Strafrecht overig
1. Belaging BN-er en ex-vriendin van verdachte. 2. Absolute verjaringstermijn belaging, art. 72.2 Sr. Ad 1…
ECLI:NL:HR:2016:2457 · Hoge Raad · 1 november 2016
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/cassatie/ecli-nl-hr-2016-2457
Zaakgegevens
Op 1 november 2016 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 1 november 2016
- Datum publicatie
- 1 november 2016
- Zaaknummer
- 14/06090
- Rechtsgebied
- Strafrecht Strafrecht overig
- Procedure
- CassatieCassatieHet laatste rechtsmiddel: de Hoge Raad beoordeelt alleen of het recht goed is toegepast en of de uitspraak voldoende is gemotiveerd. De feiten staan dan vast.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2016:2457
Samenvatting
1. Belaging BN-er en ex-vriendin van verdachte. 2. Absolute verjaringstermijn belaging, art. 72.2 Sr.
Ad 1. Falende bewijsklachten belaging. HR: art. 81.1 RO.
Ad 2. HR ambtshalve: Hof heeft bewezenverklaard dat verdachte zich in de periode van 1 mei 2003 tot 1 oktober 2005 heeft schuldig gemaakt aan belaging van zijn ex-vriendin. Gelet op de aard van het delict en op de omstandigheid dat het Hof het bewezenverklaarde heeft gekwalificeerd als één misdrijf, is er gelet op art. 72.2 Sr, zoals dit artikel luidt sedert de i.w.tr. op 7 juli 2006 van de Wet van 5 juli 2006, Stb. 2006, 310, geen sprake van verjaring. CAG: anders t.a.v. verjaring.
Procesgang
Gerechtshof Amsterdam · 18 november 2014
ECLI:NL:GHAMS:2014:5919Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 13 september 2016
ECLI:NL:PHR:2016:1044Hoge Raad · 1 november 2016deze uitspraak
ECLI:NL:HR:2016:2457
Conclusie gedeeltelijk contrairGevolgd of contrair‘Gevolgd’: de Hoge Raad besliste zoals de advocaat-generaal adviseerde. ‘Contrair’: hij besliste anders.Meer uitleg · Overig
Uitspraak
Inhoudsopgave
1 november 2016
Strafkamer
nr. S 14/06090
SG/EC
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 18 november 2014, nummer 23/004161-13, in de strafzaak tegen:
[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1964.
1 Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft V.A. Groeneveld, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal A.E. Harteveld heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest, doch uitsluitend ten aanzien van de beslissingen ter zake van het onder 3-B tenlastegelegde feit voor zover dat is begaan in de periode van 1 mei 2003 tot en met de datum dat de Hoge Raad uitspraak doet, minus twaalf jaar, alsmede ten aanzien van de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot niet-ontvankelijkverklaring van de Officier van Justitie in de vervolging wat betreft het onder 3-B tenlastegelegde voor zover dit is begaan in voormelde periode, tot het verminderen van de opgelegde gevangenisstraf en tot verwerping van het beroep voor het overige.
2 Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak
Aan de verdachte is onder 3-B tenlastegelegd - kort gezegd - dat hij in of omstreeks de periode van 1 mei 2002 tot en met 1 februari 2006 [betrokkene] heeft belaagd als bedoeld in art. 285b Sr. Het Hof heeft wegens verjaring van het recht tot strafvordering het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging van de verdachte voor zover het tenlastegelegde ziet op de periode van 1 mei 2002 tot en met 18 november 2002. Het Hof heeft vervolgens ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat hij zich in de periode van 1 mei 2003 tot 1 oktober 2005 heeft schuldig gemaakt aan belaging van [betrokkene].
Gelet op de aard van het delict en op de omstandigheid dat het Hof het onder 3-B bewezenverklaarde heeft gekwalificeerd als één misdrijf, is - gelet op het te dezen toepasselijke tweede lid van art. 72 Sr, zoals dit luidt sedert de inwerkingtreding op 7 juli 2006 van de Wet van 5 juli 2006, Stb. 2006, 310 - geen sprake van verjaring.
3 Beoordeling van het zesde middel
Het middel klaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden omdat de stukken te laat door het Hof zijn ingezonden.
Het middel is gegrond. Dit moet leiden tot vermindering van de aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf van acht maanden.
4 Beoordeling van de overige middelen
De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
5 Slotsom
Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.
6 Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt de bestreden uitspraak, doch uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;
vermindert de duur van de opgelegde gevangenisstraf in die zin dat deze zeven maanden en twee weken beloopt;
verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren J. de Hullu en M.J. Borgers, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 1 november 2016.