukking heeft gebracht dat de beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden zoals vervat in de bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.
Uit het arrest van het hof kan worden opgemaakt dat [A] / [B] , [C] (hierna: [C] ) en [D] (hierna: [D] ) vanaf 2004 tot en met mei 2013 in Nederland zonder vergunning via zeven websites online kansspelen hebben aangeboden. De vennootschappen [B] , [C] en [D] zijn opgericht met het doel kansspelen via het internet te kunnen (blijven) aanbieden in Nederland. De bedrijfsvoering rondom het aanbieden van kansspelen was daar nagenoeg volledig op gericht. De spelers van de online kansspelen legden geld in via betalingen per creditcard, sms, Ideal of anderszins. Het ingelegde geld werd – meestal door tussenkomst van [H] – overgeboekt naar rekeningen die ter beschikking stonden van [E] . Die inkomsten werden aangewend voor onder meer de financiering van [F] en de betaling van bedrijfskosten, waaronder betalingen aan leveranciers.
De verdachte leverde vanaf 2006 persoonlijk, dan wel via zijn bedrijf [G] de kansspelen die op [internetsite 1a] werden aangeboden en pleegde onderhoud aan die kansspelen. De spellen die de verdachte ontwikkelde zijn aangeboden op [internetsite 1a] , een van de websites waarop gokspellen zijn aangeboden en waarmee geldbedragen zijn gegenereerd. De verdachte had een aanspraak op 60% van de opbrengst van de spellen op deze website.
Naar aanleiding van deze gedragingen is de verdachte onder 6 primair en subsidiair tenlastegelegd het medeplegen van dan wel feitelijk leidinggeven aan het overtreden van de Wok. Het hof heeft hem daarvan vrijgesproken omdat zijn gedragingen – ondanks zijn wetenschap van het overtreden van de Wok – onvoldoende waren om te kunnen spreken van een nauwe en bewuste samenwerking wat betreft het ‘zonder vergunning gelegenheid geven’ om aan online gokspellen mee te doen en hij ook niet als feitelijk leidinggever kon worden aangemerkt. Wel kwalificeert het hof de handelingen van de verdachte als handelingen die het door derden aanbieden van en gelegenheid geven tot het spelen van online gokspellen bevorderden, faciliteerden en gemakkelijk maakten.
[E] verzamelde de opbrengsten uit [internetsite 1a] en maakte het afgesproken percentage van de winst over naar de verdachte, althans naar [G] . Daarnaast ontving de verdachte vergoedingen van [F] . In totaal is een bedrag van € 1.824.124,-, afkomstig uit de kansspelen die werden aangeboden op [internetsite 1a] , door [E] en [F] overgemaakt aan [G] , het bedrijf van de verdachte. Ten aanzien van het overdragen, omzetten en/of gebruikmaken van die gelden, is de verdachte aangemerkt als medepleger van het witwassen daarvan. Omdat de totale geldsom is opgebouwd uit vele bedragen die op basis van een vaste werkwijze periodiek aan de verdachte werden betaald, komt het hof tot een bewezenverklaring van het medeplegen van gewoontewitwassen (feit 2).
Op inbeslaggenomen computers en servers zijn e-mails aangetroffen die zien op facturering door [G] aan [E] of [F] . In die facturen brengt [G] een bedrag in rekening aan [E] of [F] voor ‘ingekocht belverkeer’ of ‘programmeer en consultancy’. De verdachte heeft echter erkend dat die facturen zagen op opbrengsten/omzet uit [internetsite 1a] . Volgens het hof zijn de facturen daarom vals en aangezien de verdachte die facturen zelf heeft opgemaakt, heeft hij zich schuldig gemaakt aan valsheid in geschrift, meermalen gepleegd (feit 3).
Voorts is de verdachte veroordeeld wegens het feitelijk leidinggeven aan het door [G] medeplegen van faillissementsfraude (feit 4), omdat het voor de verdachte volgens het hof al in 2013 duidelijk en voorzienbaar was dat [F] in staat van faillissement zou worden gesteld en hij desondanks bij factuur van 13 februari 2014 aan [F] een bedrag van € 14.520,- in rekening heeft gebracht en de betaling van dat bedrag op 20 februari 2014 heeft geaccepteerd.
Naar het oordeel van het hof waren de gedragingen van de verdachte, hoewel zij niet voldoende waren voor een bewezenverklaring van feit 6 (overtreding van de Wok), wel van een aard en omvang dat zij konden strekken en ook daadwerkelijk hebben gestrekt tot de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] , namelijk het online aanbieden van kansspelen. Daarbij heeft het hof voornamelijk het oog op de ontwikkeling van [internetsite 1a] . Gelet hierop is de verdachte veroordeeld voor deelneming aan een criminele organisatie (feit 1).
3 De middelen
Namens de verdachte zijn acht middelen van cassatie voorgesteld. Ik zal eerst de middelen over de verjaring en doorwerking van de verjaring (middelen 2 en 3) bespreken. Omdat het hof bij zijn bespreking van de feiten regelmatig teruggrijpt op eerdere overwegingen over andere feiten, houd ik daarna bij mijn bespreking van de middelen de volgorde in feiten aan die het hof ook heeft gehanteerd. Dat betekent dat ik eerst in zal gaan op het middel over het witwassen (feit 2, middel 4) en vervolgens op de middelen over de valsheid in geschrift (feit 3, middelen 1 en 6), de faillissementsfraude (feit 4, middel 7) en dan pas op het middel over de deelneming aan een criminele organisatie (feit 1, middel 5). Ik eindig met een bespreking van het middel over het verzuim om de wettelijke voorschriften te vermelden (middel 8).
4 Het tweede en het derde middel
Het tweede middel klaagt dat het hof het openbaar ministerie ten onrechte ontvankelijk heeft verklaard in de vervolging, terwijl het recht tot strafvervolging ten aanzien van het onder feit 6 tenlastegelegde (inmiddels geheel) moet worden geacht te zijn verjaard. Met het derde middel wordt geklaagd dat het hof niet tot een bewezenverklaring van feit 1 (deelneming aan een criminele organisatie) en feit 2 (gewoontewitwassen) had mogen komen, omdat het ‘gronddelict’ (overtreding van de Wok) verjaard moest worden geacht. De middelen lenen zich voor gezamenlijke bespreking.
De verdachte is door het hof vrijgesproken van feit 6. Gelet daarop heb ik mij afgevraagd of hij belang heeft bij bespreking van het tweede middel. Met de steller van het middel meen ik dat dat wel het geval is. Het hof heeft namelijk geoordeeld dat de verjaring van feit 6 ten tijde van de behandeling van de zaak in hoger beroep nog niet was ingetreden en dat het daarom niet in hoefde te gaan op klachten over de doorwerking van de verjaring van feit 6 in andere tenlastegelegde feiten. In het derde cassatiemiddel wordt geklaagd over dat oordeel van het hof. Om deze klacht te kunnen bespreken, is het mijns inziens nodig om eerst te weten of het oordeel van het hof dat feit 6 ten tijde van de behandeling in hoger beroep nog niet (gedeeltelijk) verjaard was stand kan houden.
Het onder 6 tenlastegelegde
De verdachte is onder 6 tenlastegelegd dat:
“6.
(Overtreding Wet op de kansspelen: ZD 01)
hij
op één of meerdere tijdstippen
in of omstreeks de periode van 1 september 2006 tot en met 24 mei 2013
in of vanuit de gemeente [plaats] (in of vanuit een perceel gelegen aan de [a-straat 1] ) en/of [plaats] en/of elders in Nederland
tezamen en in vereniging met de ondernemingen [C] ( [C] ) en/of [D] ( [D] ) (als registranten van [internetsite 1a] , zie pvb bevindingen historische gegevens domeinen […] , ZD01 pagina’s 1237 tot en met 1313), [G] en/of [I] en/of (een) ander(e) rechtsperso(o)n(en) en/of natuurlijk(e) perso(o)n(en)
(telkens) opzettelijk gelegenheid heeft/hebben gegeven
om in of vanuit Nederland via internet mede te dingen naar een of meer prijzen of premies,
waarbij de aanwijzing der winnaar(s) geschiedde door enige kansbepaling waarop de deelnemers in het algemeen geen overwegende invloed konden uitoefenen, zonder dat (telkens) daarvoor een vergunning ingevolge de Wet op de kansspelen was verleend,
immers,
hebbende hij, verdachte en/of zijn mededader(s)
een of meer virtuele versie(s) van kansspelen, te weten een of meer kansspelautomaten (in een of meer spelvarianten) (spelbeschrijvingen: WOK-proces verbaal ZD01 1404 tot en met 1420), welke plegen te worden gespeeld op kansspelautomaten in de zin van artikel 30 sub c Wet op de kansspelen, aangeboden via het worldwide web, althans internet en/of [internetsite 1a] ;
Subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
[C] ( [C] ) en/of [D] ( [D] ) en/of [A] en/of [B] en/of [E] en/of [G] en/of [I] en/of (een) ander(e) rechtspcrso(o)n(en) en/of natuurlijk(e) perso(o)n(en),
(als registranten van [internetsite 1a] , zie pvb bevindingen historische gegevens domeinen […] ,ZD01 pagina’s 1237 tot en met 1313)
op één of meerdere tijdstippen
in of omstreeks de periode van 1 september 2006 tot en met 24 mei 2013 in of vanuit de gemeente [plaats] (in of vanuit een perceel gelegen aan de [a-straat 1] ) en/of [plaats] en/of elders in Nederland
tezamen en in vereniging met (een) ander(en),
(telkens) opzettelijk gelegenheid heeft/hebben gegeven
om in of vanuit Nederland via internet mede te dingen naar een of meer prijzen of premies,
waarbij de aanwijzing der winnaar(s) geschiedde door enige kansbepaling waarop de deelnemers in het algemeen geen overwegende invloed konden uitoefenen, zonder dat (telkens) daarvoor een vergunning ingevolge de Wet op de kansspelen was verleend
immers,
hebbende [C] en/of [D] en/of [A] en/of [B] en/of [E] en/of [G] en/of [I] en/of haar mededader(s)
een of meer virtuele versie(s) van kansspelen, te weten een of meer kansspelautomaten (in een of meer spelvarianten) (spelbeschrijvingen: WOK- proces-verbaal ZD01 1404 tot en met 1420),
welke plegen te worden gespeeld op kansspelautomaten in de zin van artikel 30 sub c Wet op de kansspelen, aangeboden via het worldwide web, althans internet en/of [internetsite 1a]
zulks terwijl hij, verdachte, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), feitelijke leiding heeft gegeven aan die verboden gedraging(en).”
De overwegingen van het hof
Het hof heeft het verweer dat het onder 6 tenlastegelegde feit in hoger beroep al gedeeltelijk was verjaard verworpen en daartoe het volgende overwogen:
“Ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de strafvervolging
Verweren verdediging
De verdediging heeft zich, op de gronden als verwoord in de pleitnota en onder aansluiting bij hetgeen in de zaken van de medeverdachten als verweer is gevoerd, op het standpunt gesteld dat het Openbaar Ministerie (geheel of gedeeltelijk) niet-ontvankelijk in de strafvervolging dient te worden verklaard, omdat:
1. het onder 6 tenlastegelegde feit gedeeltelijk is verjaard en
(…)
Deze gronden komen in de kern op het volgende neer.
1. Verjaring
Onder 6 primair is aan de verdachte (het medeplegen van) opzettelijke overtreding van artikel 1, eerste lid, van de Wet op de kansspelen tenlastegelegd en onder 6 subsidiair het feitelijke leiding geven aan het medeplegen van opzettelijke overtreding van artikel 1, eerste lid, van de Wet op de kansspelen, begaan door een rechtspersoon. Blijkens artikel 1, aanhef en onder 3°, van de Wet op de economische delicten (WED) is dit een economisch delict.
Op grond van liet bepaalde in artikel 2, derde lid, WED in verbinding met artikel 36, eerste lid, Wok is dit een misdrijf. In artikel 6, eerste lid, aanhef en onder 2°, WED is hierop een gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren gesteld.
Ingevolge artikel 70, eerste lid, aanhef en onder 2°, Wetboek van Strafrecht (Sr) vervalt het recht tot strafvordering door verjaring in zes jaren voor de misdrijven waarop een gevangenisstraf van niet meer dan drie jaren is gesteld. De termijn van verjaring vangt aan op de dag na die waarop het feit is gepleegd (artikel 71, aanhef, Sr).
Uit artikel 71, eerste lid, Sr blijkt dat elke daad van vervolging de verjaring, ook ten aanzien van anderen dan de vervolgde, stuit. Krachtens het tweede lid van dat artikel vangt na de stuiting een nieuwe verjaringstermijn aan. Het recht tot strafvordering vervalt evenwel ten aanzien van misdrijven indien vanaf de dag waarop de oorspronkelijke verjaringstermijn is aangevangen een periode is verstreken die gelijk is aan twee maal de voor het misdrijf geldende verjaringstermijn.
Dat betekent dat het onderhavige feit is verjaard voor zover de tenlastegelegde periode is gelegen twaalf jaren vóór de uitspraakdatum van dit arrest. Het Openbaar Ministerie dient in zoverre niet-ontvankelijk te worden verklaard in de strafvervolging. Deze gedeeltelijke verjaring werkt door in de andere tenlastegelegde feiten.
(…)
Oordeel hof
Ad 1. Verjaring
De volgende bepalingen zijn van belang, luidend in de tenlastegelegde periode (1 juli 2004 tot en met 24 mei 2013).
(…)
Aanvangstermijn verjaring
Gelet op artikel 70, eerste lid, aanhef en onder 2°, van het Wetboek van Strafrecht is de absolute verjaringstermijn voor het aan de verdachte tenlastegelegde Wok-feit twaalf jaren, in beginsel te rekenen vanaf de dag na het begaan van het misdrijf.
Het hof merkt het verwijt dat de verdachte treft aan als één voortdurend delict. Dit verwijt betreft immers het door de verdachte – al dan niet in de vorm van medeplegen of feitelijke leiding geven – aan anderen gelegenheid geven om mede te dingen naar prijzen of premies, indien de aanwijzing der winnaars geschiedt door enige kansbepaling waarop de deelnemers in het algemeen geen overwegende invloed kunnen uitoefenen, zonder dat daartoe een vergunning is verleend. Daardoor is het delict pas voltooid als de verdachte niet langer in gebreke is, dat wil zeggen vanaf het moment dat feitelijk niet langer die gelegenheid wordt gegeven. Immers, naar de aard van de tenlastegelegde gedraging beschouwd, is sprake van een blijvende ‘gelegenheid tot het mede dingen naar prijzen of premies’ vanaf het moment dat die gelegenheid is gecreëerd tot het moment dat die gelegenheid door een handeling of nalaten wordt tenietgedaan. Zolang die gelegenheid niet wordt tenietgedaan, blijft feitelijk de gelegenheid in stand en duurt de verboden situatie voort. Aldus is sprake van een voortdurend delict. Een andersluidende opvatting – zoals door de verdediging is bepleit – te weten dat sprake is van het ‘telkens’ opnieuw aanbieden van kansspelen middels verschillende naast elkaar bestaande websites waardoor geen sprake is van één voortdurend delict maar van telkens afzonderlijke en nieuwe (commissie)delicten, doet naar 's hofs oordeel geen recht aan het verwijt dat de verdachte treft. Dat het gelegenheid geven heeft plaatsgevonden middels het op verschillende websites – gelijktijdig of na elkaar – aanbieden van deze kansspelen, doet daaraan naar het oordeel van het hof niet af. De keuze van het Openbaar Ministerie om het delict op een bepaalde wijze ten laste te leggen, is overigens niet bepalend voor het oordeel of al dan niet sprake is van een voortdurend delict.
De dag waarop de verjaringstermijn is aangevangen zal het hof daarom ook vaststellen op 25 mei 2013.
Nu na de dag waarop de oorspronkelijke verjaringstermijn is aangevangen - gelet op de datum waarop dit arrest wordt gewezen - geen periode is verstreken die gelijk is aan twee maal de voor het misdrijf geldende verjaringstermijn (artikel 72, tweede lid, Sr), is het recht tot strafvordering nog niet verjaard.
De verjaring is dus nog niet ingetreden.
Doorwerking verjaring in andere tenlastegelegde feiten
Voor zover de verdediging op gronden zoals gevoerd in de pleitnota’s nog heeft aangevoerd dat de verjaring van de tenlastegelegde overtreding van de Wet op de Kansspelen doorwerking vindt in de andere tenlastegelegde feiten, behoeven deze gelet op liet vorengaande geen bespreking meer.”
Verder zijn onderstaande overwegingen, die het hof heeft opgenomen in verband met de vrijspraak van het onder 6 tenlastegelegde feit, relevant:
“Wet op de kansspelen (zaaksdossier 1, feit 6 primair en subsidiair)
Algemeen
In het onderzoek Rykiel staat centraal het aanbieden van gokspellen via internet, die online door spelers vanaf hun computer kunnen worden gespeeld. [medeverdachte 1] en de broers [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] worden ervan verdacht dat zij de personen zijn achter het aanbieden van gokspellen via internet en daarmee omvangrijke geldbedragen hebben gegenereerd en verdiend. Daarbij zou gebruik zijn gemaakt van diverse vennootschappen, die in een verband en samenhang met elkaar ertoe zouden dienen om te verhullen wie achter het aanbieden van de online gokspelen zat, hoe geldstromen liepen en hoe de geldstromen werden verantwoord.
Het aan de verdachte onder 6 primair en subsidiair tenlastegelegde betreft - kort gezegd en algemeen weergegeven, na wijziging van de tenlastelegging in hoger beroep - het medeplegen van overtreding van artikel 1, lid 1, onder a, van de Wok, door het zonder vergunning in Nederland aanbieden van kansspelen via internet, dan wel het feitelijke leidinggeven daaraan. Het hof zal het tenlastegelegde bij de bespreking van dit feit in het navolgende kortheidshalve aanduiden als: het aanbieden van online kansspelen zonder vergunning.
Het hof zal allereerst in het algemeen bespreken of sprake is van het aanbieden van kansspelen in de zin van en wellicht in strijd met artikel 1, lid 1, onder a, van de Wok. Vervolgens zal het hof bespreken wie als aanbieder van de online kansspelen moet worden aangemerkt. Daarna zal het hof ingaan op de rol die de verdachte in het bijzonder in het licht van het tenlastegelegde heeft gespeeld en hoe deze rol in strafrechtelijk relevante termen moet worden geduid.
(…)
Kansspelen
In het onderzoek Rykiel en in het bijzonder het tenlastegelegde feit gaat het om zeven met name genoemde websites, te weten:
- [internetsite 2] ,
- [internetsite 3] ,
- [internetsite 4] ,
- [internetsite 5] ,
- [internetsite 6] ,
- [internetsite 1a] , en
- [internetsite 7] .
Via deze websites werd spelers de gelegenheid geboden om online spellen te spelen zoals poker, roulette en black jack, op fruit-/slotmachines te spelen en mee te doen aan instantloterijen. (…)
(…)
Gelegenheid geven
Of sprake is van het gelegenheid geven tot het spelen van kansspelen dient te worden beoordeeld aan de hand van de bepalingen van Wok. Hoewel niet met zoveel woorden vervat in delictsomschrijving van artikel 1, lid 1, onder a, van de Wok, moet sprake zijn van het in Nederland gelegenheid geven tot het spelen van kansspelen, nu het gaat om een hier te lande geldende nationale regeling.
(…)
Vaststaat en niet betwist is dat de presentatie van de spellen via het internet aan de speler, geen andere handelingen vergde dan die door de speler op de computer kunnen worden verricht.
In de periode 30 oktober 2012 tot en met 21 mei 2013 is door [verbalisant 1] 6 maal onderzoek verricht naar de betreffende websites, waarvan de bevindingen zijn neergelegd in het proces-verbaal d.d. 9 april 2014 (ZD01 1317-1321).
In de periode 11 april 2013 tot en met 14 mei 2013 is door [verbalisant 2] , voornoemd, onderzoek verricht naar de zeven websites. Uit de door hen opgemaakte processen-verbaal van bevindingen blijkt met betrekking tot alle zeven websites van gerichtheid op Nederland.
(…)
Het voorgaande in samenhang bezien leidt het hof naar het oordeel dat sprake is van ‘gelegenheid geven’ in de zin van artikel 1, lid 1, onder a, van de Wok.
(…)
Aanbieder(s)
Het hof ziet zich vervolgens gesteld voor de vraag wie als aanbieder van online kansspelen moet worden aangemerkt. Daarvoor acht het hof relevant wie als rechthebbende heeft te gelden met betrekking tot de websites waarop online kansspelen werden aangeboden.
Uit het dossier (proces-verbaal van bevindingen ZD01 1237-1313) blijkt per website van de datum van eerste registratie van de domeinnamen, eventuele opvolgende registraties, en wie de registrant is geweest. Uit onderzoek naar de domeinnamen komt naar voren dat:
- de domeinnaam [internetsite 6] op 6 juli 2004 is geregistreerd en nadien opvolgend door [B] , [K] , [C] en op 9 juli 2009 door [D] is geregistreerd;
- de domeinnamen [internetsite 2] op 22 februari 2007, [internetsite 4] op 26 januari 2006, en [internetsite 5] op 19 juni 2003 zijn geregistreerd en nadien opvolgend door [C] en [D] zijn geregistreerd;
- de domeinnamen [internetsite 1a] op 25 september 2006 en [internetsite 7] op 22 februari 2007 zijn geregistreerd, en nadien opvolgend door [C] en [D] zijn geregistreerd;
- de domeinnaam [internetsite 3] op 25 juni 2009 is geregistreerd door [D] .
Alle domeinnamen zijn derhalve op enig moment geregistreerd op naam van [C] ., een vennootschap naar het recht van Jersey, en vervolgens op naam van [D] , een vennootschap naar het recht van Costa Rica. Tevens is in 2012 en 2013 geconstateerd dat dat [D] op de websites als eigenaar is vermeld.
(…)
Structuur
In het onderzoek Rykiel is gebleken dat bij het aanbieden van kansspelen gebruik is gemaakt van diverse Nederlandse en buitenlandse vennootschappen. Binnen deze vennootschappen werden werkzaamheden verricht als het maken van spellen, het online aanbieden van kansspelen, het afwikkelen van het financiële verkeer rondom inleg van en uitbetaling aan spelers, technische ondersteuning aan afnemers van spellen, alsmede de administratieve werkzaamheden die met voorgaande waren gemoeid. (…)
Uit het dossier komt naar het oordeel van het hof genoegzaam naar voren dat deze vennootschappen, vanaf 2004 tot en met mei 2013, beginnend bij [B] en eindigend met [D] , via internet in Nederland kansspelen hebben aangeboden. Uit de zienswijze van [medeverdachte 1] blijkt dat de vennootschappen [B] , [C] en [D] juist zijn opgericht met het doel kansspelen via het internet te kunnen (blijven) aanbieden in Nederland. De bedrijfsvoering rondom het aanbieden van kansspelen was daar nagenoeg volledig op gericht. (…)
Ten aanzien van de [verdachte]
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat hij in de periode 1 september 2006 tot en met 24 mei 2013 tezamen en in vereniging met [C] , [D] , [G] (hierna: [G] ) en/of [I] . (hierna: [I] ) online kansspelen via [internetsite 1a] heeft aangeboden, dan wel, indien dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen, daaraan feitelijke leiding heeft gegeven.”
In een aanvulling van de bewijsmiddelen is – voor zover relevant voor de bespreking van dit middel – het volgende bewijsmiddel opgenomen:
“15. Het proces-verbaal van bevindingen ‘van onderzoek aan de data aangetroffen op de in Zweden in beslaggenomen servers (ZD01, p. 1661-1666)
(p. 1661)
Op 24 mei 2013 is door de daartoe bevoegde autoriteiten in Zweden onderzoek gedaan en beslag gelegd op servers van de rechtspersonen [E] , [F] en [L] . De servers stonden op het adres van het datacentre Interroute in [plaats] , Zweden.
Uit onderzoek is gebleken dat de servers ingericht waren als webserver. De webservers bevatten de configuraties en bestanden om de onderstaande domeinen te kunnen bezoeken.
[internetsite 2]
[internetsite 3]
[internetsite 4]
[M]
[internetsite 5]
[internetsite 1a]
[internetsite 6]
[internetsite 8]
(…)”
De toelichting op het tweede middel
Met het tweede middel wordt geklaagd over het oordeel van het hof dat de tenlastelegging van feit 6 één voortdurend delict betreft en niet meerdere, cumulatief tenlastegelegde feiten. Aangezien in de tenlastelegging is opgenomen dat de verdachte tezamen en in vereniging met anderen “(telkens) opzettelijk gelegenheid heeft gegeven tot kansspelen” en het tenlastegelegde feit naar zijn aard en bewoordingen een commissiedelict betreft, getuigt het oordeel van het hof van een onjuiste rechtsopvatting, dan wel is dit niet zonder meer begrijpelijk. Zelfs als het tenlastegelegde in enige vorm wel als voortdurend delict kan worden geïnterpreteerd, getuigt het oordeel van het hof van een onjuiste opvatting waar het het startpunt van de verjaring betreft. Volgens de steller van het middel zou dat de verjaring (telkens) moeten aanvangen op de dag volgend op het moment dat het verzuim nog rechtens had kunnen worden voorkomen.
Het beoordelingskader bij het tweede middel
Het juridisch kader
De volgende bepalingen zijn van belang:
- Art. 70 Sr:
“1. Het recht tot strafvordering vervalt door verjaring:
(…)
2° in zes jaren voor de misdrijven waarop geldboete, hechtenis of gevangenisstraf van niet meer dan drie jaren is gesteld"
- Art. 71 Sr:
“De termijn van verjaring vangt aan op de dag na die waarop het feit is gepleegd, (…)”
- Art. 72 Sr:
“1. Elke daad van vervolging stuit de verjaring, ook ten aanzien van anderen dan de vervolgde.
2. Na de stuiting vangt een nieuwe verjaringstermijn aan. Het recht tot strafvordering vervalt evenwel ten aanzien van overtredingen na tien jaren en ten aanzien van misdrijven indien vanaf de dag waarop de oorspronkelijke verjaringstermijn is aangevangen een periode is verstreken die gelijk is aan twee maal de voor het misdrijf geldende verjaringstermijn.”
“2. Indien een strafbaar feit wordt begaan door een rechtspersoon, kan de strafvervolging worden ingesteld en kunnen de in de wet voorziene straffen en maatregelen, indien zij daarvoor in aanmerking komen, worden uitgesproken:
(…)
2° tegen hen die tot het feit opdracht hebben gegeven, alsmede tegen hen die feitelijke leiding hebben gegeven aan de verboden gedraging (…)”
- Art.1 Wok:
“1. Behoudens het in Titel Va van deze wet bepaalde is het verboden:
a. gelegenheid te geven om mede te dingen naar prijzen of premies, indien de aanwijzing der winnaars geschiedt door enige kansbepaling waarop de deelnemers in het algemeen geen overwegende invloed kunnen uitoefenen, tenzij daarvoor ingevolge deze wet vergunning is verleend”
- Art. 31 lid 1 en lid 3 (oud) Wok, thans art. 36 lid 1 en lid 3 Wok:
“1. Gedragingen in strijd met de voorschriften vastgesteld bij of krachtens de artikelen 1, eerste lid, onder a, (…) zijn misdrijven, voorzover zij opzettelijk zijn begaan, en overigens overtredingen.
(…)
3. Gedragingen, die in dit artikel als misdrijf of als overtreding zijn aangemerkt, zijn economische delicten in de zin van artikel 1, aanhef en onder 3°, van de Wet op de economische delicten.”
- Art. 1 WED:
“Economische delicten zijn:
(…)
3° overtredingen van voorschriften, gesteld bij of krachtens:
(…)
de Wet op de kansspelen, de artikelen 1, eerste lid, onder a”
- Art. 2 lid 3 WED:
“3. De economische delicten, bedoeld in artikel 1, onder 3°, zijn misdrijven of overtredingen, al naar gelang zij in de desbetreffende voorschriften als misdrijf dan wel als overtreding zijn gekenmerkt.”
- Art. 6 lid 1 WED:
“1. Hij, die een economisch delict begaat, wordt gestraft:
1° in geval van misdrijf, voor zover het betreft een economisch delict, bedoeld in artikel 1, onder 1°, of in artikel 1a, onder 1°, met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren, taakstraf of geldboete van de vijfde categorie;
2° in geval van een ander misdrijf met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren, taakstraf of geldboete van de vierde categorie”,
Voortdurende delicten en art. 1 lid 1 sub a Wok als voortdurend delict
Het hof heeft het onder feit 6 tenlastegelegde aangemerkt als een voortdurend delict. Een voortdurend delict is een delict waarbij het plegen niet beperkt is tot één korte concrete handeling, maar waarbij het plegen enige tijd voortduurt. De strafbare gedraging bestaat uit het doen voortduren van een door de wet verboden toestand. Het plegen van een voortdurend delict eindigt pas zodra aan die toestand een einde wordt gemaakt, door de verdachte of door andere omstandigheden. Voorbeelden van voortdurende delicten zijn het voorhanden of aanwezig hebben van bepaalde zaken, zoals in de Opiumwet, de helings- en witwasbepalingen of art. 252 Sr over het bezit van kinderpornografie. Deelneming aan een criminele organisatie kan ook een voortdurende vorm aannemen. Of een feit tot de categorie van de voortdurende delicten behoort, valt doorgaans af te leiden uit de wettelijke omschrijving. In cassatie spelen bij de beoordeling van de vraag of het hof heeft kunnen aannemen dat sprake is van een voortdurend delict zowel de aard van het delict als de wijze van ten laste leggen en de uitleg van die tenlastelegging door de feitenrechter in een concreet geval een rol.
In de onderhavige zaak is aan de verdachte (als medepleger dan wel feitelijk leidinggever) overtreding van art. 1 lid 1 onder a van de Wok tenlastegelegd. Om tot een bewezenverklaring van dat delict te kunnen komen, dient – kort gezegd en in mijn eigen bewoordingen – te worden aangetoond dat de verdachte (1) gelegenheid heeft gegeven, (2) tot het spelen van kansspelen (3) zonder dat daarvoor een vergunning is verleend. Hoewel de wetsgeschiedenis daarover geen uitsluitsel biedt, lijkt het bestanddeel ‘het geven van gelegenheid’ erop te wijzen dat het delict naar zijn aard een voortdurend delict betreft. Het ‘geven van gelegenheid’ kan immers een toestand in het leven roepen die enige tijd kan duren. Het is in die zin vergelijkbaar met bijvoorbeeld het aanwezig hebben van verdovende middelen, het voorhanden hebben van wapens en het in hulpeloze toestand laten van een persoon. Het geven van de gelegenheid duurt voort zolang die situatie niet wijzigt.
De verjaring van voortdurende delicten
Op grond van art. 71 Sr neemt de verjaringstermijn een aanvang ‘op de dag na die waarop het feit is gepleegd’. De term ‘gepleegd’ duidt erop dat de verjaringstermijn pas begint te lopen op het moment dat het strafbare feit in zijn geheel is voltooid. De inhoud van de delictsomschrijving moet dus volledig zijn vervuld. Dat ligt voor de hand. Zou de start van de verjaringstermijn namelijk aansluiten bij de delictsgedraging en niet bij het voltooien van het delict, dan zou een delict al verjaard kunnen zijn voordat het is voltooid.
De verjaringstermijn van voortdurende delicten begint te lopen op de dag na de beëindiging van de verboden toestand. Tot die tijd wordt het feit tenslotte gepleegd. Van belang om te onthouden is dat een voortdurend delict uiteindelijk ook slechts één strafbaar feit oplevert. Dat ene strafbare feit begint te verjaren als het delict is gepleegd, dus pas nadat de laatste handeling is verricht. Het vervolgingsrecht blijft tot die tijd bestaan.
Gevallen uit de jurisprudentie waarin ter discussie stond of bepaalde feiten waren verjaard en waarin volgens de Hoge Raad sprake was van een voortdurend delict zijn onder meer de volgende: het nalaten een deugdelijke registratie te voeren van de arbeids- en rusttijden van werknemers (art. 4:3 lid 1 Arbeidstijdenwet), het verzwijgen van het aannemen van giften tijdens een dienstverband (art. 328ter lid 1 Sr) en het verborgen houden van een lijk (art. 151 Sr).
Verder is nog een tweetal andere arresten het vermelden waard. In een arrest van 11 oktober 2022 was bewezenverklaard dat de verdachte haar tien kinderen in hulpeloze toestand had gelaten (art. 255 Sr). Dit was volgens het hof te zien als één in nalaten bestaand voortdurend delict. Naar het oordeel van de Hoge Raad kon het hof dit echter niet aanmerken als één doorlopend delict, maar was sprake van meerdere van elkaar te onderscheiden voltooiingen van hetzelfde (voortdurende) delict, zodat de verjaringstermijn ten aanzien van elk kind afzonderlijk moest worden bepaald. In een arrest van 5 juli 2016 was het oordeel van het hof dat het tenlastegelegde zonder vergunning als effectenbemiddelaar aanbieden van diensten aan tien bij naam genoemde personen gekwalificeerd moest worden als voortdurend delict omdat dit delict “pas (is) voltooid op de dag dat de betrokken verdachte niet langer zonder vergunning opereert” ontoereikend gemotiveerd. Die motivering schoot tekort omdat het Hof er geen inzicht in heeft gegeven op welke feiten en omstandigheden, zoals de aard van de werkzaamheden die de effectenbemiddelaar of vermogensbeheerder voor de in de tenlastelegging genoemde personen gedurende de daarin vermelde periode heeft verricht of het tijdstip waarop deze die werkzaamheden heeft verricht, het zijn uitleg van de tenlastelegging heeft gebaseerd.
Deelneming, feitelijk leidinggeven en verjaring
De tekst van de wet (art. 71 Sr) spreekt over het ‘plegen’ van het feit. Daaruit vloeit volgens De Hullu en Van Kempen voort dat de start van de verjaringstermijn voor deelnemers aan een strafbaar feit aansluit bij die van de pleger, dat wil zeggen: bij de voltooiing van de delictsinhoud door de pleger. Voor deelnemingsgedragingen waarbij de dader en de pleger simultaan opereren, ligt dat voor de hand. Dat is minder het geval voor deelnemingsgedragingen waarbij de gedraging van de deelnemer voorafgaat aan het plegen van het hoofddelict. Te denken valt aan doen plegers, uitlokkers en medeplichtigen tot het hoofddelict. Ook in die gevallen moet echter worden aangenomen dat de verjaringstermijn pas begint te lopen wanneer het hoofddelict zich geheel heeft voltrokken. Anders zou immers bijvoorbeeld de situatie kunnen ontstaan dat de uitlokking al verjaard is terwijl het grondfeit nog niet is gepleegd.
In de onderhavige zaak wordt de verdachte (ook) verweten dat hij feitelijk leiding heeft gegeven aan strafbaar handelen door rechtspersonen. Op grond van art. 51 lid 1 sub 2 Sr geldt dat als een strafbaar feit wordt begaan door een rechtspersoon, (ook) strafvervolging kan worden ingesteld tegen degene die feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging van de rechtspersoon. De rechtspersoon kan in dit verband zowel pleger van het delict kan zijn, als doen-pleger, medepleger, uitlokker of medeplichtige. Ook aan de deelneming aan een strafbaar feit door een rechtspersoon kan dus feitelijk leiding worden gegeven. Aan hetzelfde strafbare feit kan bovendien door meerdere personen – al dan niet gezamenlijk – feitelijke leiding worden gegeven, terwijl ook een rechtspersoon feitelijk leidinggever kan zijn.
Ten aanzien van de figuur van feitelijk leidinggeven geldt – net als ten aanzien van deelneming – een accessoriteitsvereiste. In het kader van het feitelijk leiding geven houdt dat vereiste in dat de strafbaarheid van de feitelijk leidinggever gekoppeld is aan die van de rechtspersoon. Voordat een rechter zich buigt over de vraag of feitelijk leiding is gegeven aan een strafbaar feit door een rechtspersoon, zal eerst moeten worden vastgesteld dat de rechtspersoon dat strafbare feit heeft begaan. Het feit dat de strafbaarheid van de feitelijk leidinggever afhankelijk is van de strafbaarheid van het grondfeit gepleegd door de rechtspersoon, wil niet zeggen dat de feitelijk leidinggever aansprakelijk wordt gesteld voor de verboden gedragingen van de rechtspersoon. Hoewel die aansprakelijkheid daarmee sterk samenhangt, wordt de feitelijk leidinggever een geheel persoonlijk verwijt gemaakt. Hij wordt aansprakelijk gesteld voor zijn eigen betrokkenheid bij de door de rechtspersoon begane delicten, net als de deelnemer aan een strafbaar feit aansprakelijk is op grond van de door hem verrichte gedragingen. Het verwijt dat de feitelijk leidinggever wordt gemaakt, hoeft niet samen te vallen met het verwijt dat de rechtspersoon wordt gemaakt, maar dat kan wel.
In de literatuur bestaat discussie over de aard van de figuur van het feitelijk leidinggeven en dan met name over de vraag of feitelijk leidinggeven moet worden gezien als een vorm van daderschap en deelneming of enkel als aansprakelijkstelling. Wat daar ook van zij, duidelijk is in ieder geval dat er vanwege de accessoriteitseis gelijkenis bestaat tussen de twee figuren. Vanwege die gelijkenis met deelneming op dit punt en het ontbreken van signalen in de literatuur en jurisprudentie voor een andersluidend standpunt, ga ik ervan uit dat de verjaringstermijn bij feitelijk leidinggeven net als bij deelneming synchroon loopt met die van de rechtspersoon. Ik acht in dit verband ook relevant dat de tenlastelegging van feitelijk leidinggeven is toegesneden op het grondfeit van de rechtspersoon, dat aan feitelijk leidinggeven in de tenlastelegging geen eigen tijd toe hoeft te worden gekend en dat de term ook niet nader hoeft te worden omschreven in de tenlastelegging.
De bespreking van het tweede middel
In het kort is in hoger beroep aangevoerd dat het onder 6 tenlastegelegde feit was verjaard voor zover de tenlastegelegde periode was gelegen twaalf jaren vóór de uitspraakdatum van het arrest. Het hof heeft geoordeeld dat het recht tot strafvordering nog niet was verjaard. Dat oordeel heeft het gemotiveerd door het verwijt dat de verdachte treft aan te merken als één voortdurend delict, dat pas is voltooid als de verdachte niet langer in gebreke is, dat wil zeggen vanaf het moment dat feitelijk niet langer de gelegenheid aan anderen wordt gegeven om mee te doen aan kansspelen. Naar de aard van de tenlastegelegde gedraging is immers sprake van een blijvende gelegenheid tot het mededingen naar prijzen of premies vanaf het moment dat die gelegenheid is gecreëerd tot het moment dat die gelegenheid door een handeling of nalaten wordt tenietgedaan. Een andersluidende opvatting – zoals door de verdediging is bepleit – te weten dat sprake is van het ‘telkens’ opnieuw aanbieden van kansspelen middels naast elkaar bestaande websites waardoor geen sprake is van één voortdurend delict maar van telkens afzonderlijke en nieuwe delicten, doet naar het oordeel van het hof geen recht aan het verwijt dat de verdachte treft. Dat het gelegenheid geven heeft plaatsgevonden middels het op verschillende websites – gelijktijdig of na elkaar – aanbieden van deze kansspelen doet daaraan naar het oordeel van het hof niet af. De keuze van het openbaar ministerie om het delict op een bepaalde wijze ten laste te leggen is overigens niet bepalend voor het oordeel of al dan niet sprake is van een voortdurend delict, aldus het hof. De dag dat de verjaringstermijn is aangevangen stelt het hof vervolgens vast op 25 mei 2013.
Voordat ik toekom aan de bespreking van de vraag naar de houdbaarheid van ’s hofs verwerping van het beroep op verjaring van feit 6, sta ik kort stil bij het verwijt dat de verdachte in de tenlastelegging wordt gemaakt. De verdachte wordt in feit 6 primair verweten dat hij als medepleger met een aantal rechtspersonen en/of natuurlijke perso(o)n(en) opzettelijk kansspelen via het internet heeft aangeboden zonder vergunning. Subsidiair wordt hem verweten aan die verboden gedraging feitelijk leiding te hebben gegeven. Het aanbieden van kansspelen gebeurde via zeven verschillende websites.
De steller van het middel klaagt over het oordeel van het hof dat de tenlastelegging van feit 6 één voortdurend delict betreft en niet meerdere, cumulatief tenlastegelegde feiten. In de toelichtingwordt aangevoerd dat in de tenlastelegging is opgenomen dat de verdachte tezamen en in vereniging met anderen “(telkens) opzettelijk gelegenheid heeft gegeven tot kansspelen” en dat het tenlastegelegde feit naar zijn aard en bewoordingen een commissiedelict betreft.
Opgemerkt zij in de eerste plaats dat ik niet inzie welk belang de verdachte heeft bij deze klacht. De tenlastegelegde periode loopt van 1 september 2006 tot en met 24 mei 2013. Uit de bewijsmiddelen volgt dat ieder van de in de tenlastelegging genoemd zeven websites aan het einde van de tenlastegelegde periode nog in de lucht was (zie bewijsmiddel 15, hierboven aangehaald in randnummer 4.6). Ook als de verjaring zou worden uitgesplitst per website, waarop door de steller van het middel wordt aangestuurd, zou de verjaringstermijn dus pas op 25 mei 2013 van start zijn gegaan. Dat is dezelfde datum die het hof heeft gehanteerd als startdatum van de verjaring.
Overigens ben ik ook van oordeel dat de klacht op inhoudelijke gronden niet slaagt. De tenlastelegging houdt in dat de verdachte samen met anderen (telkens) opzettelijk gelegenheid heeft gegeven tot het online spelen van kansspelen door op verschillende websites kansspelen aan te bieden, althans dat hij daaraan feitelijk leiding heeft gegeven. Doordat “telkens” tussen haakjes is geplaatst, biedt deze wijze van ten laste leggen enige ruimte voor uitleg aan de rechter. Het hof heeft het tenlastegelegde als één voortdurend delict aangemerkt en niet als zeven afzonderlijke voortdurende delicten. Mijns inziens is dit oordeel van het hof niet onbegrijpelijk en niet onverenigbaar met de bewoordingen van de tenlastelegging. Ik kan het hof goed volgen in de overweging dat een uitleg van de tenlastelegging die inhoudt dat daarin meerdere op zichzelf staande voltooiingen van hetzelfde delict staan, geen recht doet aan het verwijt dat de verdachte wordt gemaakt.
Verder valt op dat de aard van het tenlastegelegde feit en de wijze waarop dat feit is tenlastegelegd verschillen van die uit een aantal zaken zoals genoemd in 4.13 en 4.14. In HR 11 oktober 2022, ECLI:NL:HR:2022:1410 ging het om het in hulpeloze toestand brengen of laten van tien kinderen. Het oordeel van het hof dat dat één voortdurend delict opleverde was onjuist, aangezien het in hulpeloze toestand brengen of laten van meerdere personen, zoals bedoeld in art. 255 Sr, ten aanzien van elk van die personen een zelfstandige vervulling van de delictsbeschrijving oplevert. Dat hangt samen met de aard van het delict. Art. 255 Sr stelt immers strafbaar het in hulpeloze toestand brengen of laten van ‘iemand’. Wel was ten aanzien van ieder kind afzonderlijk was sprake van een voortdurend delict. In HR 13 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:321 was ook twee keer hetzelfde delict voltooid, omdat de verdachte twee verschillende lijken had verborgen. Het verbergen van één lijk levert al direct het (op zichzelf voortdurende) delict uit art. 151 Sr op, want daarin is strafbaar gesteld het verbergen van ‘een lijk’. Ook hier dwingt de aard van het delict dus tot die uitleg. Dat is bij art. 1 lid 1 onder a van de Wok niet het geval.
Ik wijs ook op HR 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1391. De verdachte in die zaak had zich volgens de tenlastelegging (en bewezenverklaring) schuldig gemaakt aan medeplichtigheid aan het zonder vergunning als effectenbemiddelaar diensten aanbieden en verrichten door als vermogensbeheerder op te treden, waarbij hij telkens concrete aanbiedingen had gedaan aan concreet in de bewezenverklaring genoemde personen. Het hof oordeelde dat sprake was van één voortdurend delict. Zoals in randnummer 4.14 reeds vermeld, achtte de Hoge Raad dat oordeel niet behoorlijk gemotiveerd, in het bijzonder niet omdat het hof geen inzicht erin had gegeven op welke feiten en omstandigheden, zoals de aard van de werkzaamheden die de effectenbemiddelaar of vermogensbeheerder voor de in de tenlastelegging genoemde personen gedurende de daarin vermelde periode heeft verricht of het tijdstip waarop deze die werkzaamheden heeft verricht, het zijn uitleg van de tenlastelegging heeft gebaseerd. Hier speelde mijns inziens de wijze van ten laste leggen een rol. In zijn conclusie voorafgaand aan het arrest van de Hoge Raad merkt A-G Machielse op dat bij ieder concreet aanbod aan een individueel persoon telkens de delictsinhoud van art. 7 Wte 1995 werd voltooid. Bij het geven van gelegenheid tot het meedoen aan kansspelen, zoals in de onderhavige zaak, ligt dat mijns inziens anders. In de onderhavige zaak is blijkens de tenlastelegging geen sprake van het bieden van gelegenheid aan concrete personen, maar van een aan het algemene publiek op verschillende websites op het internet aangeboden gelegenheid om mee te doen aan kansspelen, hetgeen in zekere zin een openstaande uitnodiging tot het spelen van kansspelen inhoudt die blijft bestaan zolang zij niet is ingetrokken of anderszins is beëindigd. De wijze van ten laste leggen in het onderhavige geval laat kortom ruimte voor de uitleg die het hof aan de tenlastelegging heeft gegeven.
Het voorgaande in aanmerking genomen, acht ik het niet onbegrijpelijk dat het hof de tenlastelegging in de onderhavige zaak zo heeft opgevat dat het gaat om het voortdurend geven van gelegenheid, dat pas eindigde op de dag dat niet langer gelegenheid werd gegeven. Het oordeel van het hof dat de verjaringstermijn is aangevangen op 25 mei 2013 en dat aldus (nog) geen sprake was van verjaring en het openbaar ministerie ontvankelijk is in de vervolging ten aanzien van feit 6 getuigt dus niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk.
Het derde middel gaat uit van het slagen van het tweede middel en houdt in de kern in dat het oordeel van het hof, inhoudende dat de doorwerking van de verjaring van feit 6 in de andere feiten geen bespreking behoeft aangezien feit 6 in hoger beroep nog niet was verjaard, onjuist dan wel onbegrijpelijk of ontoereikend gemotiveerd is aangezien dat feit wel degelijk was verjaard.
Over het oordeel van het hof dat het niet toekomt aan een bespreking van de doorwerking van verjaring van feit 6 in andere tenlastegelegde feiten kan ik kort zijn. Uit mijn bespreking van het tweede middel volgt dat het oordeel van het hof dat feit 6 in hoger beroep nog niet was verjaard in stand kan blijven. Dat betekent dat het hof inderdaad niet in hoefde te gaan op hetgeen in hoger beroep is aangevoerd met betrekking tot de eventuele doorwerking van de verjaring van feit 6.
Het tweede en derde middel falen.
5 Het vierde middel
Het vierde middel klaagt dat de bewezenverklaring van feit 2 (medeplegen van gewoontewitwassen) niet uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid. Specifiek wordt geklaagd over het oordeel van het hof (1) dat de gelden die middels facturering aan [F] aan de verdachte zijn overgemaakt afkomstig zijn uit enig misdrijf, (2) dat het exploiteren van kansspelen overtreding van art. 1 Wok oplevert en niet overtreding van art. 30h Wok en dat het bewezenverklaarde bedrag daarom uit enig misdrijf afkomstig is, (3) dat de verdachte en zijn mededaders wisten dat het geld uit misdrijf afkomstig was en (4) dat geen sprake is van ‘eigen misdrijf’ en de kwalificatieuitsluitingsgrond dus niet zou gelden.
De bewezenverklaring en de overwegingen van het hof
Ten laste van de verdachte is onder 2 bewezenverklaard dat:
“2. hij
in de periode van 1 september 2006 tot en met 24 mei 2013,
in Nederland,
tezamen en in vereniging met anderen
van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt,
immers hebben hij, verdachte en zijn mededaders, krachtens die gewoonte
- in totaal EUR 1.824.124,-, betreffende inkomsten uit in ieder geval het illegale casino [internetsite 1a] , via [E] en [F] overgedragen en/of omgezet en/of van dat geldbedrag gebruik gemaakt,
terwijl hij verdachte en zijn mededaders ten aanzien van dat geldbedrag wisten, dat dat onmiddellijk of middellijk afkomstig was uit enig misdrijf;”
Ten aanzien van de vrijspraak van feit 6 (overtreding Wok) heeft het hof – voor zover relevant – als volgt overwogen:
“Ten aanzien van de [verdachte]
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat hij in de periode 1 september 2006 tot en met 24 mei 2013 tezamen en in vereniging met [C] , [D] , [G] (hierna: [G] ) en/of [I] . (hierna: [I] ) online kansspelen via [internetsite 1a] heeft aangeboden, dan wel, indien dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen, daaraan feitelijke leiding heeft gegeven.
Het hof overweegt met de rechtbank het volgende. Naar de verdachte heeft erkend, ontwikkelde hij spelsoftware, die hij leverde aan [medeverdachte 1] en in het bijzonder aan [internetsite 8] . Hij leverde het deel dat spelers op het scherm zien, de zogenaamde ‘front end’ of voorkant. Ook pleegde hij onderhoud aan de spelsoftware.
Daartoe zijn op 23 september 2006 een aantal afspraken over het exploiteren van gokspellen op papier gezet, waaronder het oprichten van [internetsite 1b] en [internetsite 1a] . De door de verdachte ontwikkelde spellen zijn, naar hij wist, aangeboden op [internetsite 1a] . De verdachte had een aanspraak op 60% van de opbrengst van de spellen op deze website. Via het programma SMAK software had hij inzicht in de gegenereerde omzet op [internetsite 1a] .
De spellen op [internetsite 1a] waren voor spelers uit Nederland bereikbaar en in de Nederlandse taal gesteld, derhalve kenbaar op Nederland gericht. Onderdeel van de overeenkomst van 23 september 2006 was de afspraak dat ‘ [internetsite 1b] ’, een op Nederland gerichte extensie, zou worden opgericht en iDeal, een op dat moment alleen in Nederland beschikbare betaalmethode, zou worden gebruikt. [internetsite 8] , waarmee de verdachte de afspraken maakte en waaraan de verdachte de spellen leverde, presenteerde zich in 2012 met ‘al onze gamingproducten zijn op Nederland gericht’. De verdachte heeft sedert 2006 werkzaamheden van allerlei aard en in verschillende rollen verricht binnen de organisatie van bedrijven van en rond [medeverdachte 1] , die gericht was op het aanbieden van online kansspelen in Nederland. Gelet op het voorgaande moet de verdachte hebben geweten dat binnen die organisatie kansspelen in Nederland werden aangeboden. De omstandigheid dat [internetsite 1b] , zoals de verdachte heeft aangevoerd, nooit operationeel is geworden, doet daar niet aan af.
Deze wetenschap is echter onvoldoende om tot het bewijs van medeplegen te komen.
(…)
Een en ander betekent dat uit de bewijsmiddelen zal moeten kunnen worden afgeleid dat een verdachte van medeplegen niet alleen het opzet had op samenwerking, welke samenwerking dient te voldoen aan de hierboven door de Hoge Raad uiteengezette maatstaven, maar ook opzet – voorwaardelijk opzet daaronder begrepen – op het gronddelict en dat de delictsomschrijving van het grondfeit en de wijze waarop de tenlastelegging is geredigeerd dat nader bepalen.
De kern van het gronddelict waarvan de verdachte in het onder 6 tenlastegelegde medepleger zou zijn geweest, ziet op het ‘zonder vergunning gelegenheid geven’ aan – kort gezegd – gokspellen deel te nemen. Mede in aanmerking genomen het hierboven reeds genoemde arrest van de HR van 18 februari 2005 (ECLI:NL:HR:2005:AR4841) is van hier te lande ‘gelegenheid geven’ in even bedoelde zin sprake wanneer via internet door middel van een mede op Nederland gerichte website de toegang tot kansspelen wordt geboden aan potentiële deelnemers in Nederland en dezen via hun computer rechtstreeks aan het spel kunnen deelnemen, dat wil zeggen: zonder dat andere handelingen zijn vereist dan die op de computer kunnen worden verricht. In dit verband is voldoende dat de website waarop de gelegenheid tot deelneming wordt geboden niet met gebruikmaking van de hiervóór bedoelde software de deelneming aan kansspelen onmogelijk maakt en blijkens haar inrichting mede is gericht op potentiële deelnemers in Nederland. Het hof herhaalt hier ook zijn hiervoor reeds gegeven standpunt dat voor de vraag wie als aanbieder van online kansspelen moet worden aangemerkt relevant is wie als rechthebbende heeft te gelden met betrekking tot de websites waarop online kansspelen werden aangeboden.
Het hof stelt vast dat de verdachte noch zijn bedrijf zijn aan te merken als ‘aanbieder’ in vorenbedoelde zin en evenmin dat de verdachte of zijn bedrijf kan worden aangemerkt als degene die vorenbedoelde ‘gelegenheid’ heeft ‘gegeven’. Dat betekent dat het medeplegen in deze niet kan worden aangemerkt als een gezamenlijke uitvoering van het strafbare feit, in die zin dat de verdachte en/of zijn bedrijf daarbij in enige fase uitvoeringshandelingen heeft verricht.
Dat laat onverlet dat ook van medeplegen sprake kan zijn bij gedragingen die ‘voor, tijdens, of na’ het strafbare feit hebben plaatsgevonden. Maar ook bij die modaliteit moet het gaan om een intellectuele en/of materiële bijdrage van voldoende gewicht. Bij deze variant kan worden gedacht aan het vervullen van een sturende en leidende rol, al dan niet achter de schermen of op afstand, het initiatief nemen en de uitdenker zijn van het strafbare feit of anderszins handelingen verrichten die in combinatie met elkaar van zodanig gewicht zijn dat er sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking.
Het hof kan aan de inhoud van het strafdossier niet meer ontlenen dan dat de verdachte ‘slechts’ de spelsoftware ontwikkelde en leverde en dat hij onderhoud pleegde aan die software, hetzij persoonlijk, hetzij via zijn bedrijf [G] . Dat zijn geen uitvoeringshandelingen van het ‘zonder vergunning gelegenheid geven tot’ het spelen van online gokspellen, maar handelingen die het door derden aanbieden van en gelegenheid geven tot het spelen van online gokspellen bevorderden, faciliteerden en gemakkelijk maakten. Ook oefende hij geen zeggenschap uit in de bedrijven die die kansspelen online aanboden en had hij in het aanbieden van de gokspellen ook geen sturende of leidende rol, was hij daartoe niet de initiatiefnemer en evenmin de bedenker van het strafbare feit. De omstandigheid dat de verdachte aanspraak kon maken op een deel van de opbrengst van de door hem ontwikkelde, geleverde en onderhouden spellen op de website maakt hem nog niet tot medepleger. Al met al ziet het hof in de gedragingen van de verdachte onvoldoende rechtvaardigende argumenten om de bijdrage van de verdachte aan de uiteindelijke verwezenlijking van het onder 6 tenlastegelegde delict op te schalen naar een in nauwe en bewuste samenwerking gepleegd strafbaar feit.
Het hof acht derhalve niet wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] zich heeft schuldig gemaakt aan het onder 6 primair tenlastegelegde tezamen en in vereniging met anderen zonder vergunning aanbieden van kansspelen via internet en spreekt hem daarvan vrij.
Wat hiervóór door het hof is overwogen ten aanzien van de vraag of de verdachte als medepleger kan worden aangemerkt, heeft evenzeer te gelden voor de door hem bestuurder rechtspersonen. Dat betekent dat het hof in het verlengde daarvan evenmin wettig en overtuigend bewezen acht dat [verdachte] feitelijke leiding heeft gegeven aan die gedraging, zoals hem na wijziging van de tenlastelegging in hoger beroep onder 6 subsidiair is tenlastegelegd. De verdachte was geen bestuurder van een of meer van de genoemde bedrijven die de kansspelen online aanboden en had ook anderszins niet een leidinggevende positie binnen een of meer van die bedrijven. Ook kan niet worden gezegd dat de verdachte aan het complex van gedragingen dat heeft geleid tot de verboden gedraging een zodanige bijdrage heeft geleverd en daarbij zodanig initiatief heeft genomen dat de verdachte geacht moet worden aan die verboden gedraging feitelijke leiding te hebben gegeven. De verdachte dient derhalve tevens van het onder 6 subsidiair te worden vrijgesproken.”
Met betrekking tot de bewezenverklaring van feit 2 (gewoontewitwassen) heeft het hof het volgende overwogen:
“Witwassen (zaaksdossiers 02A-02B-02C-02F-02N en ZD 07, feit 2 primair)
Verweren verdediging
De verdediging heeft, op de gronden als verwoord in de pleitnota, vrijspraak bepleit van het onder 2 primair tenlastegelegde. Deze gronden houden – kort samengevat – het volgende in.
In de eerste plaats kan het witwasfeit niet verder strekken dan ten aanzien van het bedrag dat door [G] is gefactureerd aan [E] in verband met de via [internetsite 1a] gegenereerde maandomzet.
(…)
In de derde plaats is het bewijs dat de verdachte wist c.q. redelijkerwijs moest weten dat de gelden van misdrijf afkomstig waren ontoereikend.
Oordeel hof
Aan de verdachte is onder 2 primair tenlastegelegd primair dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan (het medeplegen van) gewoonte- dan wel (schuld)witwassen.
De eerste vraag die bij de beoordeling van dit feit moet worden beantwoord, is of het tenlastegelegde geldbedrag gegenereerd is met het aanbieden van online kansspelen in Nederland en zo ja, of deze geldbedragen daarmee uit een misdrijf afkomstig zijn.
Uit misdrijf afkomstig
Het hof heeft met de rechtbank vastgesteld dat in de tenlastegelegde periode op [internetsite 1a] kansspelen werden aangeboden, gericht op en toegankelijk voor Nederlandse consumenten. Het via internet opzettelijk aanbieden van kansspelen in Nederland is een misdrijf op grond van de Wok en de WED. Inkomsten die daarmee worden gegenereerd, zijn dus afkomstig van misdrijf. De verdachte was bekend met de herkomst van de inkomsten.
(…)
3) Daarnaast is in een van de zaken van de medeverdachten het verweer gevoerd – kort gezegd – dat [internetsite 1a] als een virtuele kansspelautomaat moet worden gezien, dat de Wok voor kansspelautomaten een afzonderlijk vergunningsregime kent in titel Va en dat het aanbieden van kansspelen via [internetsite 1a] daarom niet strafbaar is op grond van het bepaalde in art. 1 (oud) Wok.
Dit zou met zich brengen dat de overtreding van de Wok geen strafbaar feit oplevert en dat het met het aanbieden van online kansspelen verdiende geld niet uit misdrijf afkomstig is. Het hof zal deze verweren ambtshalve ook in deze zaak bespreken.
(…)
Ad 3) De Wok luidt, voor zover hier van belang:
Titel I. Algemene bepalingen
Art. 1
Behoudens het in Titel Va van deze wet bepaalde is het verboden:
a. gelegenheid te geven om mede te dingen naar prijzen of premies, indien de aanwijzing der winnaars geschiedt door enige kansbepaling waarop de deelnemers in het algemeen geen overwegende invloed kunnen uitoefenen, tenzij daarvoor ingevolge deze wet vergunning is verleend;
Titel Va. Speelautomaten
Art. 30
In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. speelautomaat: een toestel, ingericht voor de beoefening van een spel, dat bestaat uit een door de speler in werking gesteld mechanisch, elektrisch of elektronisch proces, waarbij het resultaat kan leiden tot de middellijke of onmiddellijke uitkering van prijzen of premies, daaronder begrepen het recht om gratis verder te spelen;
b. behendigheidsautomaat: een speelautomaat waarvan het spelresultaat uitsluitend kan leiden tot een verlengde speelduur of het recht op gratis spellen en het proces, ook nadat het in werking is gesteld, door de speler kan worden beïnvloed en het geheel of vrijwel geheel van zijn inzicht en behendigheid bij het gebruik van de daartoe geboden middelen afhangt of en in welke mate de spelduur verlengd of het recht op gratis spelen verkregen wordt;
c. kansspelautomaat: een speelautomaat, die geen behendigheidsautomaat is;
(...)
Art. 30b
1. Het is verboden, behoudens het in deze Titel bepaalde, zonder vergunning van de burgemeester een of meer speelautomaten aanwezig te hebben
(...)
b. op voor het publiek toegankelijke plaatsen;’
Het tenlastegelegde verwijt houdt onder meer in dat de verdachte spellen die plegen te worden gespeeld op kansspelautomaten in de zin van artikel 30 sub c van de Wok virtueel heeft aangeboden via internet.
Anders dan de verdediging, is het hof van oordeel dat de bepalingen in Titel Va van de Wok betrekking hebben op een toestel, waarop of waarmee gelegenheid wordt gegeven tot het spelen van – kort gezegd – gokspellen, welk toestel zich fysiek bevindt op een voor het publiek toegankelijke plaats, bijvoorbeeld een ‘gokkast’ of internetzuil in een café.
Naar het oordeel van het hof miskent de verdediging dat het op internet aanbieden van kansspelen niet gelijk kan worden gesteld aan de regeling omtrent fysieke speelautomaten als bedoeld in Titel Va van de Wok. Het hof verwerpt mitsdien het verweer van de verdediging.
Conclusie
Gelet op het voorgaande concludeert het hof dat opzettelijke overtreding van de Wok als een strafbaar feit, een misdrijf, kan worden gekwalificeerd. Dit betekent dat het geld dat is verdiend met het opzettelijk in strijd van de Wok aanbieden van online kansspelen, uit misdrijf afkomstig is. De vraag die vervolgens moet worden beantwoord, is of [verdachte] zich schuldig heeft gemaakt aan gewoonte- dan wel (schuld)witwassen in een van de tenlastegelegde varianten.
Witwashandelingen
Spelers van online kansspelen op voornoemde website legden geld in door betalingen te doen per creditcard, sms, iDEAL of anderszins. Het ingelegde geld kwam – meestal door tussenkomst van [H] – binnen op rekeningen die ter beschikking stonden van [E] Vanaf 2006 was [E] het centrale punt voor de inkomsten uit online kansspelen in strijd met de Wok (bankrekeningen bij [bank 1] en [bank 2] en accounts van [E] bij [H] ). Die inkomsten werden aangewend voor onder meer de financiering van [F] en de betaling van bedrijfskosten, waaronder betalingen aan leveranciers.
De verdachte leverde persoonlijk, dan wel via zijn bedrijf [G] de kansspelen die op [internetsite 1a] werden aangeboden en hij had recht op 60% van de winst die met die kansspelen werd gegenereerd. [E] verzamelde de opbrengsten uit [internetsite 1a] en maakte het afgesproken percentage van de winst naar de verdachte, althans naar [G] , over. Daarnaast ontving de verdachte vergoedingen van [F]
Vanaf eind 2008 werd het winstpercentage eerst overgemaakt naar [G] en ontving [I] een managementvergoeding. De verdachte persoonlijk ontving vervolgens loon uit [I] . De politie heeft op basis van omzetcijfers en belastingaangiften vastgesteld dat de verdachte en zijn rechtspersonen nagenoeg volledig financieel afhankelijk waren van de inkomsten uit kansspelen.
De verdediging heeft aangevoerd dat de verdachte niet veroordeeld kan worden voor witwassen, omdat hij de herkomst van de inkomsten niet heeft verborgen of verhuld. Het hof overweegt dat dit ook geen vereiste is als het gaat om het overdragen, omzetten en gebruiken van gelden die uit misdrijf afkomstig zijn. Het aanwenden van uit misdrijf verkregen gelden, bijvoorbeeld door het geld naar anderen over te maken of als managementvergoeding of loon uit te keren, levert op zichzelf al witwassen op. Het verweer van de verdediging wordt dan ook verworpen.
Ook het verweer dat de gelden afkomstig zouden zijn van eigen misdrijf, namelijk van (het medeplegen van) opzettelijke overtreding van de Wok, wordt verworpen nu het hof de verdachte van dat feit heeft vrijgesproken.
Opzet / voorwaardelijk opzet
Het hof stelt voorop dat (gewoonte)witwassen alleen strafbaar is indien dit opzettelijk geschiedt, waarbij het (voorwaardelijk) opzet niet alleen moet zijn gericht op de witwashandelingen maar eveneens ook op het feit dat de gelden afkomstig waren uit enig misdrijf. De verdediging acht het bewijs dat de verdachte wist c.q. redelijkerwijs moest weten dat de gelden van misdrijf afkomstig waren ontoereikend.
Uit de gebruikte bewijsmiddelen blijkt dat de verdachte wist dat de gelden werden verdiend door het online aanbieden van, nota bene door hemzelf ontwikkelde, geleverde en onderhouden kansspelen. Om dat te verbloemen werden door de verdachte valse facturen opgesteld, zoals hierna bij de bewijsoverwegingen met betrekking tot feit 3 zal worden besproken. Het kan daarom niet anders dan dat de verdachte moet hebben geweten dat die gelden van misdrijf afkomstig waren.
Het geldbedrag
Het hof leidt met de rechtbank uit de bewijsmiddelen af dat in totaal € 1.824.124,-, afkomstig uit online kansspelen, is overgemaakt naar [G] , waarna het geld is aangewend als managementvergoeding, loon of anderszins.
(…)
Gewoonte
Het hof overweegt met de rechtbank tot slot dat de totale geldsom is opgebouwd uit vele bedragen. De verdachte kreeg namelijk periodiek betaald. Er is sprake geweest van een vaste werkwijze, waarbij de verdachte factureerde op basis van de opbrengsten uit de door hem geleverd spellen. Gelet op het structurele karakter hiervan, is het hof van oordeel dat sprake is van gewoontewitwassen, zoals strafbaar gesteld in artikel 420ter Wetboek van Strafrecht.
Hetgeen de verdediging in hoger beroep heeft aangevoerd maakt dit oordeel niet anders.”
De volgende door het hof gebezigde bewijsmiddelen zijn relevant:
“Bewijsmiddelen feit 1 (deel 1), kort gezegd: criminele organisatie
(…)
15. Het proces-verbaal van bevindingen ‘van onderzoek aan de data aangetroffen op de in Zweden in beslaggenomen servers (ZD01, p. 1661-1666), voor zover inhoudende:
Op 24 mei 2013 is door de daartoe bevoegde autoriteiten in Zweden onderzoek gedaan en beslag gelegd op servers van de rechtspersonen [E] , [F] en [L] . De servers stonden op het adres van het datacentre Interroute in [plaats] , Zweden.
Uit onderzoek is gebleken dat de servers ingericht waren als webserver. De webservers bevatten de configuraties en bestanden om de onderstaande domeinen te kunnen bezoeken.
[internetsite 2]
[internetsite 3]
[internetsite 4]
[M]
[internetsite 5]
[internetsite 1a]
[internetsite 6]
[internetsite 8]
(…)
Bewijsmiddelen feit 2, kort gezegd: medeplegen van gewoontewitwassen
1. De bewijsmiddelen met betrekking tot feit 1 (deel 1), zoals hiervóór opgenomen
2. De verklaring van de [verdachte] ter terechtzitting van de rechtbank op 17 september 2018, voor zover inhoudende:
U vraagt mij of ik betrokken was bij [internetsite 1a] . Ja, ik was leverancier van de spellen van [internetsite 1a] . Ik deelde mee in de opbrengst van de inkomsten die met [internetsite 1a] werden gegenereerd. [D] bood de spellen aan.
Ik maakte afspraken met [medeverdachte 1] . Ik zou spellen maken en naar verhouding worden uitbetaald. Ik kreeg 60 procent.
Ik ben ergens in 2006 begonnen met het aanleveren van software voor [internetsite 1a] . In 2013 is dat op een gegeven moment opgehouden.
U houdt mij voor dat uit het dossier volgt dat [G] als bedrijf afhankelijk was van [E] . Dat klopt. In die periode wel. Dat werd pas anders toen er inkomsten uit [F] bijkwamen.
[…]
Het klopt dat ik enig aandeelhouder en bestuurder was van de op 1 december 2008 door mij opgerichte vennootschap [I] . Het is eveneens juist dat [I] . op haar beurt enig aandeelhouder en bestuurder van de eveneens op 1 december 2008 opgerichte vennootschap [G] was.
U vraagt mij naar de reden voor het oprichten van de vennootschappen. Ik maakte spelletjes en wilde de omzetten die daarmee waren gemoeid factureren. [I] heb ik opgericht op aanraden van de accountant, omdat dat op lange termijn fiscaal voordeliger zou zijn.
[…]
Ik maakte in een Excelbestand altijd eerst een berekening die ten grondslag lag aan de factuur. Ik kon inloggen in de Smaksoftware en daar kon ik de gegevens zien die ik nodig had om de berekening in Excel te maken. Die gegevens kwamen vervolgens in de factuur.
3. Het proces-verbaal bevindingen, financiële afhankelijkheid [verdachte] , [I] en [G] van de geldstromen met criminele herkomst afkomstig van [E] c.s. van 27 maart 2014 (ZD01, p. 2279-2282), voor zover inhoudende:
[G]
Aan de hand van de uitgeleverde stukken is een recapitulatie gemaakt van de binnen [G] geregistreerde omzet.
Op grond van de omzet gegevens kan gesteld worden dat [G] nagenoeg geheel afhankelijk is van de bij [E] , [F] en te relateren bedrijven in rekening gebrachte omzet.
[I]
Voor wat betreft de omzetcijfers binnen [I] is een recapitulatie gemaakt. De binnen [I] gepresenteerde omzet betreft de bij haar dochteronderneming [G] in rekening gebrachte management fee. Daarnaast behaalt [I] rente-inkomsten. De belangrijkste bron hiervoor is de in rekening gebracht rente over aan de aandeelhouder verstrekte lening, alsmede over de rekening-courantverhouding met haar aandeelhouder [verdachte] . [I] is derhalve afhankelijk van de bij [G] in rekening gebrachte management fee en van het resultaat van haar 100% deelneming In [G] . Betalingen van deze management fee en uitgekeerde dividenden door [G] hebben, gezien het hierboven gestelde met betrekking tot de inkomsten van [G] , een criminele herkomst.
[verdachte]
Aan de hand van (concept) aangiften inkomstenbelasting kan voor de jaren 2008 tot en met 2012 vastgesteld worden dat het door [verdachte] opgegeven inkomen geheel dan wel nagenoeg geheel bestaat uit looninkomsten die hij verkrijgt vanuit [I] .
Doordat [verdachte] zijn uitgaven en manier van leven nagenoeg alleen kan financieren middels zijn loon uit [I] , en de bij deze vennootschap aangehouden kredieten in rekening-courant, kan gesteld worden dat [verdachte] volledig afhankelijk is van de geldstroom uit [I] . Aangezien [I] op haar beurt alleen kan bestaan dankzij de geldstromen vanuit [G] , die op haar beurt alleen kan bestaan dankzij de geldstromen (met criminele herkomst) van [E] I [F] en kan gesteld worden dat [verdachte] geheel afhankelijk is van de geldstromen (met criminele herkomst) uit [E] I [F] .
(…)
6. Het proces-verbaal (gewoonte)witwassen middels de diensten van Payment Service Provider [H] van 15 april 2014 (ZDO2B p. 1-22 voorafgaand aan ZD02B, p. 01), voor zover inhoudende:
Inkomende geldstromen [H]
iDeal (code N021)
Middels deze code worden de door spelers via de betaalmethode iDeal ingelegde gelden binnen [H] verantwoord. In onderstaande tabel is de inleg per jaar per casino weergegeven
|
Casino |
Periode |
Totaal |
|
[internetsite 1a] |
2006 t/m mei 2013 |
3.728.716 |
PaySafeCard (code N016)
De binnen [H] op code N016 geregistreerde inkomende geldstoom betreft inleg middels PaySafeCard op de diverse aan de verdachten toebehorende online casino’s. In de tabel is de inleg per jaar per casino weergegeven.
|
Casino |
Periode |
Totaal |
|
[internetsite 1a] |
2010 t/m mei 2013 |
15.396 |
Uitgaande geldstroom [H] database richting verdachten
Indien uit de geanalyseerde geldstromen alleen die geldstromen worden geselecteerd die na de analyse met zekerheid richting de verdachten, hun vennootschappen dan wel hun familieleden gaan, ontstaat het volgende beeld.
|
Code |
Omschrijving |
Ontvanger |
Periode |
Totaal |
|
N403 |
Uitbetaling Merchant Binnenland |
[E] |
2007 t/m 2010 |
9.940.926 |
|
N571 |
Betaalopdracht Binnenland |
[E] |
2008 t/m mei 2013 |
16.612.601 |
|
N571 |
Betaalopdracht Binnenland |
[F] |
2011 t/m 2012 |
766.397 |
7. Het proces-verbaal (gewoonte)witwassen middels [E] van 8 april 2014 (ZD02C p. 1-18 voorafgaand aan ZD02C - 01), voor zover inhoudende:
p. 11
Uitgaande geldstroom [E]
De uitgaande geldstroom van [E] (van de bij de [bank 1] en de [bank 2] aangehouden rekeningen) over de jaren 2006 tot en met mei 2013 kan grofweg als volgt worden gespecificeerd:
|
2007 |
2008 |
2009 |
2010 |
2011 |
2012 |
Mei 2013 |
Totaal |
|
|
[G] |
61.352 |
348.937 |
510.068 |
376.422 |
264.397 |
172.019 |
50.904 |
1.784.098 |
8. Het proces-verbaal van bevindingen van 15 juli 2013, uitlevering stukken [G] (ZD07, p. 1-3), voor zover inhoudende:
Wij werden ontvangen door [verdachte] . [verdachte] is middels [I] bestuurder en enig aandeelhouder van [G] .
Qua facturering gaf [verdachte] aan dat hij niet de ontwikkeling van spellen in rekening brengt maar dat hij in feite achteraf betaald wordt omdat hij een percentage (25%) van de opbrengst krijgt die door [F] wordt gegenereerd. Om een beeld te krijgen van de geldstromen tussen [G] en [E] / [F] is onderstaan overzicht, gemaakt aan de hand van de bij ons in bezit zijnde bankbestanden opgenomen. Betalingen aan [G] door:
|
2006 t/m 2010 |
2011 |
2012 |
Totaal |
|
|
[E] |
[zie hiervoor] |
|||
|
[F] |
- |
35.594 |
4.432 |
40.026 |
Hof: € 1.784.098,- + € 40.026,- = € 1.824.124,-”
De bespreking van het vierde middel
De eerste deelklacht
De eerste klacht uit het vierde middel heeft betrekking op de bewezenverklaring voor zover daarin staat dat het geld ‘uit misdrijf afkomstig’ is. Ten aanzien van een deel van het bewezenverklaarde bedrag dat afkomstig is uit facturering aan [F] (een bedrag van € 40.026,-), blijkt niet uit de bewijsvoering dat dit uit misdrijf afkomstig is. Uit de bewijsvoering volgt namelijk niet dat exploitatie van kansspelen door [F] een strafbaar feit oplevert, aldus de steller van het middel.
Het hof heeft geoordeeld dat het bewezenverklaarde bedrag is verdiend met het opzettelijk in strijd met de Wok aanbieden van online kansspelen en dus uit misdrijf afkomstig is. In dat verband heeft het hof overwogen dat [E] het centrale punt was voor inkomsten uit online kansspelen. Die inkomsten werden aangewend voor onder meer de financiering van [F] en de betaling van bedrijfskosten, waaronder betalingen aan leveranciers. [E] verzamelde de opbrengsten uit [internetsite 1a] en maakte het afgesproken winstpercentage over naar de verdachte, althans [G] . De verdachte ontving daarnaast rechtstreeks vergoedingen van [F] .
Ik wijs er allereerst op dat het hof heeft vastgesteld dat bij het aanbieden van kansspelen door medeverdachten [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] gebruik is gemaakt van diverse vennootschappen en dat binnen die vennootschappen verschillende werkzaamheden werden verricht. Die vennootschappen dienden er samen toe om te verhullen wie achter het aanbieden van de online gokspelen zat, hoe de geldstromen liepen en hoe de geldstromen werden verantwoord. [E] vervulde in het construct een centrale rol doordat het bedrijf het centrale punt was voor de inkomsten uit online kansspelen. Die inkomsten uit de websites werden vervolgens verspreid over andere bedrijven. [E] gebruikte de binnengekomen gelden zoals gezegd onder meer om [F] mee te financieren. Het hof heeft bij zijn bespreking van feit 1 (deelneming aan een criminele organisatie) vastgesteld dat de [F] -vennootschappen, waaronder dus ook [F] , specifiek gericht waren op de spelsoftwareontwikkeling en het aanbieden daarvan op zogenaamde platforms. Ook heeft het hof overwogen dat niet kan worden vastgesteld dat de [F] -vennootschappen erop gericht waren online kansspelen in Nederland aan te bieden. Dat betekent echter niet dat het geld dat de verdachte uit [F] heeft ontvangen niet (indirect) uit het aanbieden van die kansspelen afkomstig is. [F] vervulde dan wellicht geen functie als directe aanbieder van de kansspelen, maar vervulde kennelijk wel een andere functie binnen het door (onder andere) [medeverdachte 1] opgetuigde construct aan rechtspersonen, zo blijkt ook uit het feit dat de verdachte factureerde aan [F] , kennelijk om inkomsten uit [internetsite 1a] te kunnen ontvangen, en uit het feit dat [E] [F] financierde.
Het bedrag uit de bewezenverklaring is kennelijk gebaseerd op bewijsmiddel 8 bij feit 2. Daaruit blijkt dat de verdachte via [G] in 2011 en 2012 van [F] een bedrag van in totaal € 40.026,- heeft ontvangen. In de overwegingen van het hof ligt besloten dat het geld dat de verdachte van [F] ontving ook gerelateerd was aan zijn werkzaamheden voor [internetsite 1a] . Het hof heeft kunnen oordelen dat deze gelden (indirect) afkomstig waren uit misdrijf. Uit de bewijsvoering van het hof als geheel blijkt dat de inkomsten die werden gegenereerd met het aanbieden van online kansspelen in feite de enige inkomstenbron waren van de criminele organisatie (zie daarover verder de bespreking van het vijfde middel) en dat de verschillende rechtspersonen werden ingezet om te verhullen hoe de geldstromen liepen en hoe die geldstromen werden verantwoord. Dat het hof heeft aangenomen dat het geld dat de verdachte van [F] ontving uiteindelijk ook afkomstig was uit die inkomsten uit de kansspelen, acht ik gelet op alles wat ik hiervoor heb overwogen niet onbegrijpelijk. Dat oordeel is ook toereikend gemotiveerd.
Ten tweede wordt door de steller van het middel – in lijn met wat er in hoger beroep naar voren is gebracht – aangevoerd dat het exploiteren van de spellen op [internetsite 1a] niet als overtreding van art. 1 Wok kwalificeert, maar als overtreding van art. 30h Wok, en dat het hof daarom niet zonder nadere motivering kon oordelen dat de opbrengsten uit [internetsite 1a] uit ‘misdrijf’ afkomstig zijn.
Voor zover relevant voor de bespreking van deze deelklacht is in hoger beroep het volgende aangevoerd (met weglating van een aantal voetnoten):
“5.4 Spellen op [internetsite 1a] zijn “kansspelautomaten“ in de zin van art. 30, aanhef en onder c (oud) Wok - specialisverhouding tussen regeling kansspelautomaten WOK en art. 1 WOK
48. De verdediging meent dat enig bewezenverklaard handelen ter zake [internetsite 1a] evenwel niet zal kunnen worden gekwalificeerd als strafbaar feit op grond van art. 1 WOK. Voor de beoordeling van dit verweer is een aantal zaken van belang voorop te stellen:
- De Ksa heeft de spellen op [internetsite 1a] onderzocht en beoordeeld, zoals volgt uit het proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant 2] van 27 augustus 2013;
- De Ksa beoordeelt - zover voor dit verweer relevant - dat (-) de aanwijzing van de winnaar geschiedt door enige kansbepaling waarop de deelnemers in het algemeen geen invloed kunnen uitoefenen; (-) dat alle speluitleggen behorende bij de aangeboden spellen overeenkomen met of dezelfde strekking hebben als de wijze waarop een kansspelautomaat in de zin van artikel 30 onder c van de Wok worden gespeeld; (-) dat [internetsite 1a] in alle speluitleggen van de aangeboden virtuele versie van kansspelautomaten in de zin van artikel 30 onder c van de Wok spreekt over “slots games" dan wel “fruitmachines", terwijl die gebruikte termen allemaal dezelfde betekenis hebben, namelijk “kansspelautomaten in de zin van artikel 30 onder c van de Wok";
- De Ksa komt tot de conclusie: "Alle aangeboden spellen zijn een virtuele versie van een kansspelautomaat in de zin van artikel 30 onder c van de Wok";
Met andere woorden: de spellen op [internetsite 1a] zijn alle kansspelautomaten, als bedoeld in art. 30, aanhef en onder c (oud) WOK.
49. Juridisch is dan van belang het volgende te benadrukken:
- De WOK - zoals die ten tijde van het tenlastegelegde gold - kent voor speelautomaten en kansspelautomaten een afzonderlijk wettelijk regime, namelijk Titel VA (artt. 30 t/m 30aa (oud) WOK);
- Een verbod op het aanwezig hebben van kansspelautomaten is geregeld in art. 30b (oud) WOK, een verbod op de exploitatie van kansspelautomaten is geregeld in art. 30h, eerste lid (oud) WOK.
- Het exploiteren van kansspelautomaten wordt op grond van art. 30h, tweede lid Sv geduid als het bedrijfsmatig en als eigenaar gebruiken of aan een ander in gebruik geven van een of meer speelautomaten;
- Toepassing van de WOK vereist een 'functionele benadering', waardoor - in navolging van bestuursrechtelijke uitspraak - ook virtuele fruitautomaten die kunnen worden benaderd via zgn. "speelzuilen" worden aangemerkt als speelautomaten.
- De wetgever heeft het oog gehad om met de verbodsbepalingen van art. 30b (oud) WOK en 30h (oud) WOK de toepasselijkheid van de algemene verbodsbepaling uit art. 1 WOK uit te sluiten;
- Dat volgt expliciet uit de aanhef van art. 1 WOK, die immers luidt: "behoudens het in Titel VA van deze wet bepaalde";
- Er bestaat aldus een lex specialis-verhouding, in die zin dat de artt. 30b en 30h (oud) WOK derogeren aan de algemene verbodsbepaling uit art. 1 WOK.
- De Hoge Raad heeft dit, in navolging van de conclusie van Aben, bevestigd in een zaak betreffende online speelautomaten die werden aangeboden via internetzuilen:
(…)
- De Hoge Raad oordeelde ook al eerder dat het aanwezig hebben van 'speelzuilen' waarmee virtuele speelautomaten konden worden benaderd gelet op die lex specialis-verhouding dient te worden gekwalificeerd als overtreding van art. 30b (oud) WOK (aanwezig hebben van speelautomaten) en niet als overtreding van art. 1 WOK. Dit volgt uit het arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, waarin - na terugwijzing door de Hoge Raad - werd ontslagen van alle rechtsvervolging, wegens het niet kunnen kwalificeren van het bewezenverklaarde als strafbaar feit onder art. 1 WOK.
50. In onderhavige zaak is onder feit 6, overtreding van de WOK de facto - kort gezegd - het medeplegen van de exploitatie van [internetsite 1a] tenlastegelegd. De spellen op [internetsite 1a] zijn, volgens de rapportage van de Ksa, alle speelautomaten, specifiek kansspelautomaten.
Een functionele benadering van de WOK - zoals die is vereist op grond van de wetsgeschiedenis, rechtspraak van de Raad van State alsook van de Hoge Raad - brengt mede dat aldus ter zake de exploitatie van [internetsite 1a] sprake moet worden geacht van de exploitatie van kansspelautomaten, als bedoeld in art. 30h (oud) WOK. Immers wordt daarmee vervuld het bepaalde in art. 30h, tweede lid (oud) WOK, "het bedrijfsmatig en als eigenaar gebruiken of aan een ander in gebruik geven van een of meer speelautomaten". Hieraan doet niet af dat sprake is van (virtuele versies van) speelautomaten, mede indachtig de eerder genoemde jurisprudentie. Art. 30h (oud) WOK moet worden geacht ook daarop betrekking te hebben.
51. Gelet op het voorgaande kan het eventuele bewezenverklaarde handelen dan ook niet kwalificeren als strafbaar feit op grond van art. 1 WOK, zoals tenlastegelegd. De tussen art. 30h (oud) WOK en art. 1 WOK bestaande lex specialis-verhouding verzet zich daartegen.”
Art. 1 lid 1 Wok luidt, voor zover van belang:
“1. Behoudens het in Titel Va van deze wet bepaalde is het verboden:
a. gelegenheid te geven om mede te dingen naar prijzen of premies, indien de aanwijzing der winnaars geschiedt door enige kansbepaling waarop de deelnemers in het algemeen geen overwegende invloed kunnen uitoefenen, tenzij daarvoor ingevolge deze wet vergunning is verleend;”
Naast art. 1 Wok zijn in dit verband de volgende bepalingen uit ‘Titel VA. Speelautomaten’ van de Wok relevant:
- Art. 30 Wok
“In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. speelautomaat: een toestel, ingericht voor de beoefening van een spel, dat bestaat uit een door de speler in werking gesteld mechanisch, elektrisch of elektronisch proces, waarbij het resultaat kan leiden tot de middellijke of onmiddellijke uitkering van prijzen of premies, daaronder begrepen het recht om gratis verder te spelen;
b. behendigheidsautomaat: een speelautomaat waarvan het spelresultaat uitsluitend kan leiden tot een verlengde speelduur of het recht op gratis spellen en het proces, ook nadat het in werking is gesteld, door de speler kan worden beïnvloed en het geheel of vrijwel geheel van zijn inzicht en behendigheid bij het gebruik van de daartoe geboden middelen afhangt of en in welke mate de spelduur verlengd of het recht op gratis spelen verkregen wordt;
c. kansspelautomaat: een speelautomaat, die geen behendigheidsautomaat is;”
- Art. 30b (oud) Wok
“1. Het is verboden, behoudens het in deze Titel bepaalde, zonder vergunning van de burgemeester een of meer kansspelautomaten aanwezig te hebben
a. op of aan de openbare weg;
b. op voor het publiek toegankelijke plaatsen;
c. in niet voor het publiek toegankelijke inrichtingen waarvoor ingevolge artikel 3 van de Drank- en Horecawet een vergunning voor de uitoefening van het horecabedrijf is vereist of waarvan de ondernemer inschrijfplichtig is bij het Bedrijfschap Horeca.”
- Art. 30h (oud) Wok (tot 1 april 2012)
“1. Het is verboden zonder vergunning van Onze Minister van Economische Zaken een of meer speelautomaten te exploiteren.
2. Onder exploiteren wordt verstaan het bedrijfsmatig en als eigenaar gebruiken of aan een ander in gebruik geven van een of meer speelautomaten.”
- Art. 30h (oud) Wok (vanaf 1 april 2012)
“1. Het is verboden zonder vergunning van de raad van bestuur, bedoeld in artikel 33a, een of meer speelautomaten te exploiteren.
2. Onder exploiteren wordt verstaan het bedrijfsmatig en als eigenaar gebruiken of aan een ander in gebruik geven van een of meer speelautomaten.”
Voor de beoordeling van deze klacht verwijs ik allereerst naar de conclusie van A-G Aben voorafgaand aan HR 16 november 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM3630, dat ook in de toelichting op de klacht wordt genoemd. In het geval dat ten grondslag lag aan die uitspraak werd het kansspel mogelijk gemaakt met behulp van in een cafetaria geplaatste internetzuilen die onder meer toegang gaven tot goksites en waarbij was voorzien in de mogelijkheid van contante betaling van de inleg en onmiddellijke uitkering van de eventuele winst. Die omstandigheden noopten Aben, en in navolging van hem de Hoge Raad, ertoe de internetzuilen aan te merken als kansspelautomaten in de zin van art. 30 Wok. Onder verwijzing naar HR 18 februari 2005, ECLI:NL:HR:2005: AR4841 merkte Aben daarnaast op dat het organiseren van kansspelen via (in Nederland toegankelijke) internetsites, waardoor het mogelijk is om (hier te lande) deel te nemen aan het betreffende kansspelen, (wel degelijk) kan worden aangemerkt als het gelegenheid geven tot een kansspel en onder het toepassingsbereik van art. 1 onder a van de Wok valt.
Het hof heeft overwogen dat het tenlastegelegde verwijt inhoudt dat de verdachte spellen die worden gespeeld op kansspelautomaten in de zin van art. 30 sub c Wok virtueel heeft aangeboden via internet. Anders dan de verdediging is het hof van oordeel dat de bepalingen van Titel VA van de Wok betrekking hebben op een fysiek toestel dat zich bevindt op een voor het publiek toegankelijke plaats. Naar het oordeel van het hof heeft de verdediging miskend dat het op internet aanbieden van kansspelen niet gelijk kan worden gesteld aan de regeling omtrent fysieke speelautomaten. Gelet hierop concludeert het hof dat opzettelijke overtreding van de Wok als een strafbaar feit kan worden gekwalificeerd. Het geld dat daarmee is verdiend is daarom afkomstig uit misdrijf.
Titel VA van de Wok is evident van toepassing op fysieke speelautomaten, althans op apparatuur die als een fysieke speelautomaat functioneert, zo blijkt uit art. 30 Wok. In de onderhavige zaak is geen sprake van fysieke speelautomaten, maar van online kansspelen die via elke willekeurige computer met internetaansluiting kunnen worden benaderd. In het feit dat de wijze waarop de online kansspelen op [internetsite 1a] zijn weergegeven gelijkenis vertoont met de wijze waarop gespeeld kan worden op fysieke speelautomaten, zie ik geen aanleiding om aan te nemen dat zij in het kader van de Wok daaraan gelijk moeten worden gesteld. In de toelichting op het middel wordt, anders dan door verwijzing naar voornoemde uitspraak van de Hoge Raad uit 2010, ook niet beargumenteerd waarom dat anders zou zijn. Het oordeel van het hof op dit punt acht ik dan ook niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. Hetgeen door de steller van het middel in de toelichting wel wordt aangevoerd, namelijk dat er tussen art. 1 Wok en art. 30h Wok een lex specialis-verhouding bestaat en dat daarom art. 30h Wok toegepast had moeten worden, stuit af op het voorgaande.
Ten derde wordt in het vierde middel geklaagd over het oordeel van het hof dat de verdachte wist dat de gelden afkomstig waren uit misdrijf. Volgens de steller van het middel is dit oordeel niet zonder meer begrijpelijk in het licht van de vrijspraak van het onder 6 tenlastegelegde Wok-feit.
Het hof heeft vastgesteld dat in de tenlastegelegde periode op [internetsite 1a] kansspelen werden aangeboden, gericht op en toegankelijk voor Nederlandse consumenten. Het via internet opzettelijk aanbieden van kansspelen in Nederland is een misdrijf op grond van de Wok en de WED. Inkomsten die daarmee worden gegenereerd, zijn dus afkomstig van misdrijf. De verdachte was bekend met de herkomst van de inkomsten, aldus het hof. Met betrekking tot het opzet van de verdachte heeft het hof geoordeeld dat uit de bewijsmiddelen blijkt dat de verdachte wist dat de gelden werden verdiend door het online aanbieden van, nota bene door hemzelf ontwikkelde, geleverde en onderhouden kansspelen. Om dat te verbloemen werden door de verdachte valse facturen opgesteld.
In het kader van de motivering van de vrijspraak van feit 6 heeft het hof onder meer overwogen dat de verdachte spelsoftware ontwikkelde, die hij leverde aan [medeverdachte 1] . Ook pleegde hij onderhoud aan de spelsoftware. Daartoe zijn op 23 september 2006 een aantal afspraken over het exploiteren van gokspellen op papier gezet, waaronder het oprichten van [internetsite 1b] en [internetsite 1a] . De door de verdachte ontwikkelde spellen zijn, naar hij wist, aangeboden op [internetsite 1a] . Het hof stelt vervolgens vast dat de verdachte vanaf 2006 allerlei werkzaamheden verrichtte binnen de organisatie van bedrijven van en rond [medeverdachte 1] en dat de verdachte dus geweten moet hebben dat binnen die organisatie kansspelen in Nederland werden aangeboden. Het hof spreekt de verdachte desondanks vrij van feit 6, omdat deze wetenschap onvoldoende is om tot het bewijs van medeplegen van het bieden van gelegenheid als bedoeld in art. 1 lid 1 onder a Wok te komen. Omdat de gedragingen van de verdachte niet verder gingen dan het ontwikkelen en leveren van spelsoftware en het plegen van onderhoud daaraan en omdat de verdachte (en/of zijn bedrijf) geen uitvoeringshandelingen heeft verricht en geen zeggenschap uitoefende in de bedrijven die de kansspelen online aanboden of bij het aanbieden van de gokspellen een sturende of leidende rol had, is de bijdrage van de verdachte aan de uiteindelijke verwezenlijking van feit 6 niet voldoende om hem aan te merken als medepleger. Ook kan volgens het hof niet worden gezegd dat de verdachte aan het complex van gedragingen dat heeft geleid tot de verboden gedraging een zodanige bijdrage heeft geleverd en daarbij zodanig initiatief heeft genomen dat de verdachte geacht moet worden aan die verboden gedraging feitelijke leiding te hebben gegeven. Kortom, de enige reden voor de vrijspraak van feit 6 is dat de verdachte (en/of zijn bedrijf) geen aanbieder was van de kansspelen en geen (tenlastegelegde) strafrechtelijke rol van betekenis heeft gespeeld bij het gelegenheid geven tot het spelen daarvan.
Op basis van het voorgaande is duidelijk waarom het niet onbegrijpelijk is dat het hof – ondanks de vrijspraak voor feit 6 – heeft geoordeeld dat de verdachte wist dat het geld dat hij ontving voor zijn werkzaamheden voor [internetsite 1a] afkomstig was uit enig misdrijf. Het hof heeft ook in het kader van zijn motivering van die vrijspraak immers vastgesteld dat de verdachte wetenschap had van het feit dat de organisatie van [medeverdachte 1] (illegaal) kansspelen aanbood via onder meer [internetsite 1a] , dat de verdachte voor [internetsite 1a] spellen ontwikkelde, leverde en daaraan onderhoud pleegde, dat de verdachte daarom 60% van de opbrengsten van de website kreeg uitgekeerd en dat hij die opbrengsten door middel van valse facturen die hij zelf opstelde heeft ontvangen (zie daarover nader mijn bespreking van het zesde middel). Ik wijs er ook nog op dat de verdachte dan weliswaar is vrijgesproken van het medeplegen van of feitelijk leidinggeven aan het overtreden van de Wok, maar dat hij wel is veroordeeld voor deelneming aan de criminele organisatie van onder meer [medeverdachte 1] die het oogmerk had om de Wok te overtreden.
Ten vierde wordt geklaagd over ’s hofs oordeel dat geen sprake is van ‘eigen misdrijf’ – en dat daarmee de kwalificatie-uitsluitingsgrond niet van toepassing is – omdat de verdachte is vrijgesproken van het medeplegen van overtreding van de Wok (feit 6). Gelet op de bewijsbeslissing ten aanzien van de deelneming aan een criminele organisatie en gelet op de overwegingen van het hof over de rol van de verdachte bij de ontwikkeling, levering en het onderhoud van de spellen van [internetsite 1a] , getuigt dat oordeel van een onjuiste rechtsopvatting, althans is dat oordeel onbegrijpelijk, aldus de steller van het middel.
Voor zover relevant voor de bespreking van deze deelklacht is in hoger beroep het volgende naar voren gebracht (met weglating van een voetnoot):
“85. In deze zaak is sprake van een witwasvoorwerp - te weten, een geldbedrag betreffende een percentage van de omzet die met kansspelen werd gegenereerd, dat als vergoeding voor de door appellant (via [G] ) geleverde spellen, diensten en werkzaamheden door [G] aan [E] werd gefactureerd en naar aanleiding daarvan door [E] werd uitbetaald aan [G] Deze vergoeding "stroomde" vervolgens "op" naar [I] ., de enig aandeelhouder en bestuurder van [G] . Van [I] . was appellant enig aandeelhouder en bestuurder. Vanuit [I] . ontving appellant loon en overige baten. Appellant heeft dit aangewend voor - kort gezegd - de kosten van zijn levensonderhoud en zijn uitgaven.
86. Het voorgaande brengt mee dat als al sprake zou worden geacht van een herkomst uit misdrijf van de door [E] gedane betalingen, sprake is van (1) overboeking van [E] naar; (2) een rekening op naam van [G] , terwijl van [G] telkens volstrekt helder is geweest dat appellant - via [I] . - UBO was; waarna (3) de bedragen "opstroomden" naar een rekening op naam van [I] ., terwijl ook van [I] . telkens volstrekt helder is geweest dat appellant bestuurder en enig aandeelhouder was, waarna (4) appellant vanuit [I] . loon en baten ontving. Men hoeft het bewuste proces-verbaal rond de geldstromen zelfs maar in één oogopslag te bekijken, en vindt direct een volledig herleidbare "clean paper trail" terug naar de betalingen door [E] aan de vennootschap van appellant. Meer "traceerbaar" dan dit, laat zich eigenlijk niet voorstellen.
87. De verdediging meent, gezien het voorgaande, dat de gedragingen die ten aanzien van het verkregen geldbedrag zijn verricht daarom niet wezenlijk verschillen van het "verwerven" en/of "voorhanden hebben" van dat geldbedrag, terwijl verhullingshandelingen ten aanzien van de herkomst van dat geldbedrag (volstrekt) ontbreken. Er is telkens en slechts sprake van girale betalingen die - geheel - zijn terug te leiden naar (de bankrekeningen op naam van) de vennootschappen van appellant en daarmee uiteindelijk ook naar de uiteindelijke bron, te weten de betalingen door [E] aan [G] In dat geval kan niet worden gesproken van gedragingen gericht op het "daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van die voorwerpen". De kwalificatieuitsluitingsgrond doet zich daarom voor. Het voorgaande brengt mee dat het eventueel bewezenverklaarde niet kan worden gekwalificeerd.
88. Redenen waarom appellant dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.”
Het hof heeft het verweer dat de bewezenverklaarde gelden afkomstig zijn uit eigen misdrijf, namelijk van (het medeplegen van) opzettelijke overtreding van de Wok, verworpen omdat het hof de verdachte van dat feit heeft vrijgesproken.
Hierover eerst het volgende. Vast staat dat de bewezenverklaarde geldbedragen afkomstig zijn uit misdrijf. De geldbedragen zijn terug te leiden tot de inkomsten uit het in strijd met de Wok geven van gelegenheid tot het spelen van online kansspelen, onder meer via [internetsite 1a] . Het hof heeft de verdachte vrijgesproken van het medeplegen van c.q. feitelijk leidinggeven aan het geven van die gelegenheid. De verdachte was volgens het hof weliswaar betrokken bij de ontwikkeling en het onderhoud van de spellen op [internetsite 1a] , maar hijzelf of zijn bedrijf kan niet aangemerkt worden als ‘aanbieder’ van de kansspelen noch als degene die ‘gelegenheid’ heeft gegeven. Volgens het hof bleven zijn handelingen beperkt tot het bevorderen, faciliteren en vergemakkelijken van het door anderen aanbieden van gelegenheid tot het spelen van online gokspellen, en is dat niet voldoende voor een veroordeling voor medeplegen of feitelijk leidinggeven.
In ’s hofs verwerping van het verweer dat de gelden afkomstig zijn uit eigen misdrijf moet worden verworpen omdat de verdachte van feit 6 is vrijgesproken, ligt besloten dat de gelden niet onmiddellijk uit eigen misdrijf van de verdachte afkomstig zijn. Nu de kwalificatie-uitsluitingsgrond enkel van toepassing is indien een voorwerp onmiddellijk (rechtstreeks) afkomstig is uit een eigen misdrijf, getuigt dat oordeel niet van een onjuiste rechtsopvatting. Ook is dat oordeel, in het licht van ’s hofs overwegingen met betrekking tot de vrijspraak van feit 6, niet onbegrijpelijk. Aan het voorgaande doet niet af dat de verdachte wél is veroordeeld wegens deelneming aan een criminele organisatie die tot oogmerk had het overtreden van de Wok, nu nergens uit blijkt dat de bewezenverklaarde gelden daaruit onmiddellijk afkomstig zijn.
De vierde deelklacht faalt eveneens.
Het voorgaande betekent dat het vierde middel faalt in al zijn onderdelen.
6 Het eerste middel
Het eerste middel bevat de klacht dat het hof ten onrechte, althans ontoereikend gemotiveerd, de tijdens het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van – ik begrijp – 27 november 2023 door de advocaat-generaal gedane vordering tot wijziging van de tenlastelegging heeft toegewezen. Volgens de steller van het middel getuigt het oordeel van het hof dat sprake is van ‘hetzelfde feit’ – voor zover het hof dat heeft beoordeeld naar het criterium van ‘de gedraging van de verdachte’ – van een onjuiste rechtsopvatting althans is dat oordeel onbegrijpelijk.
Aan de verdachte was bij inleidende dagvaarding tenlastegelegd dat:
“ [G] en/of [I]
op één op meerdere tijdstippen
in of omstreeks de periode van november 2007 tot en met november 2013
tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen,
meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk gebruik heeft gemaakt van
(een) vals(e) of vervalst(e) geschrift(en), te weten één of meer facturen van
[G] (met een totale waarde van circa EUR 1.300.000,-, in ieder geval
een aanzienlijk geldbedrag)
zijnde elk van die geschriften bestemd om tot bewijs van enig feit te dienen,
bestaande die valsheid/vervalsing hierin dat op die factuur/facturen in strijd
met de waarheid was vermeld
- "omzet ingekocht belverkeer" met een bijbehorend BTW bedrag en/of
- "programmeer en consultancy" met een bijbehorend BTW bedrag
en bestaande het gebruik hierin dat [G] die factuur/facturen
- ter fine van betaling heeft verzonden aan [E] en/of [F]
en/of
- in haar ( [G] 's) administratie heeft verwerkt,
hebbende hij, verdachte, (telkens) opdracht gegeven tot dat feit/die feiten
en/of feitelijk leiding gegeven aan die verboden gedraging(en):”
Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep heeft de advocaat-generaal op 27 november 2023 gevorderd dat een wijziging van de tenlastelegging zal worden toegelaten, in die zin dat de tenlastelegging van feit 3 komt te luiden dat:
“dat hij
op één of meer tijdstippen
in of omstreeks de periode van november 2007 tot en met november 2013
te [plaats] en/of [plaats] en/of [plaats] en/of [plaats] althans (elders) in Nederland
tezamen en in vereniging met een ander(en), althans alleen,
één of meer facturen van [G] (met een totale waarde van circa EUR 1.300.000,-,
in ieder geval een aanzienlijk geldbedrag)
(elk) zijnde (een) geschrift(en) dat/die bestemd was/waren om tot bewijs van enig feit te dienen
valselijk heeft opgemaakt,
zulks (telkens) met het oogmerk om die/dat geschrift(en) als echt en onvervalst te gebruiken of door
anderen te doen gebruiken,
bestaande die valsheid hierin dat op die factuur/facturen in strijd met de waarheid was vermeld
- “omzet ingekocht belverkeer" met een bijbehorend BTW bedrag en/of
- “programmeer en consultancy' met een bijbehorend BTW bedrag;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden
dat hij
op één op meerdere tijdstippen
in of omstreeks de periode van november 2007 tot en met november 2013
te [plaats] en/of [plaats] en/of [plaats] en/of [plaats] althans (elders) in Nederland
tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen
opzettelijk voorhanden heeft gehad (een) vals(e) geschrift(en),
te weten één of meer facturen van [G] (met een totale waarde van circa EUR 1.300.000,
in ieder geval een aanzienlijk geldbedrag)
zijnde (telkens) (een) geschrift(en) dat/die bestemd was/waren om tot bewijs van enig feit te dienen,
terwijl hij en/of zijn mededader(s) wist(en) althans redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat dit/deze
geschrift(en) bestemd was/waren tot gebruik als ware dit/deze geschrift(en) echt en onvervalst
en bestaande die valsheid hierin dat in strijd met de werkelijkheid waarheid was vermeld
- "omzet ingekocht belverkeer" met een bijbehorend BTW bedrag en/ of
- "programmeer en consultancy" met een bijbehorend BTW bedrag;”
Het proces-verbaal houdt voorts in dat de raadsman zich heeft verzet tegen wijziging van de tenlastelegging. Ter terechtzitting van 28 november 2023 heeft het hof de vordering toegewezen en daartoe het volgende overwogen:
“Een tenlastelegging kan worden gewijzigd op basis van art. 313 van het Wetboek van Strafvordering. Een wijziging is toegelaten wanneer het hetzelfde feit blijft in de zin van art. 68 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr).
Bij de beoordeling of sprake is van ‘hetzelfde feit’, moet de rechter in de situatie waarop artikel 68 Sr ziet de in beide tenlasteleggingen omschreven verwijten vergelijken. Bij die toetsing moeten de volgende gegevens als relevante vergelijkingsfactoren worden betrokken.
(A) De juridische aard van de feiten. Als de tenlastegelegde feiten niet onder dezelfde delictsomschrijving vallen, kan de mate van verschil tussen de strafbare feiten van belang zijn, in het bijzonder wat betreft (i) de rechtsgoederen ter bescherming waarvan de onderscheiden delictsomschrijvingen strekken, en (ii) de strafmaxima die op de onderscheiden feiten zijn gesteld, in welke strafmaxima onder meer tot uitdrukking komt de aard van het verwijt en de kwalificatie als
misdrijf dan wel overtreding.
(B) De gedraging van de verdachte. Als de tenlasteleggingen niet dezelfde gedraging beschrijven, kan de mate van verschil tussen de gedragingen van belang zijn, zowel wat betreft de aard en de kennelijke strekking van de gedragingen als wat betreft de tijd waarop, de plaats waar en de omstandigheden waaronder zij zijn verricht.
Uit de bewoordingen van het begrip ‘hetzelfde feit’ vloeit al voort dat de beantwoording van de vraag wat daaronder moet worden verstaan, mede wordt bepaald door de omstandigheden van het geval. Vuistregel is echter dat een aanzienlijk verschil in de juridische aard van de feiten en/of in de gedragingen tot de slotsom kan leiden dat geen sprake is van ‘hetzelfde feit’ in de zin van artikel 68 Sr.
Toegepast op de door de advocaten-generaal overgelegde vorderingen tot wijziging van de tenlastelegging, komt het hof tot het oordeel dat die toelaatbaar zijn. De juridische aard van de feiten wordt door de wijziging niet wezenlijk veranderd en ook de gedragingen van de verdachte, zoals in de tenlastelegging en gevorderde wijziging van de tenlastelegging staan omschreven, verschillen naar tijd, plaats en omstandigheden niet zodanig van elkaar, dat niet langer gesproken kan worden van hetzelfde feit als bedoeld in art. 68 Sr. Het enkele feit dat een andere deelnemingsvorm of andere vorm van daderschap (functioneel daderschap) in de wijziging van de tenlastelegging is opgenomen maakt dat niet anders.
(…)
Het hof wijst de vorderingen van de advocaten-generaal toe en beslist dat de tenlasteleggingen van de verdachten [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [verdachte] worden gewijzigd als staat omschreven in de vorderingen, die als bijlagen 7, 8 en 9 aan dit proces-verbaal zijn gehecht en waarvan de inhoud als hier herhaald en ingelast wordt beschouwd.”
Het beoordelingskader bij het eerste middel
Bij de beoordeling van de toelaatbaarheid van een wijziging van de tenlastelegging is (volgens bestendige jurisprudentie) de aan te leggen maatstaf of de in de aanvankelijke tenlastelegging omschreven gedraging ‘hetzelfde feit’ (in de zin van art. 313 lid 2 Sv in verbinding met art. 68 Sr) vormt als de gedraging zoals die in de vordering tot wijziging van de tenlastelegging is omschreven. Het beoordelingskader van de Hoge Raad is voor het laatst opgenomen in HR 14 juli 2026, ECLI:NL:HR:2026:1192, en luidt als volgt:
“2.3 Bij de beoordeling of sprake is van ‘hetzelfde feit’, moet de rechter in de situatie waarop art. 313 Sv ziet de in de tenlastelegging en de in de vordering tot wijziging van de tenlastelegging omschreven verwijten vergelijken. Bij die toetsing moeten de volgende gegevens als relevante vergelijkingsfactoren worden betrokken.
(A) De juridische aard van de feiten. Als de tenlastegelegde feiten niet onder dezelfde
delictsomschrijving vallen, kan de mate van verschil tussen de strafbare feiten van belang zijn, in het bijzonder wat betreft (i) de rechtsgoederen ter bescherming waarvan de onderscheiden delictsomschrijvingen strekken, en (ii) de strafmaxima die op de onderscheiden feiten zijn gesteld, in welke strafmaxima onder meer tot uitdrukking komt de aard van het verwijt en de kwalificatie als misdrijf dan wel overtreding.
(B) De gedraging van de verdachte. Als de tenlastelegging en de vordering tot wijziging daarvan niet dezelfde gedraging beschrijven, kan de mate van verschil tussen de gedragingen van belang zijn, zowel wat betreft de aard en de kennelijke strekking van de gedragingen als wat betreft de tijd waarop, de plaats waar en de omstandigheden waaronder zij zijn verricht.
Uit de bewoordingen van het begrip ‘hetzelfde feit’ vloeit al voort dat de beantwoording van de vraag wat daaronder moet worden verstaan, mede wordt bepaald door de omstandigheden van het geval. Vuistregel is echter dat een aanzienlijk verschil in de juridische aard van de feiten en/of in de gedragingen tot de slotsom kan leiden dat geen sprake is van ‘hetzelfde feit’ in de zin van art. 68 Sr.”
De bespreking van het eerste middel
Het hof heeft geoordeeld dat sprake is van hetzelfde feit en heeft de wijziging van de tenlastelegging derhalve toelaatbaar geacht. Zoals de steller van het middel zelf opmerkt, heeft het hof hierbij het juiste kader aangelegd. Van een onjuiste rechtsopvatting is in zoverre dus geen sprake. De klachten in het middel richten zich op het oordeel van het hof dat sprake is van ‘hetzelfde feit’ beoordeeld naar het criterium onder (B). Dat oordeel zou getuigen van een onjuiste rechtsopvatting, althans niet zonder meer begrijpelijk zijn. Het hof heeft ten aanzien van de beoordeling van de gedraging van de verdachte onder (B) overwogen dat die gedragingen, zoals in de tenlastelegging en gevorderde wijziging van de tenlastelegging staan omschreven, naar tijd, plaats en omstandigheden niet zodanig van elkaar verschillen dat niet langer gesproken kan worden van hetzelfde feit als bedoeld in art. 68 Sr. Daarbij merkt het hof op dat dat niet anders wordt door het enkele feit dat een andere deelnemingsvorm of andere vorm van daderschap (functioneel daderschap) in de tenlastelegging is opgenomen.
De inleidende dagvaarding bevatte kort gezegd het volgende verwijt. [G] en/of [I] zouden tezamen en in vereniging met een ander/anderen, althans alleen, opzettelijk gebruik hebben gemaakt van een of meer valse of vervalste geschriften, terwijl de verdachte daartoe opdracht heeft gegeven of daaraan feitelijk leiding heeft gegeven. In de vordering wijziging tenlastelegging staat primair opgenomen dat de verdachte tezamen en in vereniging met een ander/anderen, althans alleen, een geschrift/geschriften valselijk heeft opgemaakt. Subsidiair wordt hem verweten tezamen en in vereniging met een ander/anderen, althans alleen, opzettelijk een of meer valse geschriften voorhanden te hebben gehad.
Het hof heeft ten aanzien van feit 3 overwogen dat uit het dossier blijkt dat de verdachte enig aandeelhouder en bestuurder was van de rechtspersoon [I] . [I] was de enig aandeelhouder en bestuurder van [G] . Tijdens het opsporingsonderzoek zijn op inbeslaggenomen computers en servers e-mails aangetroffen die zien op facturering door [G] . Ook zijn Excel-bestanden aangetroffen met daarop bedragen die direct te relateren zijn aan de door [G] verzonden facturen. De verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg erkend dat hij die Excel-overzichten maakte naar aanleiding van de inkomsten van [internetsite 1a] en dat die gegevens vervolgens op de (valse) factuur van [G] kwamen. Uit de bewijsvoering van het hof blijkt dat die facturen daarna aan [E] en [F] werden verzonden.
Uit de vaststellingen van het hof volgt dat de verdachte de facturen op naam van [G] (kennelijk) zelf heeft opgemaakt en vervolgens heeft verstuurd aan [E] en [F] . De inleidende dagvaarding ziet op het door [G] doen versturen van de (valse) facturen (met de verdachte als feitelijk leidinggever), terwijl de gewijzigde tenlastelegging aansluit bij de gedragingen van de verdachte (het valselijk opmaken van die facturen) die (direct) daarvoor in de tijd te plaatsen zijn. Mijns inziens bestaat tussen het feitelijk leidinggeven aan het gebruikmaken van de facturen en het (medeplegen van het) zelf vervalsen of voorhanden hebben van dezelfde facturen door de verdachte, niet een zodanig verschil dat niet langer gesproken kan worden van ‘hetzelfde feit’. Het gaat immers om exact dezelfde valse facturen, ten aanzien waarvan het handelen van de verdachte moet worden gekwalificeerd. Het verschil in aard en strekking tussen de gedragingen is uiteindelijk beperkt. Ook de tijd waarop, de plaats waar en de omstandigheden waaronder de omschreven gedragingen zijn verricht – zo leid ik af uit de hiervoor weergegeven vaststellingen van het hof – zijn kennelijk van beperkte betekenis. Het gaat immers in wezen om één handelswijze, waarvan twee elkaar kort in de tijd opvolgende en met elkaar samenhangende handelingen op verschillende manieren zijn tenlastegelegd. Al met al geeft het oordeel van het hof dat door het toewijzen van de vordering tot wijziging van de tenlastelegging sprake blijft van “hetzelfde feit” in de zin van art. 68 Sr dus niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Dat oordeel is ook niet onbegrijpelijk.
Het eerste middel faalt.
7 Het zesde middel
In het zesde middel wordt geklaagd over het door het hof als feit 3 bewezenverklaarde plegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd. Meer specifiek zou het bestanddeel ‘met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken’ niet uit de bewijsmiddelen kunnen worden afgeleid. Daartoe wordt onder meer aangevoerd dat geen sprake is van een middel tot misleiding van degene ten aanzien waarvan hij van het geschrift gebruikmaakt.
Ten laste van de verdachte is onder 3 bewezenverklaard dat:
“3. hij
in de periode van november 2007 tot en met november 2013
in Nederland
facturen van [G] (met een totale waarde van circa EUR 1.300.000,-)
elk zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen
valselijk heeft opgemaakt,
zulks telkens met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken,
bestaande die valsheid hierin dat op die facturen in strijd met de waarheid was vermeld
- ‘omzet ingekocht belverkeer’ met een bijbehorend BTW bedrag en/of
- ‘programmeer en consultancy’ met een bijbehorend BTW bedrag;”
Het hof heeft met betrekking tot de bewezenverklaring van feit 3 als volgt overwogen:
“Valsheid in geschrift (zaaksdossier 7, feit 3 primair)
Verweren verdediging
De verdediging heeft, op de gronden als verwoord in de pleitnota, vrijspraak bepleit van het onder 3 primair tenlastegelegde. Deze gronden houden – zakelijk weergegeven – in dat niet buiten redelijke twijfel uit de bewijsmiddelen kan volgen dat sprake is van valsheid, dat niet kan worden bewezen dat het opzet van de verdachte was gericht op het valselijk opmaken en dat de bewijsbestemming van de onderhavige facturen niet buiten redelijke twijfel uit de bewijsmiddelen volgt.
Oordeel hof
Onder 3 is aan de verdachte – na wijziging van de tenlastelegging in hoger beroep – tenlastegelegd primair (het medeplegen van) valsheid in geschrift. De valsheid bestaat erin dat op de facturen een reden voor de factuur was vermeld die niet overeenkomt met de waarheid.
Het hof overweegt gedeeltelijk met de rechtbank als volgt.
Uit het dossier blijkt dat de verdachte enig aandeelhouder en bestuurder is van de per 1 december 2008 opgerichte rechtspersoon [I] . [I] is enig aandeelhouder en bestuurder van de eveneens per 1 december 2008 opgerichte vennootschap [G] .
In het opsporingsonderzoek zijn op inbeslaggenomen computers en servers e-mails aangetroffen die zien op facturering door [G] aan [E] respectievelijk [F] Uit onderzoek is het navolgende gebleken.
In het dossier bevindt zich een aantal facturen, waarbij [G] een bedrag in rekening brengt aan [E] of [F] Op de facturen is vermeld ‘omzet ingekocht belverkeer’ of ‘programmeer en consultancy’. In het dossier bevinden zich eveneens in het programma Excel opgemaakte bestanden, waarop een overzicht te zien is van bedragen, met de beschrijvingen ‘Total turnover (income uit iDeal, per Call, per min, SMS, Click and Buy, PasSafe en creditcards)’, ‘Share [verdachte] (60%)’en ‘Fl-affiliate account’. De bedragen op de aangetroffen Excel-overzichten zijn direct te relateren aan door [G] verzonden facturen.
De verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg erkend dat gegevens op de Exceloverzichten en vervolgens de facturen zien op opbrengsten/omzet van de [internetsite 1a] . De verdachte had een aanspraak op 60% van de omzet op [internetsite 1a] . Door middel van het programma SMAKsoftware had hij inzicht in de revenuen van [internetsite 1a] , de Excel-overzichten maakte hij naar aanleiding daarvan op en die gegevens kwamen op de factuur. Zoals het hof hiervóór reeds heeft overwogen, is [internetsite 1a] een website waarop online kansspelen werden aangeboden in Nederland.
De verdachte heeft daarbij verklaard dat die opbrengst naar zijn opvatting ook was gerelateerd aan door hem verrichte werkzaamheden, nu hij 24/7 bezig was met programmeer-werkzaamheden, maar dat hij zonder het verrichten van werkzaamheden nog steeds aanspraak had kunnen maken op de 60% van de omzet op [internetsite 1a] . Het hof acht dit laatste ook aannemelijk, omdat de aanspraak voortvloeit uit de tussen de verdachte en [medeverdachte 1] gemaakte afspraken, zoals vastgelegd in het document d.d. 23 september 2006.
Het hof is gelet op het voorgaande van oordeel dat de vermelding op de facturen van [G] aan [E] en de [F] niet overeenkomstig de waarheid is, nu de daarop vermelde, in rekening gebrachte bedragen niet zagen op ‘ingekocht belverkeer’ of ‘programmeer en consultancy’, maar op opbrengsten van het aanbieden van online kansspelen, zonder dat er een relatie was tussen de gefactureerde bedragen en de omschrijving op de facturen. Het kan niet anders dan dat de verdachte, die zelf de Exceloverzichten maakte, dat moet hebben geweten en dat hij dus welbewust die facturen valselijk opmaakte. De verdachte heeft immers verklaard dat hij aanspraak kon maken op de bedragen, ongeacht of hij werkzaamheden verrichtte.
Een factuur is daarbij een geschrift dat naar zijn aard bedoeld is om tot bewijs van enig feit te dienen, te weten een aanspraak op het betalen van enig bedrag, in rekening gebracht op grond van een daaraan ten grondslag liggende overeenkomst.
Vaststaat tevens dat de facturen zijn betaald en dat een groot bedrag aan [G] is betaald.
Het hof acht dan ook bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan valsheid in geschrift, meermalen gepleegd.
De bewijsverweren worden verworpen.”
Het beoordelingskader bij het zesde middel
Art. 225 Sr luidt, voor zover relevant:
“1. Hij die een geschrift dat bestemd is om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk opmaakt of vervalst, met het oogmerk om het als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken, wordt als schuldig aan valsheid in geschrift gestraft, met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vijfde categorie.
2. Met dezelfde straf wordt gestraft hij die opzettelijk gebruik maakt van het valse of vervalste geschrift als ware het echt en onvervalst dan wel opzettelijk zodanig geschrift aflevert of voorhanden heeft, terwijl hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat dit geschrift bestemd is voor zodanig gebruik.”
Art. 225 lid 1 Sr stelt strafbaar het vervalsen of valselijk opmaken van een geschrift. Voor strafbaarheid op grond van deze bepaling is niet vereist dat het geschrift is gebruikt en dus ook niet dat deze gedraging een bepaald effect heeft gehad. Vereist is wel dat het vervalste geschrift een bepaalde bewijsbestemming heeft. Wat betreft het oogmerk van de verdachte dat is vereist voor een bewezenverklaring van lid 1, geldt dat de verdachte het oogmerk moet hebben om het vals of vervalst geschrift als echt en onvervalst te gebruiken of doen gebruiken.
Het gebruikmaken van het valse geschrift is separaat strafbaar gesteld in lid 2 van art. 225 Sr. Daarvan is sprake als het geschrift daadwerkelijk wordt gebruikt jegens een derde, als middel tot misleiding. Dit is een cruciaal verschil tussen het tweede en het eerste lid van art. 225 Sr. In het geval dat de ander kennis draagt van de valsheid/vervalsing en de verdachte heeft daar weet van en is er dus niet op uit de ander te misleiden, dan is er geen sprake van gebruikmaken in de zin van lid 2.
De bespreking van het zesde middel
In de toelichting op het zesde middel wordt opgemerkt dat de ontvanger ( [E] resp. [F] ) steeds zowel van de (daadwerkelijk) geleverde prestatie als de wijze waarop deze werd gefactureerd (die door het hof als vals is aangemerkt) op de hoogte was. Nu het hof heeft geoordeeld dat de bewijsbestemming van de facturen ziet op de verhouding tussen [G] enerzijds en [E] en [F] anderzijds, kan niet worden gesproken van een ‘oogmerk tot gebruik van die facturen als echt en onvervalst’, nu daarvan slechts sprake kan zijn indien de gebruiker het geschrift bezigt als middel tot misleiding van hem ten aanzien van wie daarvan gebruikmaakt, aldus de steller van het middel.
Het hof heeft bewezenverklaard dat de verdachte facturen van [G] , ‘elk zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen valselijk heeft opgemaakt, zulks telkens met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken’. Daarmee is de bewezenverklaring toegesneden op art. 225 lid 1 Sr. Voor zover de steller van het middel zich op het standpunt stelt dat, kort gezegd, geen sprake kan zijn van ‘oogmerk tot gebruik van die facturen als echt en onvervalst’ omdat [E] en [F] niet werden misleid door de facturen, wordt miskend dat voor een bewezenverklaring van art. 225 lid 1 Sr niet is vereist dat het geschrift ook daadwerkelijk wordt gebruikt ter misleiding van een ander, zoals dat wel het geval is bij lid 2 van dat artikel.
Voor het overige berust het middel op een onjuiste lezing van het bestreden arrest. Anders dan de steller van het middel wil, heeft het hof niet geoordeeld dat de bewezenverklaarde facturen slechts bewijsbestemming hadden in de verhouding tussen enerzijds [G] en andersijds [E] en [F] . Het hof heeft vastgesteld dat de bewezenverklaarde facturen van [G] aan [E] en [F] vals zijn en, daarnaast, dat een factuur een geschrift is dat naar zijn aard bedoeld is om tot bewijs van enig feit te dienen, te weten een aanspraak op het betalingen van enig bedrag, in rekening gebracht op grond van een daaraan tegen grondslag liggende overeenkomst. Die bewijsbestemming is niet – ook niet door het hof – noodzakelijk beperkt tot degene aan wie de factuur is gericht. Het hof heeft kunnen oordelen dat de verdachte de facturen kennelijk heeft opgemaakt met het oogmerk om deze als echt en onvervalst te gebruiken of doen gebruiken. Daarbij neem ik in aanmerking dat uit de vaststellingen van het hof volgt dat de verdachte het in de facturen kennelijk heeft willen doen lijken alsof hij bepaalde (legale) werkzaamheden verrichtte voor [E] en [F] waarvoor hij via zijn bedrijf uitbetaald diende te krijgen, terwijl hij die facturen in feite afstemde op de inkomsten uit de website [internetsite 1a] .
Het zesde middel faalt.
8 Het zevende middel
Het zevende middel klaagt dat het onder 4 bewezenverklaarde feitelijk leidinggeven aan het door [G] medeplegen van – kort gezegd – faillissementsfraude niet uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid. Specifiek wordt geklaagd dat het oordeel van het hof dat is ‘onttrokken’ (aan een nog te ontstane boedel), althans dat is gehandeld met het vereiste opzet tot bedrieglijke verkorting van de schuldeisers zich niet laat begrijpen in het licht van de bewijsvoering van het hof.
Het hof heeft de verdachte vrijgesproken van het onder 4 primair tenlastegelegde feit en is tot een bewezenverklaring gekomen van het subsidiair tenlastegelegde:
“4. [G]
in of omstreeks de periode van 13 februari 2014 tot en met 20 februari 2014
in Nederland
tezamen en in vereniging met anderen
in het vooruitzicht van faillissement van [F] (welke rechtspersoon bij vonnis van de rechtbank Oost Brabant op 25 februari 2014 in staat van faillissement is verklaard),
ter bedrieglijke verkorting van de rechten der schuldeisers,
enig goed, te weten een bedrag (van EUR 14.520) aan de boedel heeft onttrokken, door dat bedrag bij factuur van 13 februari 2014 aan [F] in rekening te brengen en door vervolgens op 20 februari 2014 betaling van dat bedrag te accepteren
terwijl het faillissement van [F] op 25 februari 2014 is gevolgd,
hebbende hij, verdachte, feitelijke leiding gegeven aan die verboden gedraging.”
Het hof heeft met betrekking tot de vrijspraak van feit 4 primair, voor zover relevant, het volgende overwogen met betrekking tot de toedracht van het feit:
“Faillissementsfraude (zaaksdossier 4, feit 4 primair en subsidiair)
Feiten
Het hof overweegt met de rechtbank als volgt. Het aan verdachte onder feit 4 tenlastegelegde komt erop neer dat in het zicht van het faillissement van [F] op 20 februari 2014 een bedrag € 14.520,00 is overgeboekt van de rekening van [F] op de rekening van [G] ter voldoening van een factuur van [G] , waardoor [G] ten opzichte van andere schuldeisers is bevoordeeld. Indien dit niet wettig en overtuigend kan worden bewezen is het verwijt dat [G] een bedrag van € 14.520,00 aan de boedel heeft onttrokken, door betaling van een factuur aan te nemen, in het zicht van het faillissement van [F] , aan welke gedraging de verdachte feitelijke leiding zou hebben gegeven.
[F] is onderdeel van een structuur van [O] . Enig aandeelhouder en bestuurder van [F] is de besloten vennootschap [N] Enig aandeelhouder en bestuurder van [N] is [P] waarvan [medeverdachte 1] , geboren op [geboortedatum] 1978 op zijn beurt enig aandeelhouder en bestuurder is. [F] is bij vonnis van de rechtbank Oost-Brabant op 25 februari 2014 failliet verklaard.
De verdachte is enig aandeelhouder en bestuurder van de op 1 december 2008 opgerichte vennootschap [I] , welke vennootschap enig aandeelhouder en bestuurder is van de eveneens op 1 december 2008 opgerichte vennootschap [G] .
De curator in het faillissement mr. [betrokkene 1] te [plaats] heeft aangifte gedaan van het feit dat op 20 februari 2014 een factuur van [G] nummer […] d.d. 13 februari 2014 met als omschrijving ‘aanvullende programmeer- en consultancywerkzaamheden in de periode van januari 2013’ ad € 14.520,00 is betaald vanaf de [rekeningnummer 1] op naam van [F]
In het dossier bevinden zich twee verschillende versies van de factuur van [G] welke niet overeenkomen. De versie aangetroffen in de administratie van [F] vermeldt een betalingstermijn van 30 dagen en een omschrijving met betrekking tot werkzaamheden ‘januari 2013’. De versie aangetroffen in de administratie van [G] vermeldt een betalingstermijn van 10 dagen en een omschrijving met betrekking tot werkzaamheden ‘januari 2014’. De indruk dat sprake is van een onjuiste, wellicht valselijk opgemaakte versie van de factuur zal het hof onbesproken laten, nu het al dan niet valselijk opmaken van de factuur niet afdoet aan of bijdraagt aan de omstandigheid dat op 20 februari 2014 € 14.520,00 is overgemaakt door [F] Hetgeen de verdediging hieromtrent heeft aangevoerd behoeft daarom ook geen bespreking.
Het hof stelt het volgende vast. Reeds in 2013 was het de verdachte duidelijk dat de financiële situatie van [F] niet goed was. De verdachte is per 1 juni 2013 als werknemer in dienst getreden van [F] en heeft op 8 oktober 2013 volmacht verkregen om [N] en haar dochtervennootschappen te vertegenwoordigen. In een mail van 20 november 2013, gericht aan onder meer de verdachte, maakt [betrokkene 2] meermalen gewag van de situatie bij een faillissement van [F] Op 1 december 2013 is de verdachte als directeur in dienst getreden van [N] , maar op 9 januari 2014 is hij teruggetreden als directeur en heeft hij afstand gedaan van zijn volmacht. De verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg verklaard dat hij niet alleen bij de factuur van 13 februari 2014, maar bij elke factuur in de zes maanden voorafgaand zich heeft afgevraagd of deze betaald zou worden. Dit alles in samenhang beziend concludeert het hof dat ook voor de verdachte duidelijk en voorzienbaar moet zijn geweest dat [F] in staat van faillissement zou worden gesteld.
De feitelijke betaling is verricht door [betrokkene 3] , welke handeling moet worden toegerekend aan [F] nu deze handeling in de sfeer en ten behoeve van de rechtspersoon is verricht.
Vrijspraak primair tenlastegelegde
De verdachte had sedert 9 januari 2014 niet de bevoegdheid meer om opdrachten tot betalingen te doen. Niet is gebleken dat hij sedert die datum desondanks dergelijke opdrachten heeft gegeven, of anderszins nog leiding heeft gegeven aan activiteiten binnen [F] Ontegenzeggelijk oefende [medeverdachte 1] nog de feitelijke zeggenschap over de gang van zaken binnen [F] uit en had hij de bevoegdheid en de mogelijkheid om te beschikken over het al dan niet betalen aan [G] . Weliswaar bevond [medeverdachte 1] zich in de tenlastegelegde periode in detentie vanwege de voorlopige hechtenis in het kader van onderzoek Rykiel, maar die omstandigheid heeft er niet aan in de weg gestaan dat hij doorlopend overleggen en bijeenkomsten heeft gehad met allerlei betrokkenen, zoals medeverdachte [verdachte] of zijn moeder. Ook heeft hij deelgenomen aan een Algemene vergadering van aandeelhouders van [F]
Gelet op het voorgaande, acht het hof met de rechtbank niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte feitelijke leiding heeft gegeven aan de betaling van de factuur door [F] op 20 februari 2014. Het hof zal de verdachte dan ook van het onder feit 4 primair tenlastegelegde vrijspreken.”
Ten aanzien van de bewezenverklaring van feit 4 (subsidiair) heeft het hof vervolgens als volgt overwogen:
“Faillissementsfraude (zaaksdossier 4, feit 4 subsidiair)
De verdediging heeft, op de gronden als verwoord in de pleitnota, primair vrijspraak bepleit van dit feit. Deze gronden houden – kort gezegd – in dat er onvoldoende bewijs is dat sprake is geweest van ‘onttrekking’, dat de verdachte wetenschap had van het aanstaande faillissement van [F] en dat de verdachte opzet had op bedrieglijke verkorting van de rechten van schuldeisers.
Mocht het hof toch tot een bewezenverklaring komen, heeft de verdediging ter weerlegging van het tenlastegelegde handelen in het vooruitzicht van het faillissement en ter bedrieglijke verkorting van schuldeisers, meer in het bijzonder ter weerlegging van het daartoe vereiste opzet, voorwaardelijk verzocht om het Openbaar Ministerie opdracht te geven de zich op de ‘server CO006’ bevindende correspondentie tussen de verdachte (althans [G] ) enerzijds en [F] (waaronder [betrokkene 3] en [betrokkene 4] ) anderzijds in kaart te brengen met betrekking tot de facturen zoals die door [G] aan [F] werden verstuurd in 2013 en 2014 (inclusief de correspondentie met betrekking tot gecorrigeerde facturen).
Het hof heeft hiervóór, onder het kopje ‘Vrijspraak’, subkopje ‘Faillissementsfraude (zaaksdossier 4, feit 4)’ en subkopje ‘Feiten’ de relevante feiten uiteengezet, zoals die uit de gebruikte bewijsmiddelen blijken. Het hof zal die relevante feiten hier niet herhalen, maar verwijst daarvoor naar hetgeen het op die plaats heeft overwogen.
Zoals het hof hiervóór al heeft overwogen, moet het voor de verdachte al in 2013 duidelijk en voorzienbaar zijn geweest dat [F] in staat van faillissement zou worden gesteld. Het verweer dat de verdachte geen wetenschap had van het aanstaande faillissement van [F] wordt bijgevolg verworpen.
Door niettemin bij factuur van 13 februari 2014 aan [F] een bedrag van € 14.520,- in rekening te brengen en de betaling van dat bedrag op 20 februari 2014 te accepteren heeft de verdachte naar het oordeel van het hof dat bedrag aan de boedel onttrokken en heeft hij minstgenomen bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat hierdoor andere schuldeisers in hun rechten zouden worden bekort. De omstandigheid dat de verdachte periodiek soortgelijke facturen zond aan [F] en dat de onderhavige factuur gewoon de volgende in een bestendige reeks is geweest, doet hieraan niet af.
Het hof acht dan ook bewezen dat sprake is geweest van onttrekking en dat het opzet van de verdachte was gericht op de bedrieglijke verkorting van de rechten van de schuldeisers. De hieromtrent gevoerde bewijsverweren worden dan ook verworpen.
Voorts overweegt het hof in navolging van de rechtbank het volgende. Het hof acht het onder feit 4 subsidiair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen, te weten: dat [G] in het zicht van het faillissement van [F] betaling van een bedrag van € 14,520,00 in ontvangst heeft genomen en geaccepteerd en daarmee aan de boedel heeft onttrokken, waardoor [G] is bevoordeeld ten opzichte van andere schuldeisers. De verdachte had als enige binnen [G] – middellijk via [I] – de bevoegdheid en de mogelijkheid om hierover te beschikken en heeft dat ook gedaan door het bedrag te accepteren en niet terug te doen storten in de boedel.
Het voorwaardelijk verzoek van de verdediging wordt afgewezen, nu de noodzaak daartoe ontbreekt. Zoals het hof hiervóór heeft overwogen, doet de omstandigheid dat de verdachte periodiek soortgelijke facturen zond aan [F] en dat de onderhavige factuur gewoon de volgende in een bestendige reeks is geweest, niet af aan bovenstaand oordeel.”
Voor zover relevant, heeft het hof de volgende bewijsmiddelen gebezigd:
“Bewijsmiddelen feit 4, kort gezegd: medeplegen faillissementsfraude
1. Een geschrift, te weten een aangifte faillissementsfraude van [betrokkene 1] te [plaats] , handelend in de hoedanigheid van curator in de bij vonnis van de rechtbank Oost-Brabant d.d. 25 februari 2014 in staat van faillissement verklaarde besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [F] , met bijlagen (ZD04, p. 1-25), voor zover inhoudende:
(p. 1)
[F] :
Per 7 april 2011 draagt de vennootschap de statutaire naam: ‘ [F] ’. Enig aandeelhouder en bestuurder van [F] is de besloten vennootschap [N] Enig aandeelhouder en bestuurder van [N] is [P] . waarvan [medeverdachte 1] , geboren op [geboortedatum] 1978 op zijn beurt enig aandeel houder en bestuurder is.
(p. 2)
[verdachte]
, geboren op [geboortedatum] 1978 is enig aandeelhouder en bestuurder van [I] , die op haar beurt enig aandeelhouder en bestuurder is van [G] . [G] verrichtte voor [F] kennelijk ‘programmeer- en consultancywerkzaamheden’. Per 1 juni 2013 is [verdachte] tevens als werknemer in dienst van [F] . Uit de arbeidsovereenkomst d.d.
(p. 3)
25 november 2013 blijkt dat hij per 1 december als ‘directeur’ in dienst is. Voorts is relevant dat [verdachte] op 8 oktober 2013 een volmacht heeft gekregen om [N] en haar dochtervennootschappen te vertegenwoordigen. Op 9 januari 2014 heeft [verdachte] afstand gedaan van deze volmacht. In de afstandsverklaring staat onder meer vermeld:
‘In de verklaring van 8 oktober 2013 verleent [N] rechtsgeldig vertegenwoordigd door [medeverdachte 1] (CEO) een Volmacht aan [verdachte] tot het aangaan en tekenen van overeenkomsten en alle benodigde werkzaamheden daaromtrent op naam en voor rekening van [N] en al haar dochterondernemingen en deelnemingen; in feite de overdracht van alle bestuurstaken waardoor [verdachte] tot tijdelijke CEO van [N] is benoemd en welke hij onvoorwaardelijk heeft geaccepteerd.
(p. 22)
Betaling aan [G] op 20 februari 2014:
Bij factuur met nummer […] d.d. 13 februari 2014 heeft [G] een bedrag ad € 14.520,- in rekening gebracht aan [F] , met als omschrijving: ‘Aanvullende programmeer- en consultancy werkzaamheden in de periode van Januari 2013. Deze factuur kan niet juist zijn omdat [verdachte] op 19 maart 2014 verklaarde: ik ben ongeveer half 2013 op consultancy basis gaan werken. Uit deze verklaring volgt dat [verdachte] in januari 2013 nog geen consultancy werkzaamheden verrichtte voor [F] .
De factuur kende een betalingstermijn van 10 dagen en diende derhalve uiterlijk 23 februari 2014 te zijn betaald. Nu een termijn voor nakoming is bepaald, volgt uit art. 6:39 BW dat eerdere nakoming kan worden gevorderd (het hof leest dit als een kennelijke verschrijving en begrijpt: dat deze termijn wordt vermoed vordering van eerdere nakoming te beletten).
Uit het bankafschrift van [bank 2] N.V. ( [rekeningnummer 1] ) d.d. 4 maart 2014 blijkt dat factuur van [G] op 20 februari 2014 is betaald en derhalve voor de vervaldag. Dit betekent dat [F] overging tot betaling van een niet-opeisbare schuld. Op grond van art. 42 FW jo. 43 FW is sprake van een onverplichte rechtshandeling, die benadeling van de schuldeisers van [F] tot gevolg heeft gehad.
2. Een geschrift, te weten een afschrift d.d. 04-03-2014 zakelijke rekening nr. [rekeningnummer 1] t.n.v. [F] (ZD04, p. 250), voor zover inhoudende:
Geboekt op 20 feb/ OV/ iBAN [rekeningnummer 2] BIC: [rekeningnummer 2] Naam: [G] Omschrijving: Factuur […] / […] / AF 14.520,00
3. Een geschrift, te weten de notulen van de Algemene Vergadering van Aandeelhouders van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [F] , gehouden op 14 februari 2014 (ZD04, p. 802-803), voor zover inhoudende:
(p. 802)
Aanwezig:
[medeverdachte 1] als directeur van de besloten vennootschap [P] , welke vennootschap enig bestuurder is van [N] , welke vennootschap enig aandeelhouder is van [F]
2a financiële situatie [F]
De financiële situatie van [F] Is zeer verslechterd. De omzet is rigoureus gedaald. Met name de loonkosten kunnen niet met onmiddellijke ingang worden gereduceerd. De liquide middelen zijn beslagen waardoor de vennootschap niet meer aan haar verplichtingen kan voldoen. Het salaris over januari 2014 kon niet worden betaald. De schuldenlast is te hoog voor de vennootschap. Gezien de vooruitzichten blijkt het niet mogelijk het tij te keren. Besloten wordt het faillissement van [F]
aan te vragen.
Opdracht directie
De vergadering geeft [betrokkene 3] opdracht zo spoedig mogelijk het faillissement van [F] aan te vragen.
(p. 803)
Niets meer aan de orde zijnde sluit de voorzitter de vergadering.
Handtekening
Voorzitter, [medeverdachte 1] .
4. Een geschrift, zijnde het als bijlage bij de onder 1 genoemde aangifte opgenomen gespreksverslag van de curator met [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1975,
e-mail: [e-mailadres] (ZD04, p. 211-216), voor zover inhoudende:
(p. 211)
Mijn bedrijf heeft [G] . Mijn opdrachtgever was tot voor kort exclusief [F] .
(p. 212)
Ik ben ongeveer half 2013 op consultancy basis gaan werken.
(p. 215)
Ik heb er niets van meegekregen dat het faillissement was aangevraagd. Iedereen kon het wel zien aankomen. Tweede helft 2013 zag het er wel naar uit dat het met [F] de foute kant op ging.
(p. 216)
U toont mij een factuur van 13 februari 2014. Deze factuur is betaald. Ik heb ook aangegeven dat deze factuur betaald moest worden. U houdt mij voor dat de factuur pas op 23 februari 2014 opeisbaar is. Dat zou kunnen. De betaaltermijn was 10 dagen.
5. Een geschrift, zijnde de als bijlage bij de onder 1 genoemde aangifte opgenomen
e-mail van [betrokkene 2] ( [advocatenkantoor] ), verzonden op 20 november 2013 aan [e-mailadres] met als onderwerp ‘overname [F] ’ (ZD04, p. 240-241), voor zover inhoudende:
(p. 240)
[medeverdachte 2] en [verdachte] ,
Ik verwijs naar onze vergadering van vanmiddag. Ik vat even samen:
- De waarde van [F] is in onze ogen nihil; (…)
- Bij een faillissement zal de license uiteraard worden opgezegd. De boedel beschikt dan niet over de rechten.
- Er is maar een potentiele koper op de markt. [F] positie is door de acties van het OM onhoudbaar geworden. (…)
- Er zitten voor het overige grote schulden in [F] .
(…)
- Bij een faillissement resteren dus op zijn hoogst rechten ten aanzien van zes oude spellen.
(…)
6. Een geschrift, te weten een factuur van [G] aan [F] (ZD04, p. 249), voor zover inhoudende:
Invoice number: […]
Account number: […]
Invoice date: February 13, 2014
Term: net 10
Expiration-date: February 23, 2014
Aanvullende programmeer- en consultancy
werkzaamheden in de periode Januari 2013 € 12.000,-
Subtotal € 12.000,-
Tax (21%) € 2.520,-
Total € 14.520,-
Payment within 10 days net
7. Een geschrift, te weten een factuur van [G] aan [F] (ZD04, p. 758), voor zover inhoudende:
Invoice number: […]
Account number: […]
Invoice date: February 13, 2014
Term: net 30
Expiration-date: February 23, 2014
Aanvullende programmeer- en consultancy
werkzaamheden in de periode Januari 2014 € 12.000,-
Subtotal € 12.000,-
Tax (21%) € 2.520,-
Total € 14.520,-
Payment within 10 days net
8. De verklaring van de [verdachte] , afgelegd ter terechtzitting van de rechtbank op 8 oktober 2018 (het proces-verbaal van die terechtzitting, p. 179-180), voor zover inhoudende:
Ik heb de factuur voorzien van nummer […] en de omschrijving: ‘Aanvullende programmeer- en consultancy werkzaamheden in de periode van Januari 2013’ gemaakt. Het jaartal 2013 was onjuist.
U vraagt mij waarom ik per in juni 2013 in dienst ben getreden bij [F] . Dat had te maken met loonzekerheid. Het was kort na de politieactie. Ik kon daarnaast mijn eigen bedrijfsactiviteiten, programmeren en consultancy, voortzetten. Als werknemer van [F] dacht ik mee over plannen op spelgebied en stuurde ik mensen aan.
U vraagt mij naar de achtergrond van het gegeven dat ik per 1 december 2013 directeur werd van [N] en haar dochtervennootschappen. [betrokkene 5] had aangegeven dat ze geen vertrouwen meer hadden in de licentie van [F] , omdat de directie was aangemerkt als verdachte. Daarom leek het goed om mij als directeur aan te stellen.
(…)
U houdt mij mijn verklaring, zoals vermeld in het gespreksverslag van de curator, op ZD04, p. 215 [voor] en zegt mij dat ik heb verklaard dat het de tweede helft van 2013 met [F] de foute kant op ging. Het ging langzamerhand de verkeerde kant op. Elke poging om [F] te redden, liep op niets uit.”
Het beoordelingskader bij het zevende middel
Art. 344 aanhef en onder 1 (oud) Sr luidt:
“Hetzij met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren en zes maanden en geldboete van de vijfde categorie, hetzij met één van deze straffen wordt gestraft hij die:
1° in geval van faillissement, of in het vooruitzicht daarvan, indien het faillissement is gevolgd, ter bedrieglijke verkorting van de rechten der schuldeisers, enig goed aan de boedel onttrekt, of betaling aanneemt, hetzij van een niet opeisbare schuld, hetzij van een opeisbare schuld, in het laatste geval wetende dat het faillissement van de schuldenaar reeds was aangevraagd of ten gevolge van overleg met de schuldenaar;”
Bij de beoordeling van het middel is van belang dat het bestanddeel ‘ter bedrieglijke verkorting van de rechten der schuldeisers’ volgens de Hoge Raad inhoudt ‘handelen met het opzet om de rechten van schuldeisers te verkorten’ en dat daaronder ook voorwaardelijk opzet is begrepen. Het is dus voldoende als de verdachte bewuste de aanmerkelijke kans op die verkorting aanvaard. De Hoge Raad hanteert verder een ruim begrip van het bestanddeel ‘onttrekken’ aan de boedel. Onttrekking aan de boedel is uitgelegd als alle handelingen waardoor hetgeen rechtens onder bereik en beheer van de curator in het faillissement behoorde te komen, buiten diens bereik en beheer wordt gehouden.
De bespreking van het zevende middel
In de toelichting op het zevende middel wordt aangevoerd dat het oordeel van het hof dat is onttrokken aan de boedel en dat de verdachte heeft gehandeld met het vereiste opzet niet wordt ondersteund door de bewijsmiddelen die het hof daarvoor noemt.
Uit de bewijsmiddelen die het hof heeft opgenomen bij feit 4 blijkt samengevat het volgende:
- De verdachte is (indirect) enig aandeelhouder en bestuurder van [G] . [medeverdachte 1] is (indirect) enig aandeelhouder en bestuurder van [F] . De verdachte is op 1 juni 2013 als werknemer in dienst gekomen bij [F] . (bewijsmiddelen 1 en 8).
- Op 8 oktober 2013 heeft de verdachte een volmacht gekregen om [F] en al haar dochtervennootschappen te vertegenwoordigen (bewijsmiddel 2).
- In een e-mailbericht van [betrokkene 2] van 20 november 2013 met als onderwerp ‘overname [F] ’ aan de verdachte en medeverdachte [medeverdachte 2] staat een samenvatting van een vergadering die zij die middag hebben gehad. Vermeld wordt dat de waarde van [F] ‘in onze ogen nihil is’, bij een faillissement de licence zal worden opgezegd, de [F] positie door de acties van het OM onhoudbaar is geworden en er voor het overige grote schulden zitten in [F] (bewijsmiddel 5).
- Vanaf 1 december 2013 was de verdachte als directeur in dienst bij [F] . De verdachte heeft hierover verklaard: ‘ [betrokkene 5] had aangegeven dat ze geen vertrouwen meer hadden in de licentie van [F] , omdat de directie was aangemerkt als verdachte. Daarom leek het goed om mij als directeur aan te stellen’ (bewijsmiddelen 1 en 8).
- Op 9 januari 2014 heeft de verdachte afstand gedaan van de volmacht (bewijsmiddel 1).
- Op 13 februari 2014 is door [G] bij factuur een bedrag van € 14.520,- in rekening gebracht bij [F] (bewijsmiddel 1, 6 en 7).
- Uit een verslag van de Algemene Vergadering van Aandeelhouders van [F] van 14 februari 2015 blijkt dat daar is besproken dat de financiële situatie van [F] zeer is verslechterd, dat de omzet rigoureus is gedaald, dat de liquide middelen in beslag zijn genomen waardoor de vennootschap niet meer aan haar verplichtingen kan voldoen, dat het salaris over januari 2014 niet meer kon worden betaald. Op de vergadering wordt besloten om het faillissement van [F] zo spoedig mogelijk aan te vragen (bewijsmiddel 3).
- De betaling van het door [G] gefactureerde bedrag is op 20 februari 2014 door [F] overgemaakt en toen dus door [G] in ontvangst genomen (bewijsmiddelen 1 en 2).
- Bij vonnis van de rechtbank Oost-Brabant van 25 februari 2014 is [F] in staat van faillissement verklaard.
- Uit een gespreksverslag van de curator met de verdachte blijkt dat de verdachte heeft verklaard dat hij niets heeft meegekregen van dat het faillissement was aangevraagd. Verder heeft hij verklaard: ‘Iedereen kon het wel zien aankomen. Tweede helft 2013 zag het er wel naar uit dat het met [F] de foute kant op ging’ (bewijsmiddel 4).
Het hof heeft geoordeeld dat het voor de verdachte al in 2013 duidelijk en voorzienbaar was dat [F] in staat van faillissement zou worden gesteld. Doordat de verdachte niettemin bij factuur van 13 februari 2014 een bedrag van € 14.520 in rekening heeft gebracht en de betaling van dat bedrag op 20 februari 2014 heeft geaccepteerd, heeft de verdachte naar het oordeel van het hof dat bedrag aan de boedel onttrokken en heeft hij op zijn minst bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat hierdoor andere schuldeisers in hun rechten zouden worden bekort. Dat oordeel is gelet op de inhoud van de bewijsmiddelen zoals hierboven samengevat weergegeven niet onbegrijpelijk en – ook in het licht van hetgeen namens de verdachte is aangevoerd – toereikend gemotiveerd.
Het zevende middel faalt.
9 Het vijfde middel
Met het vijfde middel wordt geklaagd dat het door het hof als feit 1 bewezenverklaarde deelnemen aan een organisatie met het oogmerk tot het plegen van misdrijven inzake overtreding van de Wok niet uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid. Bezien in het licht van de toelichting op het middel wordt geklaagd over (het ontbreken van) de vereiste wetenschap van het oogmerk van de criminele organisatie.
De bewezenverklaring en de overwegingen van het hof
Ten laste van de verdachte is onder 1 bewezenverklaard dat:
“1.
hij
in de periode van 1 januari 2006 tot en met 24 mei 2013,
in Nederland
heeft deelgenomen aan een organisatie die tot oogmerk had het plegen van misdrijven inzake overtreding van de wet op de kansspelen
welke organisatie bestond uit een groep samenwerkende personen, bestaande naast de verdachte uit
- [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] en andere personen en
- rechtspersonen, te weten [Q] en [R] en [E] en [S] en [A] en [C] en [D] en [T] , althans enige rechtspersonen;”
Het hof heeft ten aanzien van de bewezenverklaring van feit 1 het volgende overwogen:
“Criminele organisatie (zaaksdossier 3, feit 1)
Verweren verdediging
De verdediging heeft, op de gronden als verwoord in de pleitnota, vrijspraak bepleit van het onder 1 tenlastegelegde. Deze gronden houden – kort samengevat – het volgende in.
In feite wordt de verdachte deelneming aan twee criminele organisaties verweten, één met het oogmerk tot het plegen van overtreding van de Wok en een met het oogmerk van valsheid in geschrift. Het Openbaar Ministerie acht de derde, één met het oogmerk van (gewoonte)witwassen, zelf ook niet bewezen.
Het bestaan van deze twee criminele organisaties, althans in beide gevallen het oogmerk, kan niet worden bewezen. Daarnaast kan niet worden bewezen dat de verdachte opzet had op een van deze twee oogmerken. Evenmin kan worden bewezen dat de verdachte aan deze criminele organisaties heeft deelgenomen.
Oordeel hof
Inleiding
Bij meerdere verdachten is deelneming aan een criminele organisatie tenlastegelegd in de zin van artikel 140 Sr. De organisatie, bestaande uit natuurlijke personen en rechtspersonen zou volgens het Openbaar Ministerie het oogmerk hebben gehad op overtreding van de Wok, (gewoonte)witwassen en valsheid in geschrift.
Eerst moet worden vastgesteld of sprake is van een ‘organisatie’. Onder ‘organisatie’ wordt verstaan een samenwerkingsverband met een zekere duurzaamheid en structuur tussen de verdachte en ten minste één andere rechts- dan wel natuurlijk persoon. Daarvoor is niet noodzakelijk dat binnen het samenwerkingsverband gemeenschappelijke regels en een gemeenschappelijke doelstelling hebben bestaan, waaraan individuele leden gebonden waren en waarbij op de deelnemers druk werd, of kon worden, uitgeoefend zich aan die regels te houden. Evenmin is vereist dat de samenstelling van het samenwerkingsverband steeds dezelfde is. Gezagsverhoudingen (hiërarchie), rolverdeling, regels en een onder een gemeenschappelijke naam optreden tegenover derden kunnen sterke aanwijzingen zijn voor een samenwerkingsverband en daarmee een organisatie, maar zijn niet vereist om dit vast te kunnen stellen.
Een organisatie zoals hiervoor bedoeld, wordt pas een criminele organisatie als vast komt te staan dat de organisatie het oogmerk heeft op het plegen van een misdrijf / misdrijven. Daarvoor is van belang dat gekeken wordt naar de misdrijven die in het kader van de organisatie zijn gepleegd en aan het duurzame of gestructureerde karakter van de samenwerking, te weten de planmatigheid of stelselmatigheid van de activiteiten van de deelnemers gericht op het doel van de organisatie. Van belang hierbij is om op te merken dat het oogmerk van de organisatie niet hetzelfde is als het oogmerk van de deelnemer. In het deelnemen aan de organisatie ligt het opzet besloten. De deelnemer moet weten dat de organisatie het oogmerk heeft het plegen van een misdrijf / misdrijven. Niet vereist is dat de deelnemer opzet heeft op de door de organisatie beoogde of gepleegde, concrete misdrijven.
Bij de vraag of sprake is geweest van deelneming aan een criminele organisatie is niet vereist dat vastgesteld wordt dat een verdachte voor alle tenlastegelegde feiten – in het kader van de criminele organisatie – verantwoordelijk is. Bij de beoordeling van de vraag of sprake is van deelneming bij de afzonderlijke de verdachte gaat er om of kan worden vastgesteld:
- of de verdachte – in zijn algemeenheid – wist dat de organisatie het oogmerk had tot het plegen van misdrijven (waarbij voorwaardelijk opzet niet voldoende is) en
- of de verdachte een aandeel heeft gehad c.q. ondersteunende handelingen heeft verricht, gericht op verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie.
Bij deze beoordeling speelt een belangrijke, maar geen beslissende rol of een verdachte wordt veroordeeld voor één van de afzonderlijke tenlastegelegde andere feiten in het kader van de criminele organisatie. In dit kader wordt nog opgemerkt dat niet vereist is dat komt vast te staan dat een persoon moet hebben samengewerkt met, althans bekend is geweest met alle andere natuurlijke en rechtspersonen die deel uitmaken c.q. uitmaakten van de organisatie.
Beoordeling: organisatie
Het hof komt met de rechtbank tot het oordeel dat in deze zaak sprake is geweest van een criminele organisatie en overweegt daarvoor het volgende. Zoals wordt besproken bij de afzonderlijke rollen van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] , zijn zij in 2002 dan wel 2003 gaan samenwerken teneinde spelletjes te ontwikkelen en deze vervolgens online aan te bieden. In dit kader heeft [medeverdachte 2] in juli 2004 [A] in Engeland opgericht, teneinde de betaling van prijzengeld te verzorgen die particulieren konden winnen door mee te doen aan games en goksspelen op internet. Het oprichten van [A] was een startpunt van waaruit geld werd verdiend met het aanbieden van kansspelen en van waaruit de rechtspersonenstructuur is uitgebreid, met het aankopen dan wel oprichten van onder andere [E] in 2005, [T] in 2006, [C] ( [C] ) en [D] ( [D] ) in 2006, [U] in 2008 en [V] in 2011.
[C] en [D] waren de registranten en daarmee de eigenaren van de zeven online goksites waarmee – zoals vastgesteld in het kader van overtreding van de Wok – gedurende een aantal jaren online kansspelen in Nederland zijn aangeboden.
Via de rechtspersonenstructuur opgezet door [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] , waarin [E] een centrale rol speelde, werd het geld dat verdiend werd met het aanbieden van online kansspelen gebruikt om spelers uit te betalen, affiliaties te betalen en kosten te voldoen. Ook werd het verdiende geld gebruikt om via [E] en [R] de vastgoedtak – waarin panden werden aangekocht en doorverkocht dan wel beheerd en verhuurd – te financieren. Door middel van de opgezette rechtspersonenstructuur en de exploitatie van de hiervoor genoemde zeven gokwebsites, hebben [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] een organisatie opgericht die gericht was op het aanbieden van online kansspelen in Nederland. Zij hebben de organisatie vervolgens vorm gegeven door spelsoftwareontwikkelaars aan te trekken, personeel in dienst te nemen en door adviseurs in te huren, die allen werkzaamheden hebben verricht gericht op het verwezenlijken van het doel, zijnde het (kunnen blijven) aanbieden van online kansspelen.
De samenwerking tussen de verdachten – hoewel niet telkens tussen alle de verdachten onderling – kan niet als incidenteel worden aangemerkt. Integendeel, de samenwerking had een zeer duurzaam en bestendig karakter. Dit blijkt onder meer uit de duur van het samenwerkingsverband, vanaf 2004 (toen [A] werd opgericht) tot in ieder geval mei 2013, toen de eerste doorzoekingen plaatsvonden in het kader van het onderzoek Rykiel.
Beoordeling: criminele organisatie
Het hof is verder van oordeel dat de hiervóór omschreven organisatie vanaf het begin (vanaf 2004) het oogmerk (het doel) had het aanbieden van online kansspelen in Nederland en daarmee het opzettelijk overtreden van de Wok. Het hof stelt vast dat het oogmerk op het aanbieden van online kansspelen in Nederland in strijd met de wet een crimineel oogmerk was. Het hof verwijst in dit kader naar wat hiervoor is overwogen met betrekking tot de organisatie en ook naar wat is vastgesteld in het kader van de overtreding van de Wok.
Het hof ziet het witwassen van de opbrengsten van het aanbieden van online kansspelen en de valsheid in geschrift niet als oogmerk en dus als doel op zich van de organisatie. Het witwassen ziet het hof als een gevolg van het feit dat geld werd verdiend met het aanbieden van online kansspelen en dus met een misdrijf. Dit geld werd vervolgens omgezet en gebruikt. De valsheid in geschrift lag naar het oordeel van het hof in het verlengde van het doel om online kansspelen in Nederland aan te bieden en de wens hier zo lang mogelijk mee door te gaan, ook na oprichting van het Projectbureau Kansspelen en later – in 2012 – de Ksa.
In de tenlastelegging van de criminele organisatie worden meerdere (buitenlandse) rechtspersonen genoemd die betrokken zouden zijn bij de criminele organisatie. Naar het oordeel van het hof dienen de volgende rechtspersonen als onderdeel van de criminele organisatie te worden beschouwd nu zij een essentiële rol hebben gespeeld in de rechtspersonenstructuur die het aanbieden van online kansspelen in Nederland mogelijk heeft gemaakt, te weten: [Q] , [R] , [E] , [S] , [A] , [C] , [D] en [T] . Voor wat betreft de [verdachte] komt hier nog bij [W] en [G]
De overige in de tenlastelegging genoemde rechtspersonen merkt het hof niet aan als deelnemers van de organisatie nu deze rechtspersonen geen relevante rol hebben gespeeld met betrekking tot het doel van de organisatie.
Voor wat betreft de [F] -vennootschappen merkt het hof nog specifiek op dat deze vennootschappen gericht waren op spelsoftwareontwikkeling en het aanbieden daarvan via zogenaamde platforms. Niet kan worden vastgesteld dat de activiteiten van de [F] -vennootschappen erop gericht waren/zijn online kansspelen in Nederland aan te bieden in strijd met de Wok. Het hof laat deze vennootschappen dan ook in dit kader buiten beschouwing. Dit heeft ook tot gevolg dat de tenlastegelegde periode bij alle verdachten – indien deelneming is bewezen – wordt beperkt tot 24 mei 2013, omdat na die datum de rechtspersonen die betrokken waren bij het online aanbieden van kansspelen hun activiteiten gestaakt hebben. Dat de [F] vennootschappen na 24 mei 2013 (en tot 10 november 2013 dan wel januari 2014) doorgegaan zijn met het ontwikkelen van spelsoftware wordt dan ook – anders dan dat het Openbaar Ministerie doet – niet strafrechtelijk aan de verdachten verweten.
Bij elke verdachte zal – indien deelneming is bewezen – ook vastgesteld worden wat de begindatum is geweest van die deelneming.
Deelneming [verdachte]
Het hof gaat hieronder in op de vraag of de verdachte kan worden aangemerkt als deelnemer van de organisatie.
Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad is sprake van deelneming aan een organisatie als hiervoor bedoeld als de verdachte behoort tot het samenwerkingsverband én als de verdachte een aandeel heeft in, dan wel ondersteunt, gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het hiervoor bedoelde oogmerk.
Elke bijdrage aan een organisatie kan strafbaar zijn. Een dergelijke bijdrage kan bestaan uit het (mede)plegen van enig misdrijf, maar ook uit het verrichten van hand- en spandiensten die op zichzelf niet strafbaar zijn, zolang van bovenbedoeld aandeel of ondersteuning kan worden gesproken. In het bestanddeel deelneming ligt tevens het opzet van de verdachte besloten.
Redelijke wetsuitleg brengt volgens de Hoge Raad mee dat voor ‘deelneming’ voldoende is dat de verdachte in zijn algemeenheid weet (in de zin van onvoorwaardelijk opzet) dat de organisatie tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.
Het opzet van de verdachte moet dus zijn gericht op het deelnemen aan de organisatie. Volgt uit de bewijsvoering dat de verdachte een aan de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie bijdragende of ondersteunende handeling heeft verricht, dan ligt daarin zijn wetenschap met betrekking tot dat oogmerk besloten.
Zoals overwogen in het kader van de bespreking van zaaksdossier 1 inzake overtreding van de Wet op de kansspelen, acht het hof niet bewezen dat [verdachte] zich schuldig heeft gemaakt aan het aanbieden van kansspelen in Nederland zonder vergunning. Door het ontwikkelen, leveren en onderhouden van de spelsoftware heeft hij dit misdrijf hooguit bevorderd, maar dat is niet tenlastegelegd.
Wel heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het witwassen van (een deel van) de opbrengsten daarvan (tot een bedrag van € 1,8 miljoen). Aan de hand hiervan en gelet op wat [verdachte] ter terechtzitting van de rechtbank van 8 en 9 oktober 2018, onder meer in het kader van de verdenking van deelneming aan een criminele organisatie heeft verklaard, stelt het hof met de rechtbank het volgende vast.
Volgens [verdachte] is hij eind 2005 in contact gekomen met [medeverdachte 1] omdat zij een gedeelde interesse hadden in gokspellen en het ontwikkelen daarvan. Zoals is gebleken hebben [medeverdachte 1] en [verdachte] vervolgens financiële en praktische afspraken gemaakt in het kader van spelsoftwareontwikkeling door [verdachte] voor het kunnen aanbieden van gokspellen op [internetsite 1a] . Zoals tevens is vastgesteld, wist [verdachte] dat dit kansspel illegaal in Nederland werd aangeboden. Dat het ontwikkelen, leveren en onderhouden van de spelsoftware juridisch gezien niet het medeplegen van het opzettelijk overtreden van de Wok opleveren, neemt echter niet weg dat zijn gedragingen wel degelijk van een aard en omvang zijn geweest dat zij konden strekken en ook daadwerkelijk hebben gestrekt tot de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie, te weten het online aanbieden van kansspelen.
Door middel van zijn bedrijf [G] heeft [verdachte] de inkomsten die hij verwierf in het kader van het aanbieden van de online kansspelen vervolgens aangewend ten behoeve van zichzelf en de verdere ontwikkeling van spelsoftware. Vanwege het aandeel dat [verdachte] heeft gehad in de ontwikkeling van [internetsite 1a] , is het hof van oordeel dat [verdachte] deel heeft genomen aan de criminele organisatie als hiervoor bedoeld, in de periode van 1 januari 2006 tot en met 24 mei 2013. Voor wat betreft de rechtspersonen die deelnamen aan de criminele organisatie acht het hof bewezen dat [G] deel uitmaakte van de organisatie voor zover [verdachte] betreft.
Het hof acht niet bewezen dat [verdachte] zich tevens schuldig heeft gemaakt aan leiding geven aan de criminele organisatie van 24 mei 2013 en tot 19 januari 2014. Dit gelet op wat hierboven is vastgesteld omtrent de leidinggevende rol van [medeverdachte 1] binnen de [F] vennootschappen in die periode. Van dit deel wordt [verdachte] dan ook partieel vrijgesproken.
De bewijsverweren van de verdediging worden verworpen.”
Het beoordelingskader bij het vijfde middel
De eisen die gelden voor ‘deelneming’ aan een organisatie als bedoeld in art. 140 en 140a Sr zijn door de Hoge Raad als volgt weergegeven in HR 7 juli 2026, ECLI:NL:HR:2026:1142:
“2.3.2 Voor ‘deelneming’ aan een organisatie als bedoeld in artikel 140 en 140a Sr is vereist dat (i) de betrokkene behoort tot een samenwerkingsverband, (ii) waarbinnen gedragingen plaatsvinden die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het in die artikelen bedoelde oogmerk, en (iii) de betrokkene een aandeel heeft in deze gedragingen, dan wel deze gedragingen ondersteunt.
Van het ‘ondersteunen’ in de hiervoor bedoelde zin is sprake als de betrokkene met zijn handelen die onder (ii) bedoelde gedragingen bevordert of makkelijker maakt. Dit handelen van de betrokkene moet niet in een te ver verwijderd verband staan tot de verwezenlijking van het in die artikelen bedoelde oogmerk. Of daarvan sprake is vergt een beoordeling van het concrete geval.”
Van belang is verder dat in ‘deelneming aan’ een opzeteis besloten ligt. Vereist is dat de verdachte in zijn algemeenheid weet dat de organisatie tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven. Voorwaardelijk opzet is niet voldoende. Niet vereist is dat de verdachte enige vorm van opzet heeft gehad op de door de criminele organisatie beoogde concrete misdrijven. Het enkel verrichten van hand- en spandiensten zonder de wetenschap dat de organisatie tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven, levert geen deelneming op. Voor het bewijs van deelneming aan een criminele organisatie hoeft niet van belang te zijn dat de verdachte is vrijgesproken van betrokkenheid van een misdrijf dat in het verband van de organisatie is begaan. Medeplichtigheid aan enig misdrijf waarop het oogmerk van de organisatie was gericht, kan voldoende zijn om van deelneming in de zin van art. 140 te spreken.
De bespreking van het vijfde middel
De klachten uit het vijfde middel houden het volgende in. Geklaagd wordt dat het hof, kort gezegd, heeft geoordeeld dat de verdachte aan de verwezenlijking van het oogmerk bijdragende of ondersteunende handelingen heeft verricht en dat zijn wetenschap daarin besloten ligt, terwijl het bewijs voor wetenschap van het oogmerk niet zonder meer uit de bewijsvoering kan worden afgeleid.
Het hof heeft bewezenverklaard dat de verdachte heeft deelgenomen aan een organisatie die tot oogmerk had het plegen van misdrijven inzake overtreding van de wet op de kansspelen. Ter motivering daarvan wijst het hof op het aandeel dat de verdachte heeft gehad in de ontwikkeling van [internetsite 1a] . Uit vaststellingen van het hof blijkt dat de verdachte met [medeverdachte 1] financiële en praktische afspraken heeft gemaakt in het kader van spelsoftwareontwikkeling door de verdachte voor het kunnen aanbieden van gokspellen op [internetsite 1a] . De verdachte wist, aldus het hof, dat dit kansspel illegaal in Nederland werd aangeboden. Het ontwikkelen, leveren en onderhouden van spelsoftware levert in dit geval weliswaar niet het medeplegen van het opzettelijk overtreden van de Wok op, maar dat neemt volgens het hof niet weg dat die gedragingen ertoe hebben gestrekt het oogmerk van de organisatie te verwezenlijken.
Ik lees het middel zo dat daarin in feite enkel wordt geklaagd over de wetenschap van de verdachte. Mijns inziens blijkt uit mijn bespreking van de voorgaande middelen, in het bijzonder het vierde middel, voldoende dat het hof heeft kunnen oordelen dat de verdachte wetenschap had van het feit dat door de organisatie van [medeverdachte 1] online kansspelen werden aangeboden, maar ik zal hieronder nog eens de omstandigheden aanhalen waarop het hof zijn oordeel op dit punt heeft gebaseerd en heeft kunnen baseren.
De verdachte heeft zelf verklaard dat hij eind 2005 met [medeverdachte 1] in contact is gekomen vanwege een gedeelde interesse in gokspellen en het ontwikkelen daarvan. Vervolgens hebben zij financiële en praktische afspraken gemaakt over het ontwikkelen van spelsoftware door de verdachte voor het kunnen aanbieden van gokspellen op [internetsite 1a] . De verdachte heeft tot midden 2013 werkzaamheden verricht voor de organisatie van [medeverdachte 1] en is (dus) jaren betrokken geweest bij de ontwikkeling van [internetsite 1a] . Om de afgesproken 60% van de door [internetsite 1a] gegenereerde inkomsten te kunnen ontvangen heeft de verdachte door de jaren heen vele valse facturen opgesteld. Dat het hof heeft geoordeeld dat de verdachte wetenschap had van het crimineel oogmerk van de organisatie van onder andere [medeverdachte 1] , acht ik gelet op deze omstandigheden niet onbegrijpelijk. Dit oordeel is ook toereikend gemotiveerd. Daaraan doet – zo volgt uit hetgeen ik hierboven heb vooropgesteld – niet af dat de verdachte is vrijgesproken van het medeplegen van c.q. feitelijk leidinggeven aan het overtreden van de Wet op de kansspelen.
Het vijfde middel faalt.
10 Het achtste middel
Het achtste middel houdt de klacht in dat het hof heeft verzuimd om de artikelen 9, 22c, 22d, 27, 140, 25, 420bis en 420ter Sr te vermelden als de wettelijke voorschriften waarop de strafoplegging (mede) berust.
Het arrest van het hof houdt ten aanzien van de toepasselijke wettelijke voorschriften in:
“De beslissing is gegrond op de artikelen 23, 24, 24c, 47, 51 en 344 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde
van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.”
In geval van een veroordeling moeten op grond van artikel 358 lid 4 Sv, welke bepaling krachtens artikel 415 lid 1 Sv ook in hoger beroep van toepassing is, de wettelijke voorschriften worden vermeld waarin de toegepaste verbods- en strafbepalingen staan opgenomen en die de onmiddellijke grondslag van de veroordeling uitmaken.
In zijn toelichting op het middel wijst de steller ervan zelf al op de standaardjurisprudentie van de Hoge Raad, die inhoudt dat belang bij vernietiging van de uitspraak ontbreekt als het hof heeft verzuimd om, bij oplegging van een straf of maatregel, op grond van art. 358 lid 4 Sv de vermelding van de wettelijke voorschriften waarop de uitspraak is gegrond op te nemen. Als deze vermelding ontbreekt in de uitspraak is immers sprake van een evidente vergissing en kan de uitspraak verbeterd worden gelezen.
Voor zover het hof in de onderhavige zaak heeft verzuimd de relevante wetsartikelen waarop de strafoplegging berust te vermelden, heeft de verdachte gelet op het voorgaande dus geen belang bij cassatie.
11 Slotsom
De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. In ieder geval het eerste, het derde, het vierde, het vijfde, het zevende en het achtste middel kunnen worden afgedaan met een aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering. Het zesde middel faalt eveneens, maar omdat de verdachte in eerste aanleg is ontslagen van alle rechtsvervolging met betrekking tot feit 3, ligt afdoening op de voet van art. 81 lid 1 RO ten aanzien van dat middel niet voor de hand.
Ambtshalve merk ik op dat de Hoge Raad uitspraak gaat doen nadat de redelijke termijn voor de behandeling van de zaak, zoals bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM, op 14 maart 2026 is overschreden. Dat moet leiden tot strafvermindering. Overige gronden die ambtshalve tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven, heb ik niet aangetroffen.
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde taakstraf, tot vermindering daarvan, en tot verwerping van het cassatieberoep voor het overige.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
A-G