Strafrecht overig
Conclusie AG. Onderzoek Rykiel. Aanbieden online kansspelen in Nederland zonder vergunning. Deelnemen…
Parket bij de Hoge Raad, 6 oktober 2026
ECLI:NL:PHR:2026:948 · Parket bij de Hoge Raad · 6 oktober 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/parket-bij-de-hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/ecli-nl-phr-2026-948
Zaakgegevens
Op 6 oktober 2026 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Parket bij de Hoge RaadParket bij de Hoge RaadHet onafhankelijke parket van de procureur-generaal en de advocaten-generaal, die de Hoge Raad adviseren in conclusies.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 6 oktober 2026
- Datum publicatie
- 2 oktober 2026
- Zaaknummer
- 24/01045
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- ECLI
- ECLI:NL:PHR:2026:948
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Conclusie AG. Onderzoek Rykiel. Aanbieden online kansspelen in Nederland zonder vergunning. Deelnemen criminele organisatie (feit 1) en medeplegen overtreden voorschrift gesteld bij art. 1 lid 1 onder a Wet op de kansspelen, opzettelijk begaan (feit 2). M1 klaagt terecht dat onder 2 tenlastegelegde feit inmiddels is verjaard. Overige klachten uit het middel, over oordeel hof dat onder 2 tenlastegelegde feit in hoger beroep nog niet (gedeeltelijk) was verjaard, falen. M2 klaagt tevergeefs over doorwerking verjaring feit 2 in tenlastegelegde deelneming criminele organisatie (feit 1). M3 richt zich met negen falende deelklachten tegen verwerping hof van verweer strekkende tot niet-ontvankelijkheid openbaar ministerie wegens schending vertrouwensbeginsel. M4 klaagt terecht over schending inzendtermijn. Ook ambtshalve opmerking over redelijke termijn in cassatie. Conclusie strekt tot n-o verklaring van het OM in de vervolging van feit 2 en tot verwerping van het beroep voor het overige. Samenhang met de zaken 24/000921, 24/00946, 24/00947, 24/01117, 24/01118, 24/01119, 24/01120, 24/01121 en 24/01126.
Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 24/01045
Zitting 6 oktober 2026
CONCLUSIE
V.M.A. Sinnige
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1973,
hierna: de verdachte
1 Inleiding
Het gerechtshof 's-Hertogenbosch heeft bij arrest van 11 maart 2024 (parketnr. 20-004076-18), middels gedeeltelijke bevestiging van het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, locatie 's-Hertogenbosch, van 20 december 2018 de verdachte, wegens
- onder 1 “deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven”;
- onder 2 “medeplegen van overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 1, eerste lid onder a (voorheen 1 onder a) van de Wet op de kansspelen, opzettelijk begaan”
veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van tachtig uren, te vervangen door veertig dagen hechtenis en met aftrek overeenkomstig art. 27 Sr (volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag).,
Er bestaat samenhang met de zaken 24/000921, 24/00946, 24/00947, 24/01117, 24/01118, 24/01119, 24/01120, 24/01121 en 24/01126. In die zaken zal ik vandaag ook concluderen. Samenhang bestaat eveneens met de zaken 24/01115 en 24/01116, waarin het door het openbaar ministerie ingestelde cassatieberoep is ingetrokken.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. D.W.E. Sternfeld en W.H. Jebbink, beiden advocaat in Amsterdam, hebben vier middelen van cassatie voorgesteld.
2 De zaak
De zaak tegen de verdachte maakt deel uit van het onderzoek Rykiel. Dat onderzoek had – blijkens het bestreden arrest en het daarin bevestigde vonnis – betrekking op het zonder vergunning aanbieden van online kansspelen in Nederland, hetgeen in strijd is met de Wet op de kansspelen (hierna: Wok). De hoofdpersonen achter het aanbieden van de gokspellen waren de medeverdachten [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] . Zij hebben omvangrijke geldbedragen gegenereerd en verdiend met het aanbieden van die gokspellen. Daarbij is gebruik gemaakt van diverse Nederlandse en buitenlandse vennootschappen. Binnen deze vennootschappen werden werkzaamheden verricht als het maken van spellen, het online aanbieden van kansspelen, het afwikkelen van het financiële verkeer rondom inleg van en uitbetaling aan spelers, technische ondersteuning aan afnemers van spellen, alsmede de administratieve werkzaamheden die met voorgaande waren gemoeid. Die vennootschappen dienden er in verband en samenhang met elkaar ook toe om te verhullen wie achter het aanbieden van de gokspellen zat, hoe geldstromen liepen en hoe geldstromen werden verantwoord, aldus het hof.
Voordat ik overga tot bespreking van de middelen zal ik hier kort en in grote lijnen stilstaan bij een aantal relevante vaststellingen van het hof en de rechtbank en daarnaast bij de samenhang tussen de verschillende feiten voor zover dat relevant is voor de bespreking van de middelen. Daarbij merk ik op dat het hof – door bevestiging van het vonnis van de rechtbank – in zijn overwegingen tot uitdrukking heeft gebracht dat de beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang en (tijds)verband beschouwd.
Uit het door het hof bevestigde vonnis van de rechtbank kan worden opgemaakt dat de verdachte als projectmanager in dienst was bij [A] en daar vanaf zijn indiensttreding op 29 juni 2009 werkzaamheden heeft verricht. De verdachte hield zich met name bezig met de helpdeskfunctie voor spelers van online gokspellen en trad op als ‘troubleshooter’. Ook had de verdachte toegang tot het programma SMAKsoftware, waarmee hij alle gegevens kon inzien van spelen en spelers van online gokspellen. De verdachte had doorlopend inzicht in aantallen spelers, wie dit waren en wat de omvang van de inleg was. Het hof heeft de verdachte hierom – met de rechtbank – veroordeeld wegens het medeplegen van het zonder vergunning aanbieden van kansspelen, hetgeen in strijd is met de Wok (feit 2).
Verder heeft het hof de verdachte (in navolging van de rechtbank) veroordeeld wegens deelneming aan een criminele organisatie (feit 1). Volgens het hof verrichtte de verdachte essentiële en cruciale werkzaamheden voor de organisatie ten aanzien van de online kansspelen en wist hij dat door de organisatie in strijd met de Wok online kansspelen werden aangeboden.
3 De middelen
De middelen klagen over de verwerping van het verweer dat het onder 2 tenlastegelegde is verjaard (middel 1), de verwerping van het verweer dat die verjaring doorwerkt in andere tenlastegelegde feiten (middel 2) en de verwerping van het verweer dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard wegens schending van het vertrouwensbeginsel (middel 3). Tot slot wordt geklaagd over een schending van de inzendtermijn (middel 4).
Ten aanzien van het eerste, tweede en derde middel merk ik op dat de raadsman van de verdachte zich in hoger beroep heeft aangesloten bij de door de raadslieden van [medeverdachte 1] gevoerde verweren met betrekking tot verjaring (waaronder kennelijk de doorwerking van de gestelde verjaring) en het vertrouwensbeginsel. Het hof heeft op gelijke wijze als in de zaak van [medeverdachte 1] gereageerd op die verweren. In cassatie worden de verdachte en [medeverdachte 1] bijgestaan door dezelfde advocaten. De middelen die in de onderhavige zaak zijn ingediend zijn inhoudelijk gelijk aan de middelen 1, 3 en 4 die in de samenhangende zaak [medeverdachte 1] zijn ingediend. Mijn bespreking van de middelen in de onderhavige zaak is daarom nagenoeg gelijk aan die in de zaak van de [medeverdachte 1] (zaaknr. 24/01118).
4 Het eerste middel
Het eerste middel bevat de klachten dat:
(i) het hof op onjuiste, onbegrijpelijke en/of ontoereikend gemotiveerde gronden het verweer heeft verworpen dat het onder 2 tenlastegelegde niet één voortdurend delict betreft, zodat ’s hofs verwerping van het verweer strekkende tot partiële niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging van dat feit vanwege partiële verjaring onjuist en/of onbegrijpelijk en/of ontoereikend gemotiveerd is; en/of
(ii) het onder 2 tenlastegelegde thans volledig is verjaard, zodat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk is in de strafvervolging daarvan.
Het onder 2 tenlastegelegde en bewezenverklaarde
De verdachte is onder 2 tenlastegelegd dat:
“2.
(overtreding wet op de kansspelen; ZD01)
hij op één of meerdere tijdstippen
in of omstreeks de periode van 29 juni 2009 tot en met 24 mei 2013,
in of vanuit de gemeente [plaats] (in of vanuit een perceel gelegen aan de [a-straat 1] ) en/of elders in Nederland
tezamen en in vereniging met de ondernemingen [B] ( [B] ) en/of [C] ( [C] ) en/of [D] en/of [E] (als registranten van na te noemen websites, zie pvb bevindingen historische gegevens domeinen […] , ZD01 pagina’s 1237 tot en met 1313) en/of (een) ander(e) rechtsperso(o)n(en) en/of natuurlijk(e) perso(o)n(en)
(telkens) opzettelijk gelegenheid heeft/hebben gegeven
om in of vanuit Nederland via internet mede te dingen naar een of meer prijzen of premies, waarbij de aanwijzing der winnaar(s) geschiedde door enige kansbepaling waarop de deelnemers in het algemeen geen overwegende invloed konden uitoefenen, zonder dat (telkens) daarvoor een vergunning ingevolge de Wet op de Kansspelen was verleend,
immers,
hebbende hij, verdachte en/of zijn mededader(s)
een of meer virtuele versie(s) van een of meer kansspelen, te weten:
-spellen die plegen te worden gespeeld op kansspelautomaten in de zin van artikel 30 sub c Wet op de kansspelen en/of
-casinospelen in de zin van de Beschikking casinospelen 1996 en derhalve kansspel in de zin van de Wet op de kansspelen en/of-instantloterijen in de zin van artikel 14a lid 2 Wet op de Kansspelen aangeboden via het worldwide web, althans internet en/of websites te weten:
A.
1. een of meer kansspelautomaten (in een of meer spelvarianten) en/of
2. een of meer casinospelen namelijk Roulette (in een of meer spelvarianten),
Poker (in een of meer spelvarianten) en/of Black Jack (in een of meer
spelvarianten)
via [internetsite 1] (spelbeschrijvingen:
WOK-proces-verbaal, ZD01 pagina’s 1421 tot en met 1466) en/of
B.
1. een of meer kansspelautomaten (in een of meer spelvarianten) en/of
2. een of meer casinospelen namelijk Roulette (in een of meer spelvarianten)
en/of Black Jack (in een of meer spelvarianten) en/of Poker (in een of meer
spelvarianten) en/of Baccarat (in een of meer spelvarianten) en/of
Videopoker (in een of meer spelvarianten) en/of Keno (in een of meer
spelvarianten) en/of
3. een instantloterij Kraskaarten (in een of meer spelvarianten)
via [internetsite 2] (spelbeschrijvingen: WOK-proces-verbaal,
ZD01 pagina’s 1505 tot en met 1549) en/of
C.
1. een of meer casinospelen, namelijk Roulette (in een of meer spelvarianten)
en/of Money Wheel en/of Black Jack (in een of meer spelvarianten) en/of Poker
(in een of meer spelvarianten) en/of Baccarat (in een of meer spelvarianten)
en/of Videopoker (in een of meer spelvarianten)en/of Keno (in een of meer
spelvarianten en/of
2. een of meer kansspelautomaten in een of meer spelvarianten) en/of
3. een instantloterij Scratchcards (in een of meer spelvarianten).
via [internetsite 3] (spelbeschrijvingen:
WOK-proces-verbaal, ZD01, pagina’s 1467 tot en met 1504) en/of
D.
1. een of meer casinospelen namelijk Roulette (in een of meer spelvarianten)
en/of Black Jack (in een of meer spelvarianten) en/of Poker (in een of meer
spelvarianten) en/of Baccarat (in een of meer spelvarianten) en/of Videopoker
(in een of meer spelvarianten) en/of Keno (in een of meer spelvarianten) en/of
2. een of meer kansspelautomaten (in een of meer spelvarianten) en/of
3. een instantloterij Scratchcards (in een of meer spelvarianten)
via [internetsite 4] (spelbeschrijvingen: WOK-proces-verbaal,
ZD01 1575 tot en met 1612) en/of
E.
1. een of meer kansspelautomaten (in een of meer spelvarianten) en/of
2. een of meer casinospelen namelijk Roulette (in een of meer spelvarianten)
en/of Black Jack (in een of meer spelvarianten) en/of Poker(in een of meer
spelvarianten) en/of Keno t in een of meer spelvarianten)
via [internetsite 5] (spelbeschrijvingen: WOK-proces-verbaal, ZD01
pagina’s 1550 tot en met 1574) en/of
F. een of meer kansspelautomaten (in een of meer spelvarianten) via [internetsite 6]
(spelbeschrijvingen: WaK-proces-verbaal, ZD01 pagina’s 1404
tot en met 1420) en/of
G. een of meer casinospelen namelijk Poker tin een of meer spelvarianten) via
[internetsite 7] (spelbeschrijvingen: WOK-proces-verbaal,
ZD01 pagina’s 1389 tot en met 1403)”
Ten laste van de verdachte is onder 2 bewezenverklaard dat hij:
“2. in de periode van 29 juni 2009 tot en met 24 mei 2013,
in Nederland
tezamen en in vereniging met de ondernemingen [B] ( [B] )
en [C] ( [C] ) (als registranten van na te noemen websites) en
andere rechtspersonen en natuurlijke personen
opzettelijk gelegenheid heeft gegeven
om in of vanuit Nederland via internet mede te dingen naar een of meer
prijzen of premies, waarbij de aanwijzing der winnaar(s) geschiedde door enige kansbepaling waarop de deelnemers in het algemeen geen overwegende invloed konden uitoefenen,
zonder dat (telkens) daarvoor een vergunning ingevolge de Wet op de Kansspelen was verleend,
immers,
hebbende hij, verdachte en zijn mededaders
een of meer virtuele versie(s) van een of meer kansspelen, te weten:
-spellen die plegen te worden gespeeld op kansspelautomaten in de zin van artikel 30 sub c Wet op de kansspelen en/of
-casinospelen in de zin van de Beschikking casinospelen 1996 en derhalve kansspel in de zin van de Wet op de kansspelen en/of
-instantloterijen in de zin van artikel 14a lid 2 Wet op de Kansspelen aangeboden via internet te weten:
A. 1. kansspelautomaten (in een of meer spelvarianten) en
2.casinospelen namelijk Roulette (in een of meer spelvarianten), Poker (in een of meer spelvarianten) en Black Jack (in een of meer spelvarianten) via [internetsite 1] en
B. 1. kansspelautomaten (in een of meer spelvarianten) en
2. casinospelen namelijk Roulette (in een of meer spelvarianten) en Black Jack (in een of meer spelvarianten) en Poker(in een of meer spelvarianten) en Baccarat (in een of meer spelvarianten) en Videopoker (in een of meer spelvarianten) en Keno (in een of meer spelvarianten) en
3. een instantloterij Kraskaarten (in een of meer spelvarianten) via [internetsite 2] en/of
C. 1. casinospelen, namelijk Roulette (in een of meer spelvarianten) en Money Wheel (in een of meer spelvarianten) en Black Jack (in een of meer spelvarianten) en Poker (in een of meer spelvarianten) en Baccarat (in een of meer spelvarianten) en Videopoker (in een of meer spelvarianten) en Keno (in een of meer spelvarianten) en
2. kansspelautomaten (in een of meer spelvarianten) en
3. een instantloterij Scratchcards (in een of meer spelvarianten)
via [internetsite 3] en
D. 1. casinospelen namelijk Roulette (in een of meer spelvarianten) en Black Jack (in een of meer spelvarianten) en Poker (in een of meer spelvarianten) en Baccarat (in een of meer spelvarianten) en Videopoker (in een of meer spelvarianten) en Keno (in een of meer spelvarianten) en
2. kansspelautomaten (in een of meer spelvarianten) en
3. een instantloterij Scratchcards (in een of meer spelvarianten) via [internetsite 4] en
E. 1. kansspelautomaten (in een of meer spelvarianten) en
2. casinospelen namelijk Roulette (in een of meer spelvarianten) en Black Jack (in een of meer spelvarianten) en Poker en Keno (in een of meer spelvarianten) via [internetsite 5] en
F. kansspelautomaten (in een of meer spelvarianten) via [internetsite 6] en
G. casinospelen namelijk Poker (in een of meer spelvarianten) via de [internetsite 7] ”
De overwegingen van het hof
Het hof heeft het verweer dat het onder feit 2 tenlastegelegde feit in hoger beroep al (gedeeltelijk) was verjaard verworpen en daartoe het volgende overwogen:
“Ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de strafvervolging
Verweren verdediging
De verdediging heeft zich, op de gronden als verwoord in de pleitnota en onder aansluiting bij hetgeen in de zaak van [medeverdachte 1] als verweer is gevoerd, op het standpunt gesteld dat het Openbaar Ministerie (geheel of gedeeltelijk) niet-ontvankelijk in de strafvervolging dient te worden verklaard, omdat:
1. het onder 2 tenlastegelegde feit gedeeltelijk is verjaard en
(…)
Deze gronden komen in de kern op het volgende neer.
1. Verjaring
Onder 2 is aan de verdachte (het medeplegen van) opzettelijke overtreding van artikel 1, eerste lid, van de Wet op de kansspelen tenlastegelegd. Blijkens artikel 1, aanhef en onder 3°, van de Wet op de economische delicten (WED) is dit een economisch delict.
Op grond van het bepaalde in artikel 2, derde lid, WED in verbinding met artikel 36, eerste lid, Wok is dit een misdrijf. In artikel 6, eerste lid, aanhef en onder 2°, WED is hierop een gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren gesteld.
Ingevolge artikel 70, eerste lid, aanhef en onder 2°, Wetboek van Strafrecht (Sr) vervalt het recht tot strafvordering door verjaring in zes jaren voor de misdrijven waarop een gevangenisstraf van niet meer dan drie jaren is gesteld. De termijn van verjaring vangt aan op de dag na die waarop het feit is gepleegd (artikel 71, aanhef, Sr).
Uit artikel 71, eerste lid, Sr blijkt dat elke daad van vervolging de verjaring, ook ten aanzien van anderen dan de vervolgde, stuit. Krachtens het tweede lid van dat artikel vangt na de stuiting een nieuwe verjaringstermijn aan. Het recht tot strafvordering vervalt evenwel ten aanzien van misdrijven indien vanaf de dag waarop de oorspronkelijke verjaringstermijn is aangevangen een periode is verstreken die gelijk is aan twee maal de voor het misdrijf geldende verjaringstermijn.
Dat betekent dat het onderhavige feit is verjaard voor zover de tenlastegelegde periode is gelegen twaalf jaren vóór de uitspraakdatum van dit arrest. Het Openbaar Ministerie dient in zoverre niet-ontvankelijk te worden verklaard in de strafvervolging. Deze gedeeltelijke verjaring werkt door in de andere tenlastegelegde feiten.
Ad 1. Verjaring
De volgende bepalingen zijn van belang, luidend in de tenlastegelegde periode (1 juli 2004 tot en met 24 mei 2013).
(…)
Aanvangstermijn verjaring
Gelet op artikel 70, eerste lid, aanhef en onder 2°, van het Wetboek van Strafrecht is de absolute verjaringstermijn voor het aan de verdachte tenlastegelegde Wok-feit twaalf jaren, in beginsel te rekenen vanaf de dag na het begaan van het misdrijf.
Het hof merkt het verwijt dat de verdachte treft aan als één voortdurend delict. Dit verwijt betreft immers het door de verdachte – al dan niet in de vorm van medeplegen of feitelijke leiding geven – aan anderen gelegenheid geven om mede te dingen naar prijzen of premies, indien de aanwijzing der winnaars geschiedt door enige kansbepaling waarop de deelnemers in het algemeen geen overwegende invloed kunnen uitoefenen, zonder dat daartoe een vergunning is verleend. Daardoor is het delict pas voltooid als de verdachte niet langer in gebreke is, dat wil zeggen vanaf het moment dat feitelijk niet langer die gelegenheid wordt gegeven. Immers, naar de aard van de tenlastegelegde gedraging beschouwd, is sprake van een blijvende ‘gelegenheid tot het mede dingen naar prijzen of premies’ vanaf het moment dat die gelegenheid is gecreëerd tot het moment dat die gelegenheid door een handeling of nalaten wordt tenietgedaan. Zolang die gelegenheid niet wordt tenietgedaan, blijft feitelijk de gelegenheid in stand en duurt de verboden situatie voort. Aldus is sprake van een voortdurend delict. Een andersluidende opvatting – zoals door de verdediging is bepleit – te weten dat sprake is van het ‘telkens’ opnieuw aanbieden van kansspelen middels verschillende naast elkaar bestaande websites waardoor geen sprake is van één voortdurend delict maar ieder van telkens afzonderlijke en nieuwe (commissie)delicten, doet naar ‘s hofs oordeel geen recht aan het verwijt dat de verdachte treft. Dat het gelegenheid geven heeft plaatsgevonden middels het op verschillende websites – gelijktijdig of na elkaar – aanbieden van deze kansspelen, doet daaraan naar het oordeel van het hof niet af. De keuze van het Openbaar Ministerie om het delict op een bepaalde wijze ten laste te leggen, is overigens niet bepalend voor het oordeel of al dan niet sprake is van een voortdurend delict.
De dag waarop de verjaringstermijn is aangevangen zal het hof daarom ook vaststellen op 25 mei 2013.
Nu na de dag waarop de oorspronkelijke verjaringstermijn is aangevangen – gelet op de datum waarop dit arrest wordt gewezen – geen periode is verstreken die gelijk is aan twee maal de voor het misdrijf geldende verjaringstermijn (artikel 72, tweede lid, Sr), is het recht tot strafvordering nog niet verjaard.
De verjaring is dus nog niet ingetreden.
Doorwerking verjaring in andere tenlastegelegde feiten
Voor zover de verdediging op gronden zoals gevoerd in de pleitnota’s nog heeft aangevoerd dat de verjaring van de tenlastegelegde overtreding van de Wet op de Kansspelen doorwerking vindt in de andere tenlastegelegde feiten, behoeven deze gelet op het vorengaande geen bespreking meer.”
Verder zijn onderstaande bewijsoverwegingen uit het door het hof bevestigde vonnis van de rechtbank van belang:
“Wet op de kansspelen (zaaksdossier 1, feit 2)
Algemeen
In het onderzoek Rykiel staat centraal het aanbieden van gokspellen via internet, die online
door spelers vanaf hun computer kunnen worden gespeeld. [medeverdachte 1] en de broers [medeverdachte 2] en
[medeverdachte 3] worden ervan verdacht dat zij de personen zijn achter het aanbieden van
gokspellen via internet en daarmee omvangrijke geldbedragen hebben gegenereerd en
verdiend. Daarbij zou gebruik zijn gemaakt van diverse vennootschappen, die in een
verband en samenhang met elkaar ertoe zouden dienen om te verhullen wie achter het
aanbieden van de online gokspelen zat, hoe geldstromen liepen en hoe de geldstromen
werden verantwoord.
Het aan verdachte ten laste gelegde betreft - kort gezegd en algemeen weergegeven -
overtreding van artikel 1, lid 1, onder a, van de Wok, door het zonder vergunning in
Nederland aanbieden van kansspelen via internet. De rechtbank zal het ten laste gelegde bij
de bespreking van dit feit in het navolgende kortheidshalve aanduiden als: het aanbieden
van online kansspelen zonder vergunning.
De rechtbank zal allereerst in het algemeen bespreken of sprake is van het aanbieden van
kansspelen in de zin van en wellicht in strijd met artikel I, lid 1, onder a, van de Wok.
Vervolgens zal de rechtbank bespreken wie als aanbieder van de online kansspelen moet
worden aangemerkt. Vervolgens zal de rechtbank ingaan op de rol die verdachte in het
bijzonder in het licht van het ten laste gelegde heeft gespeeld en hoe deze rol in
strafrechtelijk relevante termen moet worden geduid.
(…)
Kansspelen
In het onderzoek Rykiel en in het bijzonder het ten laste gelegde feit gaat het om zeven met
name genoemde websites, te weten:
- [internetsite 1] ,
- [internetsite 2] ,
- [internetsite 3] ,
- [internetsite 4] ,
- [internetsite 5] ,
- [internetsite 6] , en
- [internetsite 7] .
Via deze websites werd spelers de gelegenheid geboden om online spellen te spelen zoals
poker, roulette en black jack, op fruit-/slotmachines te spelen en mee te doen aan
instantloterijen. (…)
(…)
Gelegenheid geven
Of sprake is van het gelegenheid geven tot het spelen van kansspelen dient te worden beoordeeld aan de hand van de bepalingen van Wok. Hoewel niet met zoveel woorden vervat in delictsomschrijving van artikel 1, lid 1, onder a, van de Wok, moet sprake zijn van het in Nederland gelegenheid geven tot het spelen van kansspelen, nu het gaat om een hier te lande geldende nationale regeling.
(…)
Vaststaat en niet betwist is dat de presentatie van de spellen via het internet aan de speler, geen andere handelingen vergde dan die door de speler op de computer kunnen worden verricht.
In de periode 30 oktober 2012 tot en met 21 mei 2013 is door [verbalisant 1] zes maal
onderzoek verricht naar de betreffende websites, waarvan de bevindingen zijn neergelegd in
het proces-verbaal d.d. 9 april 2014 (ZD01 1317-1321).
In de periode 11 april 2013 tot en met 14 mei 2013 is door [verbalisant 2] , voornoemd,
onderzoek verricht naar de zeven websites. Uit de door hem opgemaakte processen-verbaal
van bevindingen blijkt met betrekking tot alle zeven websites van gerichtheid op Nederland.
(…)
Aanbieder(s)
De rechtbank ziet zich vervolgens gesteld voor de vraag wie als aanbieder van online kansspelen moet worden aangemerkt. Daarvoor acht de rechtbank relevant wie als rechthebbende heeft te gelden met betrekking tot de websites waarop online kansspelen werden aangeboden.
Uit het dossier (proces-verbaal van bevindingen ZD01 1237-1313) blijkt per website van de datum van eerste registratie van de domeinnamen, eventuele opvolgende registraties, en wie de registrant is geweest. Uit onderzoek naar de domeinnamen komt naar voren dat:
- de domeinnaam [internetsite 5] op 6 juli 2004 is geregistreerd en nadien opvolgend door [E] , [internetsite 8] en [B] en op 9 juli 2009 door [C] ;
- de domeinnamen [internetsite 1] op 22 februari 2007, [internetsite 3] op 26 januari 2006, en [internetsite 4] op 19 juni 2003 zijn geregistreerd en nadien via [internetsite 8] en [B] zijn geregistreerd door [C] ;
- de domeinnamen [internetsite 6] op 25 september 2006 en [internetsite 7] op 22 februari 2007 zijn geregistreerd, en nadien via [B] zijn geregistreerd door [C] ;
- de domeinnaam [internetsite 2] op 25 juni 2009 is geregistreerd door [C] .
Alle domeinnamen zijn derhalve op enig moment geregistreerd op naam van [B] ., een vennootschap naar het recht van Jersey, en vervolgens op naam van [C] , een vennootschap naar het recht van Costa Rica. Tevens is in 2012 en 2013 geconstateerd dat dat [C] op de websites als eigenaar is vermeld.
(…)
Structuur
In het onderzoek Rykiel is gebleken dat bij het aanbieden van kansspelen gebruik is gemaakt van diverse Nederlandse en buitenlandse vennootschappen. Binnen deze vennootschappen werden werkzaamheden verricht als het maken van spellen, het online aanbieden van kansspelen, het afwikkelen van het financiële verkeer rondom inleg van en uitbetaling aan spelers, technische ondersteuning aan afnemers van spellen, alsmede de administratieve werkzaamheden die met voorgaande waren gemoeid. (…)
Uit het dossier komt naar het oordeel van de rechtbank genoegzaam naar voren dat deze vennootschappen, vanaf 2004 tot en met mei 2013, beginnend bij [E] en eindigend met [C] , via internet in Nederland kansspelen hebben aangeboden. Uit de zienswijze van [medeverdachte 1] blijkt dat de vennootschappen [E] , [B] en [C] juist zijn opgericht met het doel kansspelen via het internet te kunnen (blijven) aanbieden in Nederland. De bedrijfsvoering rondom het aanbieden van kansspelen was daar nagenoeg volledig op gericht. (…)
Ten aanzien van [verdachte]
Aan verdachte is onder feit 2 ten laste gelegd dat hij in de periode 29 juni 2009 tot met 24 mei 2013 tezamen en in vereniging met de rechtspersonen [B] en [C] , kansspelen heeft aangeboden via internet in Nederland zonder vergunning. Het verweer van verdachte komt erop neer dat hij technisch uitvoerende werkzaamheden verrichtte en een helpdeskfunctie bekleedde ten behoeve van de casino’s, zijnde afnemers van zijn werkgever.
Verdachte is op 29 juni 2009 in dienst getreden bij [A] als projectmanager en heeft sedertdien daar werkzaamheden verricht. Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting komt naar voren dat verdachte zich met name bezighield met de helpdeskfunctie voor spelers van online casino’s en optrad als ‘troubleshooter’. Verdachte had ook toegang tot het programma SMAKsoftware, waarmee hij alle gegevens in kon zien van spellen en spelers van online kansspelen. Uit chatgesprekken tussen verdachte en [medeverdachte 1] in 2011 blijkt dat hij doorlopend inzicht had in aantallen spelers, wie dit waren en de omvang van de inleg. Naar het oordeel van de rechtbank moet verdachte vanuit zijn functie dan ook op de hoogte zijn geweest van het feit dat online kansspelen werden aangeboden en - onder meer - in Nederland door Nederlandse spelers werden gespeeld.
(…)
Gelet op het voorgaande in samenhang bezien, is de rechtbank van oordeel dat verdachte in zijn helpdeskfunctie een cruciale rol had bij het oplossen van technische problemen en vragen van klanten, waardoor het aanbieden van online kansspelen door [B] en [C] door kon gaan. Hij had doorlopend zicht op relevante spelgegevens als inleg en prijzen. Zijn opzet was daarbij zonder meer gericht op het aanbieden van kansspelen, wetende dat het niet was toegestaan. Aldus heeft hij een wezenlijke en intellectuele bijdrage geleverd in een nauwe en bewuste samenwerking met genoemde rechtspersonen.
De rechtbank acht daarom wettig en overtuigend bewezen dat verdachte in de periode 29 juni 2009 tot en met 24 mei 2013 tezamen en in vereniging met [B] . en [C] online kansspelen in Nederland heeft aangeboden zonder vergunning.”
In een aanvulling van de bewijsmiddelen is – voor zover relevant voor de bespreking van dit middel – het volgende bewijsmiddel opgenomen:
“15. Het proces-verbaal van bevindingen ‘van onderzoek aan de data aangetroffen op de in Zweden in beslaggenomen servers (ZD01, p. 1661-1666)
(p. 1661)
Op 24 mei 2013 is door de daartoe bevoegde autoriteiten in Zweden onderzoek gedaan en beslag gelegd op servers van de rechtspersonen [A] , [F] en [G] . De servers stonden op het adres van het datacentre Interroute in [plaats] , Zweden.
Uit onderzoek is gebleken dat de servers ingericht waren als webserver. De webservers bevatten de configuraties en bestanden om de onderstaande domeinen te kunnen bezoeken.
[internetsite 1]
[internetsite 2]
[internetsite 3]
[internetsite 9]
[internetsite 4]
[internetsite 6]
[internetsite 5]
[internetsite 10]
(…)”
De toelichting op het eerste middel
Met de eerste deelklacht wordt geklaagd over het oordeel van het hof dat de tenlastelegging van feit 2 één voortdurend delict betreft en niet meerdere, cumulatief tenlastegelegde feiten. Het feit is in de tenlastelegging feitelijk omschreven door middel van een uitsplitsing per website. De delictsomschrijving van art. 1 lid 1 Wok is al vervuld wanneer op één website deze gelegenheid wordt gegeven. In de onderhavige zaak hebben de rechtspersonen op uiteenlopende momenten in de tenlastegelegde periode kansspelen aangeboden via in totaal zeven verschillende websites. Verder is volgens de stellers van het middel van belang dat in de tenlastelegging tweemaal het woord ‘(telkens)’ opgenomen. Het hof heeft bovendien geen inzicht gegeven in de feiten en omstandigheden waarop het zijn uitleg van de tenlastelegging heeft gebaseerd. Gelet hierop is de uitleg van de tenlastelegging door het hof onverenigbaar met de bewoordingen ervan, althans is die uitleg onbegrijpelijk of ontoereikend gemotiveerd.
Ten aanzien van de tweede deelklacht wordt door de stellers van het middel toegelicht waarom het onder 2 tenlastegelegde in zijn geheel is verjaard, namelijk omdat voor dit delict een absolute verjaringstermijn geldt van twaalf jaren en sinds de einddatum van het feit op 25 mei 2013 meer dan twaalf jaren zijn verstreken.
Ik zal aanvangen met een bespreking van de tweede deelklacht en vervolgens bespreken of de eerste deelklacht nog bespreking behoeft.
Het juridisch kader bij de tweede deelklacht van het eerste middel
De volgende bepalingen zijn van belang:
- Art. 70 Sr:
“1. Het recht tot strafvordering vervalt door verjaring:
(…)
2° in zes jaren voor de misdrijven waarop geldboete, hechtenis of gevangenisstraf van niet meer dan drie jaren is gesteld"
- Art. 71 Sr:
“De termijn van verjaring vangt aan op de dag na die waarop het feit is gepleegd, (…)”
- Art. 72 Sr:
“1. Elke daad van vervolging stuit de verjaring, ook ten aanzien van anderen dan de vervolgde.
2. Na de stuiting vangt een nieuwe verjaringstermijn aan. Het recht tot strafvordering vervalt evenwel ten aanzien van overtredingen na tien jaren en ten aanzien van misdrijven indien vanaf de dag waarop de oorspronkelijke verjaringstermijn is aangevangen een periode is verstreken die gelijk is aan twee maal de voor het misdrijf geldende verjaringstermijn.”
“2. Indien een strafbaar feit wordt begaan door een rechtspersoon, kan de strafvervolging worden ingesteld en kunnen de in de wet voorziene straffen en maatregelen, indien zij daarvoor in aanmerking komen, worden uitgesproken:
(…)
2° tegen hen die tot het feit opdracht hebben gegeven, alsmede tegen hen die feitelijke leiding hebben gegeven aan de verboden gedraging (…)”
- Art.1 Wok:
“1. Behoudens het in Titel Va van deze wet bepaalde is het verboden:
a. gelegenheid te geven om mede te dingen naar prijzen of premies, indien de aanwijzing der winnaars geschiedt door enige kansbepaling waarop de deelnemers in het algemeen geen overwegende invloed kunnen uitoefenen, tenzij daarvoor ingevolge deze wet vergunning is verleend”
- Art. 31 lid 1 en lid 3 (oud) Wok, thans art. 36 lid 1 en lid 3 Wok:
“1. Gedragingen in strijd met de voorschriften vastgesteld bij of krachtens de artikelen 1, eerste lid, onder a, (…) zijn misdrijven, voorzover zij opzettelijk zijn begaan, en overigens overtredingen.
(…)
3. Gedragingen, die in dit artikel als misdrijf of als overtreding zijn aangemerkt, zijn economische delicten in de zin van artikel 1, aanhef en onder 3°, van de Wet op de economische delicten.”
- Art. 1 WED:
“Economische delicten zijn:
(…)
3° overtredingen van voorschriften, gesteld bij of krachtens:
(…)
de Wet op de kansspelen, de artikelen 1, eerste lid, onder a”
- Art. 2 lid 3 WED:
“3. De economische delicten, bedoeld in artikel 1, onder 3°, zijn misdrijven of overtredingen, al naar gelang zij in de desbetreffende voorschriften als misdrijf dan wel als overtreding zijn gekenmerkt.”
- Art. 6 lid 1 WED:
“1. Hij, die een economisch delict begaat, wordt gestraft:
1° in geval van misdrijf, voor zover het betreft een economisch delict, bedoeld in artikel 1, onder 1°, of in artikel 1a, onder 1°, met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren, taakstraf of geldboete van de vijfde categorie;
2° in geval van een ander misdrijf met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren, taakstraf of geldboete van de vierde categorie”,
De bespreking van de tweede deelklacht uit het eerste middel
De verdachte is onder 2 – zakelijk weergegeven – tenlastegelegd dat hij als medepleger met [B] en/of [C] en/of [D] en/of [E] en/of een of meer andere rechts- en/of natuurlijke personen opzettelijk kansspelen via het internet heeft aangeboden in Nederland zonder vergunning. Bewezen is verklaard dat de verdachte als medepleger met [B] en [C] en andere rechts- en natuurlijke personen opzettelijk kansspelen via het internet heeft aangeboden in Nederland zonder vergunning. Dit feit is gekwalificeerd als “medeplegen van overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 1, eerste lid onder a (voorheen 1 onder a) van de Wet op de kansspelen, opzettelijk begaan”.
Op grond van art. 36 lid 1 Wok is overtreding van het verbod uit art. 1 lid 1 onder a Wok een misdrijf voor zover het opzettelijk is begaan. Overtreding van art. 1 lid 1 onder a Wok is blijkens art. 36 lid 3 Wok een economisch delict als bedoeld in art. 1 aanhef en onder 3 van de WED. Ingevolge art. 6 lid 1 WED in samenhang bezien met de zojuist genoemde bepalingen en art. 2 lid 3 WED staat op het onder 2 tenlastegelegde en bewezenverklaarde feit een gevangenisstraf van maximaal twee jaren.
Op grond van art. 70 lid 1, aanhef en onder 2 en art. 72 lid 2 Sr bedraagt de absolute verjaringstermijn voor dit delict twee maal zes en dus twaalf jaren. Als, zoals het hof heeft gedaan, als uitgangspunt wordt genomen dat de verjaringstermijn is aangevangen op de dag na die waarop de tenlastegelegde periode eindigt, dan is de verjaringstermijn aangevangen op 25 mei 2013. Dit heeft tot gevolg dat het recht tot strafvordering op 25 mei 2025 is komen te vervallen. Dat betekent dat – onafhankelijk van de uitkomst van de eerste deelklacht – de tweede deelklacht uit het eerste middel slaagt. Omdat het onder 2 tenlastegelegde en bewezenverklaarde feit op dit moment is verjaard, zal het openbaar ministerie in zoverre niet-ontvankelijk moeten worden verklaard.
Voor vermindering van de duur van de opgelegde straf bestaat evenwel onvoldoende grond, aangezien de aard en de ernst van hetgeen voor het overige ten laste van de verdachte is bewezenverklaard niet worden aangetast door bedoelde niet-ontvankelijkverklaring. Ik wijs er in dat kader op dat de aan de verdachte opgelegde taakstraf van 80 uren ook is opgelegd wegens het gedurende bijna vier en een half jaar lang deelnemen aan een criminele organisatie, een delict dat met een beduidend hogere straf wordt bedreigd dan overtreding van de Wok. Het voorgaande behoeft derhalve niet te leiden tot vernietiging van de bestreden uitspraak wat betreft de strafoplegging en terugwijzing van de zaak.
Gelet op het voorgaande heb ik mijzelf afgevraagd of het noodzakelijk is om de eerste deelklacht ook nog te bespreken. Dat is mijns inziens wel het geval. Het hof heeft namelijk geoordeeld dat de verjaring van feit 2 ten tijde van de behandeling van de zaak in hoger beroep nog niet was ingetreden en dat het daarom niet in hoefde te gaan op klachten over de doorwerking van de verjaring van feit 2 in feit 1. In het tweede cassatiemiddel wordt geklaagd over dat oordeel van het hof. Om die klacht te kunnen bespreken, is het mijns inziens nodig om eerst te weten of het oordeel van het hof dat feit 2 ten tijde van de behandeling in hoger beroep nog niet (gedeeltelijk) verjaard was stand kan houden.
Het beoordelingskader bij de eerste deelklacht uit het eerste middel
In de eerste deelklacht staat in de kern de vraag centraal of de uitleg die het hof aan de tenlastelegging van feit 2 heeft gegeven, inhoudende dat die één voortdurend delict bevat, in strijd is met de bewoordingen van de tenlastelegging.
Voortdurende delicten en art. 1 lid 1 sub a Wok als voortdurend delict
Het hof heeft het onder feit 2 tenlastegelegde aangemerkt als een voortdurend delict. Een voortdurend delict is een delict waarbij het plegen niet beperkt is tot één korte concrete handeling, maar waarbij het plegen enige tijd voortduurt. De strafbare gedraging bestaat uit het doen voortduren van een door de wet verboden toestand. Het plegen van een voortdurend delict eindigt pas zodra aan die toestand een einde wordt gemaakt, door de verdachte of door andere omstandigheden. Voorbeelden van voortdurende delicten zijn het voorhanden of aanwezig hebben van bepaalde zaken, zoals in de Opiumwet, de helings- en witwasbepalingen of art. 252 Sr over het bezit van kinderpornografie. Deelneming aan een criminele organisatie kan ook een voortdurende vorm aannemen. Of een feit tot de categorie van de voortdurende delicten behoort, valt doorgaans af te leiden uit de wettelijke omschrijving. In cassatie spelen bij de beoordeling van de vraag of het hof heeft kunnen aannemen dat sprake is van een voortdurend delict zowel de aard van het delict als de wijze van ten laste leggen en de uitleg van die tenlastelegging door de feitenrechter in een concreet geval een rol.
In de onderhavige zaak is de verdachte veroordeeld voor overtreding van art. 1 lid 1 onder a van de Wok. Om tot een bewezenverklaring van dat delict te kunnen komen, dient – kort gezegd en in mijn eigen bewoordingen – te worden aangetoond dat de verdachte (1) gelegenheid heeft gegeven, (2) tot het spelen van kansspelen (3) zonder dat daarvoor een vergunning is verleend. Hoewel de wetsgeschiedenis daarover geen uitsluitsel biedt, lijkt het bestanddeel ‘het geven van gelegenheid’ erop te wijzen dat het delict naar zijn aard een voortdurend delict betreft. Het ‘geven van gelegenheid’ kan immers een toestand in het leven roepen die enige tijd kan duren. Het is in die zin vergelijkbaar met bijvoorbeeld het aanwezig hebben van verdovende middelen, het voorhanden hebben van wapens en het in hulpeloze toestand laten van een persoon. Het geven van de gelegenheid duurt voort zolang die situatie niet wijzigt.
De verjaring van voortdurende delicten
Op grond van art. 71 Sr neemt de verjaringstermijn een aanvang ‘op de dag na die waarop het feit is gepleegd’. De term ‘gepleegd’ duidt erop dat de verjaringstermijn pas begint te lopen op het moment dat het strafbare feit in zijn geheel is voltooid. De inhoud van de delictsomschrijving moet dus volledig zijn vervuld. Dat ligt voor de hand. Zou de start van de verjaringstermijn namelijk aansluiten bij de delictsgedraging en niet bij het voltooien van het delict, dan zou een delict al verjaard kunnen zijn voordat het is voltooid.
De verjaringstermijn van voortdurende delicten begint te lopen op de dag na de beëindiging van de verboden toestand. Tot die tijd wordt het feit tenslotte gepleegd. Van belang om te onthouden is dat een voortdurend delict uiteindelijk ook slechts één strafbaar feit oplevert. Dat ene strafbare feit begint te verjaren als het delict is gepleegd, dus pas nadat de laatste handeling is verricht. Het vervolgingsrecht blijft tot die tijd bestaan.
Gevallen uit de jurisprudentie waarin ter discussie stond of bepaalde feiten waren verjaard en waarin volgens de Hoge Raad sprake was van een voortdurend delict zijn onder meer de volgende: het nalaten een deugdelijke registratie te voeren van de arbeids- en rusttijden van werknemers (art. 4:3 lid 1 Arbeidstijdenwet), het verzwijgen van het aannemen van giften tijdens een dienstverband (art. 328ter lid 1 Sr) en het verborgen houden van een lijk (art. 151 Sr).
Verder is nog een tweetal andere arresten het vermelden waard. In een arrest van 11 oktober 2022 was bewezenverklaard dat de verdachte haar tien kinderen in hulpeloze toestand had gelaten (art. 255 Sr). Dit was volgens het hof te zien als één in nalaten bestaand voortdurend delict. Naar het oordeel van de Hoge Raad kon het hof dit echter niet aanmerken als één doorlopend delict, maar was sprake van meerdere van elkaar te onderscheiden voltooiingen van hetzelfde (voortdurende) delict, zodat de verjaringstermijn ten aanzien van elk kind afzonderlijk moest worden bepaald. In een arrest van 5 juli 2016 was het oordeel van het hof dat het tenlastegelegde zonder vergunning als effectenbemiddelaar aanbieden van diensten aan tien bij naam genoemde personen gekwalificeerd moest worden als voortdurend delict omdat dit delict “pas (is) voltooid op de dag dat de betrokken verdachte niet langer zonder vergunning opereert” ontoereikend gemotiveerd. Die motivering schoot tekort omdat het Hof er geen inzicht in heeft gegeven op welke feiten en omstandigheden, zoals de aard van de werkzaamheden die de effectenbemiddelaar of vermogensbeheerder voor de in de tenlastelegging genoemde personen gedurende de daarin vermelde periode heeft verricht of het tijdstip waarop deze die werkzaamheden heeft verricht, het zijn uitleg van de tenlastelegging heeft gebaseerd.
Deelneming en verjaring
De tekst van de wet (art. 71 Sr) spreekt over het ‘plegen’ van het feit. Daaruit vloeit volgens De Hullu en Van Kempen voort dat de start van de verjaringstermijn voor deelnemers aan een strafbaar feit aansluit bij die van de pleger, dat wil zeggen: bij de voltooiing van de delictsinhoud door de pleger. Voor deelnemingsgedragingen waarbij de dader en de pleger simultaan opereren, ligt dat voor de hand. Dat is minder het geval voor deelnemingsgedragingen waarbij de gedraging van de deelnemer voorafgaat aan het plegen van het hoofddelict. Te denken valt aan doen plegers, uitlokkers en medeplichtigen tot het hoofddelict. Ook in die gevallen moet echter worden aangenomen dat de verjaringstermijn pas begint te lopen wanneer het hoofddelict zich geheel heeft voltrokken. Anders zou immers bijvoorbeeld de situatie kunnen ontstaan dat de uitlokking al verjaard is terwijl het grondfeit nog niet is gepleegd.
De bespreking van de eerste deelklacht
In het kort is in hoger beroep aangevoerd dat het onder 2 tenlastegelegde feit was verjaard voor zover de tenlastegelegde periode was gelegen twaalf jaren vóór de uitspraakdatum van het arrest. Het hof heeft geoordeeld dat het recht tot strafvordering nog niet was verjaard. Dat oordeel heeft het gemotiveerd door het verwijt dat de verdachte treft aan te merken als één voortdurend delict, dat pas is voltooid als de verdachte niet langer in gebreke is, dat wil zeggen vanaf het moment dat feitelijk niet langer de gelegenheid aan anderen wordt gegeven om mee te doen aan kansspelen. Naar de aard van de tenlastegelegde gedraging is immers sprake van een blijvende gelegenheid tot het mededingen naar prijzen of premies vanaf het moment dat die gelegenheid is gecreëerd tot het moment dat die gelegenheid door een handeling of nalaten wordt tenietgedaan. Een andersluidende opvatting – zoals door de verdediging is bepleit – te weten dat sprake is van het ‘telkens’ opnieuw aanbieden van kansspelen middels naast elkaar bestaande websites waardoor geen sprake is van één voortdurend delict maar van telkens afzonderlijke en nieuwe delicten, doet naar het oordeel van het hof geen recht aan het verwijt dat de verdachte treft. Dat het gelegenheid geven heeft plaatsgevonden middels het op verschillende websites – gelijktijdig of na elkaar – aanbieden van deze kansspelen doet daaraan naar het oordeel van het hof niet af. De keuze van het openbaar ministerie om het delict op een bepaalde wijze ten laste te leggen is overigens niet bepalend voor het oordeel of al dan niet sprake is van een voortdurend delict, aldus het hof. De dag dat de verjaringstermijn is aangevangen stelt het hof vervolgens vast op 25 mei 2013.
Voordat ik toekom aan de bespreking van de vraag naar de houdbaarheid van ’s hofs verwerping van het beroep op verjaring van feit 2, sta ik kort stil bij het verwijt dat de verdachte in de tenlastelegging wordt gemaakt. Zoals al eerder benoemd, wordt de verdachte in feit 2 verweten dat hij als medepleger met een aantal rechts- en/of natuurlijke personen kansspelen via het internet heeft aangeboden zonder vergunning. Dit gebeurde via zeven verschillende websites.
In de eerste deelklacht wordt geklaagd over het oordeel van het hof dat feit 2 één voortdurend delict betreft en niet meerdere, cumulatief tenlastegelegde feiten. In de toelichting wordt aangevoerd dat het feit in de tenlastelegging is omschreven middels een uitsplitsing per website en de delictsomschrijving uit art. 1 lid 1 sub a Wok al is vervuld wanneer op één website gelegenheid tot het meedoen aan kansspelen wordt gegeven. De uitleg van de tenlastelegging door het hof is volgens de stellers van het middel om deze redenen onverenigbaar met de bewoordingen ervan.
Opgemerkt zij in de eerste plaats dat ik niet inzie welk belang de verdachte heeft bij deze klacht. De tenlastegelegde periode loopt van 29 juni 2009 tot en met 24 mei 2013. Uit de bewijsmiddelen volgt dat ieder van de in de tenlastelegging genoemd zeven websites aan het einde van de tenlastegelegde periode nog in de lucht was (zie bewijsmiddel 15, hierboven aangehaald in randnummer 4.6). Ook als de verjaring zou worden uitgesplitst per website, waarop door de stellers van het middel wordt aangestuurd, zou de verjaringstermijn dus pas op 25 mei 2013 van start zijn gegaan. Dat is dezelfde datum die het hof heeft gehanteerd als startdatum van de verjaring.
Overigens ben ik ook van oordeel dat de klacht op inhoudelijke gronden niet slaagt. De tenlastelegging houdt in dat de verdachte, samen met anderen, (telkens) opzettelijk gelegenheid heeft gegeven tot het online spelen van kansspelen door op verschillende websites kansspelen aan te bieden. Doordat “telkens” tussen haakjes is geplaatst, biedt deze wijze van ten laste leggen enige ruimte voor uitleg aan de rechter. Het hof heeft het tenlastegelegde als één voortdurend delict aangemerkt en niet als zeven afzonderlijke voortdurende delicten. Mijns inziens is dit oordeel van het hof niet onbegrijpelijk en niet onverenigbaar met de bewoordingen van de tenlastelegging. Ik kan het hof goed volgen in de overweging dat een uitleg van de tenlastelegging die inhoudt dat daarin meerdere op zich zelf staande voltooiingen van hetzelfde delict staan, geen recht doet aan het verwijt dat de verdachte wordt gemaakt. Strijd met de bewoordingen van de tenlastelegging levert dat niet op.
Verder valt op dat de aard van het tenlastegelegde feit en de wijze waarop dat feit is ten laste gelegd verschillen van die uit een aantal zaken zoals genoemd onder 4.21 en 4.22 In HR 11 oktober 2022, ECLI:NL:HR:2022:1410 ging het om het in hulpeloze toestand brengen of laten van tien kinderen. Het oordeel van het hof dat dat één voortdurend delict opleverde was onjuist, aangezien het in hulpeloze toestand brengen of laten van meerdere personen, zoals bedoeld in art. 255 Sr, ten aanzien van elk van die personen een zelfstandige vervulling van de delictsbeschrijving oplevert. Dat hangt samen met de aard van het delict. Art. 255 Sr stelt immers strafbaar het in hulpeloze toestand brengen of laten van ‘iemand’. Wel was ten aanzien van ieder kind afzonderlijk sprake van een voortdurend delict. In HR 13 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:321 was ook twee keer hetzelfde delict voltooid, omdat de verdachte twee verschillende lijken had verborgen. Het verbergen van één lijk levert al direct het (op zichzelf voortdurende) delict uit art. 151 Sr op, want daarin is strafbaar gesteld het verbergen van ‘een lijk’. Ook hier dwingt de aard van het delict dus tot die uitleg. Dat is bij art. 1 lid 1 onder a van de Wok niet het geval.
Ik wijs ook op HR 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1391. De verdachte in die zaak had zich volgens de tenlastelegging (en bewezenverklaring) schuldig gemaakt aan medeplichtigheid aan het zonder vergunning als effectenbemiddelaar diensten aanbieden en verrichten door als vermogensbeheerder op te treden, waarbij hij telkens concrete aanbiedingen had gedaan aan concreet in de bewezenverklaring genoemde personen. Het hof oordeelde dat sprake was van één voortdurend delict. Zoals in randnummer 4.22 reeds vermeld, achtte de Hoge Raad dat oordeel niet behoorlijk gemotiveerd, in het bijzonder niet omdat het hof geen inzicht erin heeft gegeven op welke feiten en omstandigheden, zoals de aard van de werkzaamheden die de effectenbemiddelaar of vermogensbeheerder voor de in de tenlastelegging genoemde personen gedurende de daarin vermelde periode heeft verricht of het tijdstip waarop deze die werkzaamheden heeft verricht, het zijn uitleg van de tenlastelegging heeft gebaseerd. Hier speelde mijns inziens de wijze van ten laste leggen een rol. In zijn conclusie voorafgaand aan het arrest van de Hoge Raad merkt A-G Machielse op dat bij ieder concreet aanbod aan een individueel persoon telkens de delictsinhoud van art. 7 Wte 1995 werd voltooid. Bij het geven van gelegenheid tot het meedoen aan kansspelen, zoals in de onderhavige zaak, ligt dat mijns inziens anders. In de onderhavige zaak is blijkens de tenlastelegging geen sprake van het bieden van gelegenheid aan concrete personen, maar van een aan het algemene publiek op verschillende websites op het internet aangeboden gelegenheid om mee te doen aan kansspelen, hetgeen in zekere zin een openstaande uitnodiging tot het spelen van kansspelen inhoudt die blijft bestaan zolang zij niet is ingetrokken of anderszins is beëindigd. De wijze van ten laste leggen in het onderhavige geval laat kortom ruimte voor de uitleg die het hof aan de tenlastelegging heeft gegeven.
Het voorgaande in aanmerking genomen, acht ik het niet onbegrijpelijk dat het hof de tenlastelegging in de onderhavige zaak zo heeft opgevat dat het gaat om het voortdurend geven van gelegenheid en niet ten aanzien van elke website een zelfstandige vervulling van het delict uit art. 1 lid 1 onder a Wok heeft aangenomen. Die uitleg van de tenlastelegging is niet strijdig met de bewoordingen ervan.
De eerste deelklacht uit het eerste middel faalt.
5 Het tweede middel
Het tweede middel houdt de klacht in dat vanwege de verjaring van feit 2 en gelet op hetgeen in hoger beroep naar voren is gebracht over de doorwerking ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde (deelneming aan een criminele organisatie):
(i) ’s hofs (impliciete) oordeel dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in de vervolging van feit 1 onjuist en/of onbegrijpelijk en/of ontoereikend gemotiveerd is; en/of
(ii) de bewezenverklaring van feit 1 onvoldoende met redenen is omkleed; en/of
(iii) ’s hofs (impliciete) oordeel dat het onder 1 bewezenverklaarde kan worden gekwalificeerd als strafbaar feit, onjuist en/of onbegrijpelijk en/of ontoereikend gemotiveerd is.
Het onder 1 bewezenverklaarde
Ten laste van de verdachte is – in de verbeterde lezing van het hof – onder 1 bewezenverklaard dat hij:
“in de periode van 29 juni 2009 tot en met 10 november 2013,
in Nederland
heeft deelgenomen, aan een organisatie die tot oogmerk had het plegen van
misdrijven, te weten
-overtreding van de wet op de kansspelen
welke organisatie bestond uit een groep samenwerkende personen, bestaande
naast verdachte uit
- [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] en andere personen
en
- rechtsperso(o)n(en), te weten [H] en [I] en [A]
en [J] en [D] en [B] en
[C] en [K] , althans enige
Rechtspersonen.”
De overwegingen van het hof
Het hof heeft na de verwerping van het beroep op verjaring (zie middel 1) ten aanzien van het beroep op doorwerking van de verjaring van feit 2 als volgt overwogen:
Doorwerking verjaring in andere tenlastegelegde feiten
Voor zover de verdediging op gronden zoals gevoerd in de pleitnota’s nog heeft aangevoerd dat de verjaring van de tenlastegelegde overtreding van de Wet op de Kansspelen doorwerking vindt in de andere tenlastegelegde feiten, behoeven deze gelet op het vorengaande geen bespreking meer.”
Met betrekking tot feit 1 heeft het hof – voor zover relevant – het volgende in zijn arrest opgenomen:
“Bewijsoverwegingen met betrekking tot de criminele organisatie (zaaksdossier 03, feit 1)
(…)
Beoordeling: criminele organisatie
Het hof is verder van oordeel dat de hiervoor omschreven organisatie vanaf het begin (vanaf 2004) het oogmerk (het doel) had het aanbieden van online kansspelen in Nederland en daarmee het opzettelijk overtreden van de Wok. Het hof stelt vast dat het oogmerk op het aanbieden van online kansspelen in Nederland in strijd met de wet een crimineel oogmerk was. Het hof verwijst in dit kader naar wat hiervoor is overwogen met betrekking tot de organisatie en ooit naar wat is vastgesteld in het kader van de overtreding van de Wok.”
De toelichting op het tweede middel
In de toelichting op het tweede wordt opgemerkt dat de cassatieklachten uit dit middel voortbouwen op de (inmiddels volledige) verjaring van feit 2. Verwezen wordt naar hetgeen in hoger beroep is aangevoerd met betrekking tot de doorwerking van de verjaring van feit 2 voor feit 1. In de eerste plaats wordt herhaald dat is gewezen op de onschuldpresumptie ex art. 6 lid 2 EVRM. Daarnaast is ten aanzien van de deelneming aan een criminele organisatie in hoger beroep , kort gezegd, aangevoerd dat het arrest van 7 december 2004, ECLI:NL:HR:2004:AP8460 niet zonder meer doorwerking van verjaring van gronddelicten op de deelneming aan een criminele organisatie uitsluit, aangezien de Hoge Raad daarin ruimte laat voor bijzondere omstandigheden die alsnog de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie mee kunnen brengen, en dat in dit geval sprake is van zo’n bijzondere omstandigheid omdat in het onder 1 tenlastegelegde uitsluitend het Wok-feit de deelnemingshandeling constitueert. Het hof heeft op deze verweren niet beslist op de grond dat feit 2 niet is verjaard. Gelet op al het voorgaande zijn ’s hofs (impliciete) oordelen onjuist, onbegrijpelijk en/of ontoereikend gemotiveerd. Daaraan wordt toegevoegd dat nu in cassatie feit 2 volledig is verjaard, de beslissingen van het hof ten aanzien van feit 1 geheel dienen te worden vernietigd, aldus de stellers van het middel.
Het beoordelingskader bij het tweede middel
Uit het arrest van 7 december 2004, ECLI:NL:HR:2004:AP8460, NJ 2005/71 m.nt. T.M. Schalken (ook wel bekend als de Clickfondszaak), waarnaar de stellers van het middel in de toelichting op het derde middel verwijzen, is het volgende van belang. Het hof had het openbaar ministerie in die zaak niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging voor de tenlastegelegde deelneming aan een criminele organisatie omdat de door de criminele organisatie beoogde misdrijven niets anders behelsden dan strafbare feiten die wegens verjaring niet meer als zelfstandige feiten konden worden vervolgd. De Hoge Raad casseerde op dit punt en overwoog:
“7.3 Het oordeel van het Hof vindt geen steun in het recht. Art. 140 Sr bevat de omschrijving van een zelfstandig misdrijf, te weten — kort gezegd — de deelneming aan een criminele organisatie, met een eigen strafbedreiging die niet afhankelijk is van de straf die is bedreigd ter zake van de door de organisatie beoogde misdrijven. Voor art. 140 Sr vloeit uit de wet de termijn voor de verjaring van het recht tot vervolging rechtstreeks voort. Niet van belang is dus de vraag of de door de organisatie beoogde misdrijven, voorzover deze ook zijn begaan, zijn verjaard, maar of dat het geval is ten aanzien van de deelnemingshandelingen van het desbetreffende lid van de organisatie. Bijzondere omstandigheden die niettemin aan de ontvankelijkheid van de Officier van Justitie in zijn vervolging voor wat betreft het door het Hof bedoelde onderdeel van feit 3 in de weg zouden kunnen staan, zijn voorts niet vastgesteld of aangevoerd.”
De Hoge Raad wees de mogelijkheid van doorwerking van verjaring in zoverre dus van de hand. Reden daarvoor is, zo begrijp ik het arrest, dat er bij de strafbaarstelling van deelneming aan een criminele organisatie geen sprake is van conditionele strafwaardigheid. Het betreft geen strafverzwaringsgrond of een feit waarvoor een accessoriteitsvereiste geldt; het is een zelfstandig strafbaar feit. Om tot een bewezenverklaring van het delict uit art. 140 Sr te komen is bovendien niet vereist dat een misdrijf is begaan en er hoeven zelfs nog geen voorbereidingen te zijn getroffen. Het gaat in deze bepaling – kortom – niet om het daadwerkelijk gepleegd zijn van misdrijven , maar het gaat om het oogmerk tot het plegen van misdrijven. Verjaring van misdrijven die in het verband van de criminele organisatie daadwerkelijk zijn begaan speelt dus geen rol bij de beoordeling van de ontvankelijkheid van de officier van justitie of het bewijs van een tenlastegelegde deelneming aan een criminele organisatie.
De bespreking van het tweede middel
Het tweede middel gaat uit van het slagen van het eerste middel en houdt in de kern in dat het oordeel van het hof, inhoudende dat de doorwerking van de verjaring van feit 2 in feit 1 geen bespreking behoeft aangezien feit 2 in hoger beroep nog niet was verjaard, onjuist dan wel onbegrijpelijk of ontoereikend gemotiveerd is aangezien dat feit wel degelijk was verjaard.
Uit mijn bespreking van de eerste deelklacht van het eerste middel volgt dat het oordeel van het hof dat feit 2 in hoger beroep nog niet was verjaard in stand kan blijven. Dat betekent dat het hof inderdaad niet in hoefde te gaan op hetgeen in hoger beroep is aangevoerd met betrekking tot de eventuele doorwerking van de verjaring van feit 2. Het tweede middel faalt dus in zoverre.
Hoewel de stellers van het middel met hun klachten uit het tweede middel en de toelichting daarop het oordeel van het hof als uitgangspunt nemen, eindigen zij de toelichting met de opmerking dat feit 2 in ieder geval in cassatie volledig is verjaard, zodat de beslissing van het hof ten aanzien van feit 1 niet in stand kan blijven en geheel moet worden vernietigd, dit overigens zonder nadere toelichting. De vraag die resteert is of de thans absolute verjaring van feit 2 in deze fase van het strafproces nog gevolgen heeft voor de veroordeling door het hof voor de feiten 1 tot en met 4.
De jurisprudentie van de Hoge Raad is helder. Verjaring van (daadwerkelijk gepleegde) delicten waarop het oogmerk van een criminele organisatie ziet staat niet in de weg aan een vervolging of het gebruik voor het bewijs van die delicten voor het criminele oogmerk van de organisatie. . Wie handelingen begaat zoals omschreven in art. 140 Sr, pleegt een nieuw strafbaar feit. Het hof heeft de vaststellingen gedaan die nodig zijn voor de bewezenverklaring van het crimineel oogmerk. Verjaring van strafbare feiten die in het kader van een criminele organisatie zijn gepleegd, doet niet af aan de strafbaarheid van de deelneming aan die organisatie. Ik zie (zeker niet zonder nadere toelichting) daarom niet in waarom van het voorgaande zou moeten worden afgeweken in het geval de verjaring intreedt nadat het hof arrest heeft gewezen en hoe dat gevolgen zou moeten hebben voor bewezenverklaringen van andere feiten.
Het tweede middel faalt.
6 Het derde middel
Het derde middel richt zich tegen de verwerping door het hof van het verweer strekkende tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie wegens schending van het vertrouwensbeginsel. Het middel valt uiteen in negen deelklachten.
Hetgeen in hoger beroep is aangevoerd
Ter terechtzitting in hoger beroep van 1 december 2023 (bij pleidooi) en 4 december 2023 (bij dupliek) hebben de raadslieden van de [medeverdachte 1] het hof verzocht om het openbaar ministerie niet-ontvankelijk te verklaren in de vervolging wegens een schending van het vertrouwensbeginsel. De raadsman van de verdachte in hoger beroep heeft zich zoals gezegd aangesloten bij de verweren zoals die zijn gevoerd in de zaak van [medeverdachte 1] .
In de kern is het volgende aangevoerd. Door de verdediging wordt niet ter discussie gesteld dat in de tenlastegelegde pleegperiode (en daarna) sprake was van een verbod op het aanbieden van (online) kansspelen zonder vergunning, en evenmin dat de verdachte van het verbod op de hoogte was. Er is echter voor 1 april 2012 (de oprichtingsdatum van de Kansspelautoriteit, hierna: Ksa) nooit iemand strafrechtelijk aangesproken op het zonder vergunning aanbieden van online kansspelen. Een bestendige praktijk, die jarenlang voortduurt, is volgens de verdediging bij uitstek geschikt om tot gerechtvaardigd vertrouwen te leiden. Dat vertrouwen werd bevestigd en versterkt in gesprekken die in aanloop naar de oprichting van de Ksa plaatsvonden tussen de overheid en kansspelaanbieders, waarna het voor een ieder duidelijk was dat niet zou worden opgetreden tegen het aanbieden van kansspelen via het internet, zolang het aanbod zich niet al te opzichtig op de Nederlandse markt zou richten. Het vertrouwen werd wederom verstevigd door en na oprichting van de Ksa op 1 april 2012. In de eerste plaats omdat de wetgever kenbaar maakte dat het primaat van de handhaving van illegale kansspelen niet bij het strafrecht zou liggen, maar bij het bestuursrecht. En voorts omdat aan aanbieders die niet voldeden aan door de Ksa opgestelde prioriteringscriteria, kenbaar werd gemaakt dat (voorlopig) niet opgetreden zou worden door de Ksa. Bij brief van 22 januari 2013 heeft de Ksa schriftelijk bevestigd dat de websites van [B] niet langer aan de prioriteringscriteria voldeden, met de toevoeging dat tegen [B] voorlopig niet zou worden opgetreden.
De verdediging merkt op dat voornoemde (en andere) uitlatingen “misschien niet uit de mond van een vertegenwoordiger van het openbaar ministerie zijn opgetekend”, maar wel uit de mond van de wetgever – terwijl een ieder er vanuit mag gaan dat het openbaar ministerie zich niet distantieert van de wet of van de wetgever. De uitlatingen waaraan de verdachte het vertrouwen ontleende dat niet zou worden gehandhaafd zijn daarnaast afkomstig van de Ksa, die publiekelijk is neergezet en ook zichzelf heeft geafficheerd als dé handhaver van de Wet op de kansspelen. Dat het openbaar ministerie, dat met die uitlatingen van de wetgever en van de Ksa bekend was, bovendien op geen enkel moment publiekelijk of in directe communicatie met aanbieders van online kansspelen een voorbehoud heeft gemaakt, brengt mee dat alle uitlatingen op dit terrein mede aan het openbaar ministerie kunnen worden toegerekend.
De verdediging concludeert dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk behoort te worden verklaard in de vervolging, omdat sprake is van een uitzonderlijk geval waarin het instellen of voortzetten van de vervolging in strijd was (en: is) met beginselen van een goede procesorde. Dat verweer heeft betrekking op alle aan de verdachte tenlastegelegde feiten, voor zover die in hoger beroep nog aan de orde zijn. Dat het verweer zo’n omvangrijk bereik heeft, is de consequentie van de vaststelling van de verdediging dat alle beschuldigingen aan het adres van de verdachte een afgeleide zijn van de gestelde overtredingen van de Wet op de kansspelen.
Ik merk hier ook nog op dat bij dupliek door de verdediging van [medeverdachte 1] is aangevoerd:
“Het klopt dat de KSA niet spreekt namens het Openbaar Ministerie. Maar er is ook een persbericht gemaakt, het is in de Tweede Kamer besproken en de staatssecretaris heeft het publiek gemaakt.”
De overwegingen van het hof
Het hof heeft het verweer verworpen en daartoe het volgende overwogen (met overneming van voetnoten):
“Regelgeving
De delictsomschrijving in de Wok luidde – voor zover thans van belang – in de tenlastegelegde periode als volgt:
Behoudens het in Titel Va van deze wet bepaalde is het verboden: gelegenheid te geven om mede te dingen naar prijzen of premies, indien de aanwijzing der winnaars geschiedt door enige kansbepaling waarop de deelnemers in het algemeen geen overwegende invloed kunnen uitoefenen, tenzij daarvoor ingevolge deze wet vergunning is verleend.
Juridisch kader
Het hof stelt met de rechtbank voorop dat in artikel 167, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering aan het Openbaar Ministerie de bevoegdheid is toegekend zelfstandig te beslissen of naar aanleiding van een ingesteld opsporingsonderzoek vervolging moet plaatsvinden. De beslissing van het Openbaar Ministerie om tot vervolging over te gaan, leent zich slechts in zeer beperkte mate voor een inhoudelijke rechterlijke toetsing in die zin dat slechts in uitzonderlijke gevallen plaats is voor een niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de vervolging op de grond dat het instellen of voortzetten van die vervolging onverenigbaar is met beginselen van een goede procesorde.
Zo’n uitzonderlijk geval doet zich voor wanneer de vervolging wordt ingesteld of voortgezet nadat door het Openbaar Ministerie gedane, of aan het Openbaar Ministerie toe te rekenen uitlatingen (of daarmee gelijk te stellen gedragingen) bij de verdachte het gerechtvaardigde vertrouwen hebben gewekt dat niet (verder) zal worden vervolgd. Aan uitlatingen of gedragingen van functionarissen aan wie geen bevoegdheden in verband met de vervolgingsbeslissing zijn toegekend, kan zulk gerechtvaardigd vertrouwen dat (verdere) vervolging achterwege zal blijven in de regel niet worden ontleend.
Een uitzonderlijk geval als zojuist bedoeld, doet zich ook voor wanneer de vervolging wordt ingesteld of voortgezet terwijl geen redelijk handelend lid van het Openbaar Ministerie heeft kunnen oordelen dat met (voortzetting van) de vervolging enig door strafrechtelijke handhaving beschermd belang gediend kan zijn. In het geval van een zodanige, aperte onevenredigheid van de vervolgingsbeslissing is de (verdere) vervolging onverenigbaar met het verbod van willekeur (het beginsel van een redelijke en billijke belangenafweging). Aan het oordeel dat het Openbaar Ministerie om deze reden in de vervolging van een verdachte niet-ontvankelijk moet worden verklaard, worden zware motiveringseisen gesteld.
(…)
Beoordeling
● Inleiding
Het hof ziet aanleiding om bij de beoordeling van het verweer onderscheid te maken in de periode vóór de oprichting van de Ksa op 1 april 2012 en de periode daarna. Vóór het bestaan van de Ksa kon immers feitelijk slechts via het strafrecht handhavend worden opgetreden tegen illegaal kansspelaanbod. Met de instelling van de Ksa werd een duaal handhavingssysteem mogelijk, waarbij de Wok niet alleen met het strafrechtelijke instrumentarium, maar ook met bestuursrechtelijke sancties gehandhaafd kon worden. De beoordeling van de verweren dient in onderling verband en samenhang te worden beschouwd. Bij de beoordeling daarvan heeft het hierboven geschetste juridische kader als uitgangpunt te gelden.
● Ad 2a. Schending van het vertrouwensbeginsel?
Periode vóór 1 april 2012
Uit het rapport ‘Nieuwe ronde, nieuwe kansen’ dat op 20 november 2000 aan de Tweede Kamer is aangeboden, blijkt dat vanwege capaciteitsproblemen bij het justitieel apparaat niet altijd werd opgetreden tegen overtredingen van de Wok. Deze situatie werd als ongewenst ervaren. Daarom zijn door het kabinet enkele beleidswijzigingen aangekondigd in de aanpak van illegaal kansspelaanbod. Daarbij is ingezet op een intensivering van de handhaving onder meer door een gecombineerd en integraal handhavingstraject. In dit verband werd medio 2001 onder meer het Projectbureau kansspelen ingesteld.
Het ingezette traject, dat na afkondiging zonder onderbrekingen is voortgezet, heeft geleid tot daadwerkelijke aanpak van (fysiek) kansspelaanbod. Waar het de handhaving van illegaal kansspelaanbod via het internet betreft, zijn brieven aan aanbieders verzonden waarbij zij erop werden gewezen dat de Wok werd overtreden en welke consequenties daaraan verbonden waren en dat strafrechtelijk kon worden opgetreden indien het aanbod van kansspelen niet werd gestaakt. Het resultaat daarvan was dat meer dan de helft van de aan de aangeschreven aanbieders en tussenpersonen gelieerde websites onbereikbaar, niet langer actief, of aangepast waren.
In het dossier Rykiel is een aantal waarschuwingsbrieven opgenomen. Het hof wijst op brieven van het Ministerie van Justitie (Projectbureau kansspelen) gericht aan:
- [medeverdachte 1] op 5 februari 2007;
- [B] op 8 september 2008, 12 februari 2009, 2 en 3 maart 2009;
- [C] op 23 december 2009, 11 mei 2010, 30 september 2011, 25 november 2011 en 13 januari 2012.
Het voorgaande brengt naar het oordeel van het hof mee dat geen sprake was van een situatie waaraan de verdachte het gerechtvaardigd vertrouwen kon ontlenen dat er niet door het Openbaar Ministerie zou worden vervolgd. Dergelijk vertrouwen kon ook niet worden ontleend aan ontwikkelingen gericht op een toekomstige liberalisering van de kansspelmarkt, noch aan ontwikkelingen in jurisprudentie van het Europees Hof van Justitie (waaronder het door de verdediging aangehaalde arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 3 juni 2010, zaak C203/08, ECLI:EU:C:2010:307 (Sporting Exchange Ltd / ‘Betfair’ tegen Minister van Justitie)), nu deze ontwikkelingen niet zagen op een ongeclausuleerd toestaan van het aanbieden van kansspelen via internet, zonder enige regulering of handhaving van overheidswege. Het gegeven dat, voor zover bekend, geen aanbieders van online kansspelen daadwerkelijk zijn vervolgd, is evenmin voldoende om te kunnen spreken van een situatie waarin het hiervoor bedoelde vertrouwen is gewekt. Er is geen sprake geweest van aan het Openbaar Ministerie toe te rekenen uitlatingen of daarmee gelijk te stellen gedragingen, waaruit de verdachte kon afleiden dat er niet tot vervolging zou worden overgegaan.
Periode na 1 april 2012
Na oprichting van de Ksa is voorrang gegeven aan de aanpak van kansspelen aangeboden op internet. Omwille van capaciteits- en doelmatigheidsredenen heeft de Ksa prioriteringsbeleid opgesteld. Dit beleid houdt in dat aanbieders die zich prominent op de Nederlandse markt richtten het eerst in aanmerking kwamen voor handhaving. Om te bepalen of een aanbieder zich op Nederland richtte, zijn drie prioriteringscriteria ontwikkeld. Indien een aanbieder voldeed aan een of meer van de hierna genoemde criteria, richtte de Ksa zich bij handhaving op deze aanbieder. De focus van de Ksa kwam daarmee te liggen op de aanbieder:
- waarvan de website, waarop het kansspel gespeeld werd, eindigde op .nl en/of
- waarvan de kansspelwebsite in de Nederlandse taal te raadplegen was, en/of
- die reclame maakte via radio, televisie of in geprinte media reclame gericht op de Nederlandse markt.
Over het prioriteringsbeleid is een persbericht uitgebracht. Tevens zijn in 2012 onderzoeken gestart naar illegaal aanbod van kansspelen op internet en zijn verschillende aanbieders – ditmaal door de Ksa – schriftelijk gewaarschuwd. Het hof wijst in dit verband op de brief gericht aan [C] d.d. 8 juni 2012. In deze brief is duidelijk uiteengezet wat het prioriteringsbeleid inhield. Voorts zijn in 2013 twee bedrijven die online kansspelen aanboden daadwerkelijk door de Ksa beboet, hetgeen bij openbaar boetebesluit bekend is gemaakt.
Het hof concludeert dat geen sprake was van een door de Ksa gevoerd gedoogbeleid en dat ook aanbieders die niet (meer) onder de prioriteringscriteria vielen, niet zonder meer gevrijwaard waren van handhavend optreden. De omstandigheid dat de kans op handhaving kleiner is, omdat een aanbieder van online kansspelen zonder vergunning niet (meer) aan de prioriteringscriteria voldoet, maakt van het prioriteringsbeleid nog geen gedoogbeleid.
Dat aanbieders, als onderdeel van het gevoerde prioriteringsbeleid, een termijn werd gegund om aan de gestelde criteria te voldoen en dat aanbieders op de hoogte zouden worden gebracht van wijzigingen in die criteria, maakt dat niet anders.
Dat er sprake zou zijn van gedogen, kan evenmin worden afgeleid uit de omstandigheid dat de Ksa – op aanvraag – brieven heeft verstrekt aan aanbieders van online kansspelen, waarin onder meer werd medegedeeld dat zij niet (langer) voldeden aan de prioriteringscriteria. Ook aan [C] is via [betrokkene 1] een dergelijke brief, gedateerd 22 januari 2013, verstrekt. Door de verdediging is betoogd dat deze brief als ‘gedoogbrief’ moet worden aangemerkt. Naar het oordeel van het hof was van een ‘gedoogbrief’ geen sprake, nu in die brief tevens is opgenomen de zinsnede: ‘Kansspelaanbieders, die niet langer voldoen aan deze prioriteringscriteria, zijn daarmee niet legaal. Tegen deze aanbieders zal slechts in het kader van de prioriteitstelling (voorlopig) niet opgetreden worden.’ Derhalve kon ook hieraan niet een gerechtvaardigd vertrouwen worden ontleend dat handhaving niet zou plaatsvinden, laat staan dat dat vertrouwen zich zou kunnen uitstrekken tot handhavingsbeslissingen van andere instanties dan de Ksa, zoals het Openbaar Ministerie.
Dat sprake zou zijn van een bestuurlijk gedoogbeleid kan ook niet worden afgeleid uit de contacten die de Ksa onderhield met vertegenwoordigers van de kansspelindustrie. Deze contacten – in de vorm van georganiseerde bijeenkomsten en workshops – vonden in het licht van het wetsvoorstel Kansspelen op afstand plaats. Daarbij werd slechts – al dan niet op verzoek van verscheidene aanbieders zelf – van gedachten gewisseld over de toekomstige wetgeving en de mogelijkheden van het aanbieden van online gokspellen in Nederland. Er zijn daarbij – in lijn met het gevoerde prioriteringsbeleid – geen toezeggingen gedaan, waaruit kon of mocht worden afgeleid dat er nimmer handhavend zou worden opgetreden. Daarbij merkt het hof nog op dat een algeheel verbod op kansspelen zonder vergunning ook na eventuele wetswijziging het uitgangspunt blijft. Het wetsvoorstel Kansspelen op afstand beoogt slechts het reguleren van kansspelen op afstand (via internet) en het verder moderniseren van het kansspelbeleid.
Bovendien is, in de periode na de bevestigingsbrief van 22 januari 2013, nimmer (volledig) aan de prioriteringscriteria voldaan. Bij controle van enkele websites is immers geconstateerd dat na het verkrijgen van die brief verschillende websites weer of nog steeds in de Nederlandse taal werden aangeboden, het spelaanbod op de websites was voorzien van keuzeknoppen in de Nederlandse taal en de speluitleggen bij de aangeboden spellen in de Nederlandse taal waren opgesteld. Voor zover er gedoogbeleid zou bestaan, zou dat dus niet kunnen worden ingeroepen.
Ten slotte is niet gebleken dat het voor het vervolgingsbeleid verantwoordelijke overheidsorgaan, het Openbaar Ministerie, in de periode na 1 april 2012, toezeggingen heeft gedaan waaraan de verdachte het gerechtvaardigd vertrouwen kon ontlenen dat vervolging uit zou blijven.
Verklaringen getuigen mr. [getuige 1] en mr. [getuige 2] ter terechtzitting in hoger beroep
Het vorenstaande vindt naar het oordeel van het hof bevestiging in de verklaringen van de ter terechtzitting in hoger beroep gehoorde getuigen mr. [getuige 1] , van 14 oktober 2010 tot 9 maart 2015 staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, belast met onder meer de kansspelportefeuille, en mr. [getuige 2] , advocaat (niet zijnde de raadsman van een van de verdachten), gespecialiseerd in het kansspelrecht.
Beide getuigen zijn uitvoerig gehoord over de vraag of op enig moment sprake is geweest van een (bestuurlijk en/of strafrechtelijk) gedoogbeleid. Uit hun verklaringen blijkt – samengevat – het volgende. In 2011 heeft het toenmalige kabinet, mede ingegeven door (jurisprudentiële) ontwikkelingen binnen de Europese Unie, het voornemen opgevat om de regels omtrent kansspelen wezenlijk te veranderen, onder meer door regulering van de online kansspelmarkt. Bij de gedachtevorming daarover zijn welwillende aanbieders van kansspelen, dat wil zeggen aanbieders van kansspelen die bereid waren zich aan de regels te houden, betrokken. In dit verband hebben vanaf 2011 gesprekken plaatsgevonden tussen de staatssecretaris en/of ambtenaren van het Ministerie van Veiligheid en Justitie en/of medewerkers van de Ksa (in oprichting) enerzijds en welwillende aanbieders van kansspelen anderzijds. Een en ander heeft uiteindelijk geresulteerd in het wetsvoorstel Kansspelen op afstand.
Tijdens die gesprekken is aan de orde gekomen dat als aanbieders van kansspelen zich tijdens de transitiefase naar de inwerkingtreding van de Wet op de kansspelen zouden houden aan de voorwaarden dat geen kansspelen zouden worden aangeboden in de Nederlandse taal en er geen (grootschalige) reclame zou worden gemaakt voor die kansspelen, zij na de inwerkingtreding van die wet zouden kunnen meedingen naar een vergunning. Tegen aanbieders van online kansspelen die zich aan deze voorwaarden hielden zou door het (Bureau Kansspelen van het) Ministerie van Veiligheid en Justitie terughoudend bestuurlijk worden gehandhaafd.
Na de instelling van de Ksa op 1 april 2012 zijn er prioriteringscriteria opgesteld. Naast de twee genoemde voorwaarden kwam er een derde: de websites van de op internet aangeboden kansspelen mochten niet de extensie ‘.nl’ hebben. Aanbieders van online kansspelen die zich conformeerden aan deze criteria zouden geen prioriteit krijgen bij de bestuurlijke handhaving door de Ksa. Het primaat van de handhaving lag namelijk bij de Ksa.
Het Openbaar Ministerie is door de staatssecretaris op de hoogte gesteld van voormeld beleid, maar het Openbaar Ministerie heeft niet toegezegd dat het zich aan dat beleid zou conformeren en met het Openbaar Ministerie is ook niet de afspraak gemaakt dat er niet strafrechtelijk zou worden vervolgd.
Uit de verklaringen van de beide getuigen blijkt voorts dat op geen enkel moment van de zijde van de staatssecretaris, de betrokken ambtenaren van het Ministerie van Veiligheid en Justitie, medewerkers van de Ksa (in oprichting) en/of het Openbaar Ministerie de uitdrukkelijke toezegging is gedaan dat aanbieders van online kansspelen niet strafrechtelijk zouden worden vervolgd, ook niet als zij zich zouden houden aan de gestelde voorwaarden en – na 1 april 2012 – de prioriteringscriteria.
Kortom, uit de verklaringen van deze twee getuigen blijkt niet dat vervolging is ingesteld of voortgezet nadat door het Openbaar Ministerie gedane of aan het Openbaar Ministerie toe te rekenen uitlatingen (of daarmee gelijk te stellen gedragingen) bij de verdachte en/of de medeverdachten het gerechtvaardigde vertrouwen hebben gewekt dat niet (verder) zal worden vervolgd. Het hof merkt hierbij op dat het Openbaar Ministerie niet heeft deelgenomen aan de genoemde gesprekken en dat als er al door de staatssecretaris, de betrokken ambtenaren van het Ministerie van Veiligheid en Justitie en/of medewerkers van de Ksa (in oprichting) uitlatingen (of daarmee gelijk te stellen gedragingen) zouden zijn gedaan met de strekking dat niet (verder) strafrechtelijk zou worden vervolgd, aan dergelijke uitlatingen (of gedragingen) niet het gerechtvaardigd vertrouwen kan worden ontleend dat (verdere) vervolging achterwege zal blijven, omdat aan deze functionarissen geen bevoegdheden in verband met de vervolgingsbeslissing zijn toegekend. Wel had de Minister van Veiligheid en Justitie op grond van het bepaalde in art. 127 van de Wet op de rechterlijke organisatie een bijzondere aanwijzing aan het Openbaar Ministerie kunnen geven tot het niet (verder) vervolgen, maar van die bevoegdheid is geen gebruik gemaakt.
Van schending van het vertrouwensbeginsel is daarom geen sprake.
De persoonlijke opvatting van de [getuige 1] , dat aanbieders van online kansspelen die zich tijdens de transitiefase hielden aan de voorwaarden en later de prioriteringscriteria er op basis van de gesprekken op mochten vertrouwen dat niet bestuurlijk en strafrechtelijk zou worden gehandhaafd, maakt dit oordeel niet anders.”
Het juridisch kader bij het vierde middel
Bij de beoordeling van de klachten is het juridisch kader zoals door de Hoge Raad weergegeven in een arrest van 26 april 2016 van belang:
“3.2. Bij de beoordeling van de middelen moet worden vooropgesteld dat in art. 167, eerste lid, Sv aan het Openbaar Ministerie de bevoegdheid is toegekend zelfstandig te beslissen of naar aanleiding van een ingesteld opsporingsonderzoek vervolging moet plaatsvinden. De beslissing van het Openbaar Ministerie om tot vervolging over te gaan leent zich slechts in zeer beperkte mate voor een inhoudelijke rechterlijke toetsing in die zin dat slechts in uitzonderlijke gevallen plaats is voor een niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de vervolging op de grond dat het instellen of voortzetten van die vervolging onverenigbaar is met beginselen van een goede procesorde. (vgl. HR 6 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX4280, NJ 2013/109).
Zo'n uitzonderlijk geval doet zich voor wanneer de vervolging wordt ingesteld of voortgezet nadat door het Openbaar Ministerie gedane, of aan het Openbaar Ministerie toe te rekenen, uitlatingen (of daarmee gelijk te stellen gedragingen) bij de verdachte het gerechtvaardigde vertrouwen hebben gewekt dat hij niet (verder) zal worden vervolgd. Aan uitlatingen of gedragingen van functionarissen aan wie geen bevoegdheden in verband met de vervolgingsbeslissing zijn toegekend, kan zulk gerechtvaardigd vertrouwen dat (verdere) vervolging achterwege zal blijven evenwel in de regel niet worden ontleend (vgl. HR 8 mei 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW5002).
Een uitzonderlijk geval als zojuist bedoeld doet zich ook voor wanneer de vervolging wordt ingesteld of voortgezet terwijl geen redelijk handelend lid van het Openbaar Ministerie heeft kunnen oordelen dat met (voortzetting van) de vervolging enig door strafrechtelijke handhaving beschermd belang gediend kan zijn. In het geval van een zodanige, aperte onevenredigheid van de vervolgingsbeslissing is de (verdere) vervolging onverenigbaar met het verbod van willekeur (dat in de strafrechtspraak in dit verband ook wel wordt omschreven als het beginsel van een redelijke en billijke belangenafweging). Aan het oordeel dat het Openbaar Ministerie om deze reden in de vervolging van een verdachte niet-ontvankelijk moet worden verklaard dienen zware motiveringseisen te worden gesteld. (Vgl. HR 2 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:7, NJ 2013/563.)”
Voor wat betreft de toepassing van het vertrouwensbeginsel wijs ik op een aantal uitspraken van de Hoge Raad. In de zaak die leidde tot HR 17 december 1985, NJ 1986/591 m.nt. Th.W. van Veen werd het bedrijf DSM vervolgd wegens overtreding van de Wet chemische afvalstoffen. Het bedrijf zou melamineslik hebben gestort in een zuurteervijver en aldus afvalstoffen in of op de bodem hebben gebracht. Het hof stelde vast dat de verdachte een ontheffing had aangevraagd van het verbod tot het verrichten van de in de Wet chemische afvalstoffen verboden handelingen. De minister van Volksgezondheid en Milieuhygiëne had daarop afwijzend beslist. Deze beschikking werd op 1 december 1981 aan de verdachte toegezonden. De beschikking hield onder meer in dat zij van kracht werd zodra de beslissing op het beroepschrift onherroepelijk was geworden. De verdachte stelde beroep in tegen de beschikking. Van overheidswege werd bij of na voormelde brief van 1 december 1981 en voor de periode waarop de tenlastelegging betrekking heeft geen bezwaar gemaakt tegen storting van melamineslik in de in de tenlastelegging genoemde zuurteervijver. Dat leidde het hof tot het oordeel “dat dit beleid, zoals de verdachte dit mocht opvatten, een voor geen misverstand vatbare en onvoorwaardelijke toezegging van de minister of staatssecretaris van Volksgezondheid en Milieuhygiene inhield dat gedurende de periode dat het beroep tegen de afwijzende beschikking nog hangende was, dat wil zeggen in de in de telastelegging onder 1 primair genoemde periode, tegen voortzetting van de door de Wet chemische afvalstoffen verboden stortingen 'geen stappen zouden worden ondernomen, zolang niet van het tegendeel blijk werd gegeven'.” Daaraan verbond het hof de conclusie dat de officier van justitie niet kon worden ontvangen in zijn vervolging ten aanzien van dit feit, aangezien een strafvervolging onder deze omstandigheden niet verenigbaar is met – kort gezegd – het vertrouwensbeginsel. De Hoge Raad achtte het tegen dit oordeel gerichte middel van de procureur-generaal bij het hof gegrond:
Immers, ook indien moet worden aangenomen, gelijk het hof klaarblijkelijk doet, dat in vorenbedoelde toezegging van de minister of staatssecretaris van Volksgezondheid en Milieuhygiene een belofte besloten ligt dat tegen de verdachte ter zake geen strafvervolging zal worden ingesteld, gaat het hof uit van de onjuiste opvatting dat een dergelijke toezegging van een niet voor het strafvervolgingsbeleid verantwoordelijk overheidsorgaan het vertrouwen zou vermogen te rechtvaardigen dat het OM zou zijn verstoken van het recht om ter zake alsnog tot strafvervolging tegen de verdachte over te gaan.”
In de zaak die leidde tot HR 9 april 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD8737, NJ 2002/535 m.nt. Y. Buruma werd de verdachte verweten dat hij zonder een daartoe verleende vergunning een inrichting voor het opslaan en/of overslaan van gevaarlijke stoffen in werking had. Omdat aan de verdachte door de burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam wel een gedoogbeschikking was verleend, oordeelde het hof dat niet kon worden bewezen dat de verdachte zonder een aan haar verleende vergunning had gehandeld. Naar aanleiding van een hiertegen gerichte cassatieklacht overwoog de Hoge Raad:
“5.2 Een gedoogbeschikking houdt in dat het orgaan dat de gedoogbeschikking afgeeft gedurende een bepaalde periode onder voorwaarden afziet van het gebruik maken van de bevoegdheid om bestuursrechtelijke handhavingsmiddelen te hanteren. Deze enkele omstandigheid rechtvaardigt niet het vertrouwen dat het openbaar ministerie zal afzien van de hem ingevolge art. 167, eerste lid, Sv toekomende zelfstandige beslissingsbevoegdheid om tot strafvervolging over te gaan van degene die, hoewel handelend overeenkomstig een hem verleende gedoogbeschikking, een inrichting in werking heeft zonder een vergunning als bedoeld in de Wet milieubeheer. Het oordeel van het Hof, dat inhoudt dat het ook voor de strafrechtelijke handhaving geen verschil maakt of men een gedoogbeschikking dan wel een milieuvergunning heeft, geeft dan ook blijk van een onjuiste rechtsopvatting.”
In zijn noot onder het arrest schrijft Buruma dat het sinds het onder 6.9 genoemde arrest vaste rechtspraak is “dat een toezegging van een niet voor het strafvervolgingsbeleid verantwoordelijk overheidsorgaan het vertrouwen niet vermag te rechtvaardigen dat het OM zou zijn verstoken van het recht om tot strafvervolging over te gaan. De vraag of het OM tot vervolging mag overgaan staat dus los van het al dan niet gedogen door niet voor de strafvervolging verantwoordelijke autoriteiten.”
Dan zijn er nog de uitspraken van de Hoge Raad over coffeeshop Checkpoint. Uit de conclusie van A-G Machielse voorafgaand aan HR 2 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:7, NJ 2013/563 m.nt. P.H.P.H.M.C. van Kempen leid ik af dat coffeeshop Checkpoint, op enig moment de grootste coffeeshop van het land, sinds 1995 werd gedoogd. Die bestuursrechtelijke beslissing was jarenlang onderwerp van gesprek in het lokale driehoeksoverleg. Op enig moment is door het openbaar ministerie besloten strafvervolging in te stellen wegens overtreding van de gedoogvoorwaarden. Het hof verklaarde het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging van de verdachte wegens schending van het vertrouwensbeginsel en schending van het beginsel van redelijke en billijke belangenafweging. De Hoge Raad casseerde en overwoog onder meer:
“2.5.1. Indien die overwegingen aldus moeten worden begrepen dat daarin tot uitdrukking is gebracht dat de verdachte, die ervan kon uitgaan dat het plaatselijke gezag bekend was met het stelselmatige overtreden van de in de gedoogvergunning gestelde voorwaarden, aan het uitblijven van bestuursrechtelijke en (in de periode vóór 1 juni 2007) strafvorderlijke maatregelen ter beëindiging van die overtredingen het vertrouwen heeft kunnen ontlenen dat hij ter zake van de in strijd met de gedoogvoorwaarden begane misdrijven tegen de Opiumwet niet zou worden vervolgd, heeft het Hof miskend dat zulk uitblijven van handhavend optreden niet op één lijn kan worden gesteld met een door het Openbaar Ministerie gedane, of aan het Openbaar Ministerie toe te rekenen, uitlating als hiervoor in 2.4.2 bedoeld. Dit wordt niet anders door de enkele omstandigheid dat bij het zogenoemde driehoeksoverleg, waarin het plaatselijke coffeeshopbeleid en de gang van zaken bij Checkpoint werden besproken, ook het Openbaar Ministerie was vertegenwoordigd.”
Na verwijzing verklaarde het hof Amsterdam het openbaar ministerie wederom niet-ontvankelijk in de vervolging van de verdachte ter zake van het onder 1 tenlastegelegde opzettelijk verkopen, afleveren en/of verstrekken van hennep en/of hasjiesj. Die niet-ontvankelijkverklaring berustte – aldus de Hoge Raad – in de kern op het oordeel dat de verdachte en de medeverdachten “het gerechtvaardigd vertrouwen mochten koesteren” dat de gedoogvoorwaarden, zoals opgenomen in de door de burgemeester op 15 november 2005 afgegeven gedoogverklaring, niet werden overtreden en dat het openbaar ministerie wat betreft het opzettelijk verkopen, afleveren en/of verstrekken van hennep en/of hasjiesj dan ook niet tot vervolging zou overgaan. De Hoge Raad casseerde wederom:
“Dit oordeel is niet begrijpelijk, reeds omdat het Hof niet heeft vastgesteld dat dit vertrouwen is gewekt door uitlatingen of daarmee gelijk te stellen gedragingen van het Openbaar Ministerie, dan wel door uitlatingen of daarmee gelijk te stellen gedragingen die aan het Openbaar Ministerie moeten worden toegerekend. De door het Hof genoemde omstandigheden dat de controles op de naleving van de gedoogvoorwaarden zich - op aangeven van de gemeente - beperkten tot de op de verkoopoppervlakte aanwezige handelsvoorraad en dat door de verdachte tevergeefs is getracht duidelijkheid te verkrijgen omtrent de toelaatbaarheid van het aanhouden van voorraad buiten de verkoopoppervlakte alsmede dat de gemeente en het Openbaar Ministerie ermee bekend waren dat een zeer aanzienlijk deel van de klanten vanuit het buitenland naar Terneuzen kwam, en dat het beleid van de gemeente Terneuzen erop gericht was deze stroom van klanten te reguleren, volstaan daartoe niet.”
De bespreking van het vierde middel
Het vierde middel komt zoals gezegd op tegen de verwerping door het hof van het verweer strekkende tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de strafvervolging wegens schending van het vertrouwensbeginsel.
Het verweer dat namens de verdachte in hoger beroep is gevoerd is in randnummer 6.3-6.6 samengevat. Ik verwijs daarnaar. Heel kort gezegd komt het erop neer dat 1) vóór 1 april 2012 niemand anders strafrechtelijk is vervolgd voor het aanbieden van kansspelen op internet, 2) de verdachte er (in de aanloop naar en na 1 april 2012) op basis van uitlatingen van de wetgever en Ksa op mocht vertrouwen dat er (voorlopig) niet zou worden opgetreden en 3) deze uitlatingen aan het openbaar ministerie kunnen worden toegerekend omdat het openbaar ministerie bekend was met die uitlatingen van de wetgever en de Ksa en bovendien op geen enkel moment publiekelijk of in directe communicatie met aanbieders van online kansspelen een voorbehoud heeft gemaakt.
Bij de verwerping van het verweer heeft het hof onderscheid gemaakt tussen de periode vóór de oprichting van de Ksa op 1 april 2012 en de periode daarna. Ten aanzien van de periode vóór 1 april 2012, waarin slechts strafrechtelijke handhaving mogelijk was, heeft het hof overwogen dat vanaf 2000/2001 beleid is ingezet dat heeft geleid tot een intensivering van de handhaving. Die aanpak heeft geleid tot daadwerkelijke aanpak van (fysiek) kansspelaanbod. Aan aanbieders van illegaal kansspelaanbod zijn brieven verzonden waarin erop werd gewezen dat de Wok werd overtreden, welke consequenties daaraan verbonden waren en dat strafrechtrechtelijk kon worden opgetreden indien het aanbod van kansspelen niet werd gestaakt. Het hof wijst in dat kader op waarschuwingsbrieven die in de periode van 2007 tot en met januari 2012 zijn gericht aan de [medeverdachte 1] , [B] en [C] . Dat brengt het hof tot het oordeel dat geen sprake was van een situatie waaraan de verdachte het gerechtvaardigd vertrouwen kon ontlenen dat er niet door het openbaar ministerie zou worden vervolgd. Dergelijk vertrouwen kon ook niet worden ontleend aan ontwikkelingen gericht op een toekomstige liberalisering van de kansspelmarkt of aan ontwikkelingen in de jurisprudentie van het Europees Hof van Justitie. Het gegeven dat er, voor zover bekend, geen andere aanbieders van online kansspelen daadwerkelijk zijn vervolgd, is evenmin voldoende om te kunnen spreken van een situatie waarin het hiervoor bedoelde vertrouwen is gewekt. Het hof concludeert ten aanzien van die periode dat er geen sprake is geweest van aan het openbaar ministerie toe te rekenen uitlatingen of daarmee gelijk te stellen gedragingen, waaruit de verdachte kon afleiden dat er niet tot vervolging zou worden overgegaan.
Wat betreft de periode na 1 april 2012 heeft het hof vastgesteld dat na oprichting van de Ksa voorrang werd gegeven aan de aanpak van kansspelen aangeboden op internet. Omwille van capaciteits- en doelmatigheidsredenen heeft de Ksa prioriteringsbeleid opgesteld, dat inhield dat aanbieders die zich prominent op de Nederlandse markt richtten het eerst in aanmerking kwamen voor handhaving. Het hof heeft geoordeeld dat dit prioriteringsbeleid geen gedoogbeleid was en dat ook aanbieders die niet (meer) onder de prioriteringscriteria vielen, niet zonder meer waren gevrijwaard van handhavend optreden. Daarvoor gebruikt het hof meerdere argumenten. De omstandigheid dat de kans op handhaving kleiner is, omdat een aanbieder van online kansspelen zonder vergunning niet (meer) voldoet aan de prioriteringscriteria, maakt van het prioriteringsbeleid nog geen gedoogbeleid. Dat aanbieders, als onderdeel van het prioriteringsbeleid, een termijn werd gegund om aan de gestelde criteria te voldoen en dat zij op de hoogte zouden worden gebracht van wijzigingen in die criteria, maakt dat niet anders. Dat sprake was van gedogen kan niet worden afgeleid uit de omstandigheid dat de Ksa – op aanvraag – brieven heeft verstrekt aan aanbieders van online kansspelen waarin onder meer werd medegedeeld dat zij niet (langer) voldeden aan de prioriteringscriteria. De brief van 22 januari 2013 die via [betrokkene 1] aan [C] is verstrekt was naar het oordeel van het hof geen ‘gedoogbrief’, omdat in die brief tevens is opgenomen de zinssnede: “Kansspelaanbieders, die niet langer voldoen aan deze prioriteringscriteria, zijn daarmee niet legaal. Tegen deze aanbieders zal slechts in het kader van de prioriteitsstelling (voorlopig) niet worden opgetreden.” Daarom kon ook hieraan niet een gerechtvaardigd vertrouwen worden ontleend dat handhaving niet zou plaatsvinden, laat staan dat dat vertrouwen zich zou kunnen uitstrekken tot handhavingsbeslissingen van andere instanties dan de Ksa, zoals het openbaar ministerie. Dat sprake was van een gedoogbeleid kan ook niet worden afgeleid uit de contacten die de Ksa onderhield met vertegenwoordigers van de kansspelindustrie. Er zijn daarbij – in lijn met het gevoerde prioriteringsbeleid – geen toezeggingen gedaan, waaruit kon of mocht worden afgeleid dat er nimmer handhavend zou worden opgetreden. Bovendien is – aldus het hof – in de periode na de bevestigingsbrief van 22 januari 2013 door de organisatie van de (onder meer) [medeverdachte 1] nooit (volledig) aan de prioriteringscriteria voldaan, zodat – voor zover er gedoogbeleid zou bestaan – dat dus niet zou kunnen worden ingeroepen. Tenslotte is niet gebleken dat het voor het vervolgingsbeleid verantwoordelijke overheidsorgaan, het openbaar ministerie, in de periode na 1 april 2012 toezeggingen heeft gedaan waaraan de verdachte het gerechtvaardigd vertrouwen kon ontlenen dat vervolging zou uitblijven. Dat vindt naar het oordeel van het hof bevestiging in de verklaringen van de ter terechtzitting in hoger beroep gehoorde getuigen mr. [getuige 1] en mr. [getuige 2] . Uit de verklaringen van deze twee getuigen blijkt niet dat vervolging is ingesteld of voortgezet nadat door het openbaar ministerie gedane of aan het openbaar ministerie toe te rekenen uitlatingen (of daarmee gelijk te stellen gedragingen) bij de verdachte en/of de medeverdachten het gerechtvaardigde vertrouwen hebben gewekt dat niet (verder) zal worden vervolgd. Het hof merkt daarbij nog op dat het openbaar ministerie niet heeft deelgenomen aan gesprekken tussen de staatssecretaris en/of ambtenaren van het ministerie van Veiligheid en Justitie en/of medewerkers van de Ksa (in oprichting) enerzijds en welwillende aanbieders van kansspelen anderzijds en dat als er al door de staatssecretaris, de betrokken ambtenaren van het Ministerie van Veiligheid en Justitie en/of medewerkers van de Ksa (in oprichting) uitlatingen (of daarmee gelijk te stellen gedragingen) zouden zijn gedaan met de strekking dat niet (verder) strafrechtelijk zou worden vervolgd, aan dergelijke uitlatingen (of gedragingen) niet het gerechtvaardigd vertrouwen kan worden ontleend dat (verdere) vervolging achterwege zal blijven, omdat aan deze functionarissen geen bevoegdheden in verband met de vervolgingsbeslissing zijn toegekend. Van schending van het vertrouwensbeginsel is daarom geen sprake, aldus het hof.
De eerste deelklacht
De eerste deelklacht houdt in dat voor zover in het oordeel van het hof besloten ligt dat voor een gehonoreerd beroep op het vertrouwensbeginsel sprake moet zijn van (aan het openbaar ministerie toe te rekenen) ‘toezeggingen’ of zelfs ‘uitdrukkelijke toezeggingen’, dit oordeel getuigt van een onjuiste rechtsopvatting.
In de toelichting op de deelklacht wijzen de stellers van het middel op vier overwegingen uit het arrest, die zouden duiden op een dergelijke (voornoemde) interpretatie van het vertrouwensbeginsel door het hof:
“Er zijn daarbij – in lijn met het gevoerde prioriteringsbeleid – geen toezeggingen gedaan, waaruit kon of mocht worden afgeleid dat er nimmer handhavend zou worden opgetreden.”
“Ten slotte is niet gebleken dat het voor het vervolgingsbeleid verantwoordelijke overheidsorgaan, het Openbaar Ministerie, in de periode na 1 april 2012, toezeggingen heeft gedaan waaraan de verdachte het gerechtvaardigd vertrouwen kon ontlenen dat vervolging uit zou blijven.”
“Het Openbaar Ministerie is door de staatssecretaris op de hoogte gesteld van voormeld beleid, maar het Openbaar Ministerie heeft niet toegezegd dat het zich aan dat beleid zou conformeren en met het Openbaar Ministerie is ook niet de afspraak gemaakt dat er niet strafrechtelijk zou worden vervolgd.”
“Uit de verklaringen van de beide getuigen blijkt voorts dat op geen enkel moment van de zijde van de staatssecretaris, de betrokken ambtenaren van het Ministerie van Veiligheid en Justitie, medewerkers van de Ksa (in oprichting) en/of het Openbaar Ministerie de uitdrukkelijke toezegging is gedaan dat aanbieders van online kansspelen niet strafrechtelijk zouden worden vervolgd, ook niet als zij zich zouden houden aan de gestelde voorwaarden en – na 1 april 2012 – de prioriteringscriteria.”
Volgens de stellers van het middel miskennen voornoemde overwegingen dat het vertrouwensbeginsel ook geschonden kan zijn in geval van met uitlatingen ‘gelijk te stellen gedragingen’. Dit standpunt wordt door de stellers van het middel niet nader toegelicht.
Het hof heeft in zijn hiervoor onder randnummer 6.7 weergegeven overwegingen het juiste juridische kader vooropgesteld. Ook in de beoordeling van het beroep op het vertrouwensbeginsel heeft het hof er meermalen blijk van gegeven het juiste kader voor ogen te hebben gehad. In die overwegingen komt immers meermalen terug dat geen sprake is geweest van aan het Openbaar Ministerie toe te rekenen uitlatingen of daarmee gelijk te stellen gedragingen, waaruit de verdachte kon afleiden dat er niet tot vervolging zou worden overgegaan.
Bovendien is het goed de door de stellers van het middel genoemde citaten in hun context te plaatsen. Het eerste citaat komt uit een alinea die gaat over de vraag of sprake zou zijn van een bestuurlijk gedoogbeleid. Het hof overweegt daarin dat in contacten die de Ksa onderhield met vertegenwoordigers van de kansspelindustrie – in lijn met de prioriteringscriteria – geen toezeggingen zijn gedaan waaruit kon of mocht worden afgeleid dat nimmer handhavend zou worden opgetreden. Dat ziet dus op bestuursrechtelijke en niet op strafrechtelijke handhaving. Het tweede citaat is het sluitstuk van de overwegingen van het hof over het beweerdelijke gedoogbeleid. Na de vaststelling door het hof dat geen sprake was van een bestuurlijk gedoogbeleid moet deze overweging mijns inziens zo worden gelezen dat ook van de zijde van het openbaar ministerie geen uitlatingen (of daarmee gelijk te stellen gedragingen hebben plaatsgehad waarmee het vertrouwen is gewekt dat geen (strafrechtelijke) vervolging zou plaatsvinden. Dat dergelijke uitlatingen wel door het openbaar ministerie zouden zijn gedaan is overigens ook niet aangevoerd. Het derde en het vierde citaat hebben betrekking op verklaringen van de in hoger beroep gehoorde getuigen mr. [getuige 1] en mr. [getuige 2] en hetgeen daaruit kan worden afgeleid en betreffen dus geen oordelen of overwegingen van het hof.
Kortom, een onjuiste rechtsopvatting kan ik in de door de stellers van het middel aangehaalde passages niet ontdekken.
De tweede deelklacht
Met de tweede deelklacht wordt geklaagd over het oordeel van het hof dat in de periode vóór 2012 geen sprake was van aan het openbaar ministerie toe te rekenen uitlatingen of daarmee gelijk te stellen gedragingen waaruit de verdachtekon afleiden dat er niet tot vervolging zou worden overgegaan. Dat oordeel zou onbegrijpelijk en/of ontoereikend gemotiveerd zijn. Dat geldt volgens de stellers van het middel in het bijzonder voor ‘s hofs overweging dat het gegeven dat, voor zover bekend, geen aanbieders van online kansspelen daadwerkelijk zijn vervolgd ‘evenmin voldoende is’ om te kunnen spreken van een situatie waarin het bedoelde vertrouwen is gewekt.
Ik kan de stellers van het middel op dit punt niet volgen. Wat betreft de periode vóór 1 april 2012 wijs ik erop dat het hof heeft vastgesteld dat het in 2000/2001 ingezette beleid ten aanzien van illegaal kansspelaanbod heeft geleid tot de daadwerkelijke aanpak daarvan. Het hof verwijst daarbij naar Kamerstukken II, 2002-2003, 24036 en 24557, nr. 280, p. 12, waarin staat vermeld dat de aanpak van illegale casino’s effect sorteert en er inmiddels bijna zestig illegale casino’s zijn gesloten door toepassing van bestuursrechtelijke en/of strafrechtelijke en/of fiscaalrechtelijke instrumenten. Dat dit – voor zover bekend – geen aanbieders van online kansspelen betrof, heeft het hof klaarblijkelijk niet relevant gevonden. Dat lijkt mij niet onbegrijpelijk en behoefde geen nadere motivering. Zelfs als dat anders zou zijn stuit deze deelklacht mijns inziens af op het arrest van de Hoge Raad van 2 juli 2013 (besproken in randnummer 6.12): het uitblijven van bestuursrechtelijke en strafrechtelijke handhaving kan niet op één lijn worden gesteld met een door het openbaar ministerie gedane, of aan het openbaar ministerie toe te rekenen uitlating.
De derde tot en met de negende deelklacht
De derde tot en met de negende deelklacht richten zich tegen het oordeel van het hof dat het vertrouwensbeginsel ook in de periode na 1 april 2012 niet is geschonden. Ik zal deze klachten slechts kort bespreken, omdat zij allen afstuiten op het oordeel van het hof dat geen sprake is van door het openbaar ministerie gedane, of aan het openbaar ministerie toe te rekenen uitlatingen (of daarmee gelijk te stellen gedragingen) die bij de verdachte het gerechtvaardigde vertrouwen hebben gewekt dat hij niet (verder) zal worden vervolgd, welk oordeel in lijn is met de kaders die de Hoge Raad in de hiervoor in de randnummers 6.8-6.13 besproken arresten heeft uiteengezet.
Volgens de derde deelklacht getuigt het oordeel van het hof van een onjuiste rechtsopvatting en/of is het onbegrijpelijk, aangezien het hof zijn oordeel te dezen in essentie - althans in te grote mate - baseert op de vaststelling dat geen sprake was van een ‘gedoogbeleid’. Bij de beoordeling van het verweer had centraal behoren te staan a) of sprake was van aan het openbaar ministerie toe te rekenen uitlatingen of daarmee gelijkgestelde gedragingen, b) of de verdachte daarop heeft vertrouwd en c) of dat vertrouwen gerechtvaardigd was, aldus de stellers van het middel. Zoals ik bij de bespreking van de eerste deelklacht heb aangegeven, is het hof uitgaan van het juiste juridische kader. Dat het hof bij de verwerping van het beroep op het vertrouwensbeginsel veel aandacht heeft besteed aan de vraag of al dan niet sprake was van een gedoogbeleid (of prioriteringsbeleid) is in het licht van hetgeen door de verdediging is aangevoerd, niet onbegrijpelijk. De kern van dat beroep was immers dat sprake was van een gedoogbeleid door de Ksa. Het hof heeft het daarbij bovendien niet gehouden. Het hof heeft óók geoordeeld dat geen sprake was van (door het openbaar ministerie gedane of) aan het openbaar ministerie toe te rekenen uitlatingen (of daarmee gelijk te stellen gedragingen) die bij de verdachte en/of de medeverdachten het gerechtvaardigd vertrouwen hebben gewekt dat niet (verder) zal worden vervolgd.
De vierde deelklacht luidt dat het hof het oordeel dat het beroep op het vertrouwensbeginsel dient te worden verworpen voorts ontoereikend heeft gemotiveerd, omdat het hof de mogelijkheid heeft opengelaten dat sprake was van toezeggingen tot niet-vervolging zijdens de Ksa en de staatssecretaris en/of ambtenaren van het ministerie van Veiligheid en Justitie, zonder vervolgens te beoordelen of die toezeggingen aan het openbaar ministerie kunnen worden toegerekend. Deze klacht kan ik niet goed volgen. Nadat het hof heeft geoordeeld dat geen sprake was van een gedoogbeleid, heeft het hof overwogen dat uit de verklaringen van de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] blijkt dat op geen enkel moment van de zijde van de staatssecretaris en/of ambtenaren van het ministerie van Veiligheid en Justitie, medewerkers van de Ksa (in oprichting) en/of het openbaar ministerie de toezegging is gedaan dat niet strafrechtelijk zou worden vervolgd. Aan de vraag naar eventuele toerekening van die (niet bestaande) toezeggingen aan het openbaar ministerie kwam het hof dus niet toe.
De vijfde deelklacht houdt in dat ’s hofs oordeel dat de toezeggingen van de Ksa en de staatssecretaris en/of ambtenaren van het Ministerie van Veiligheid en Justitie niet aan het openbaar ministerie kunnen worden toegerekend, onjuist en/of onbegrijpelijk en/of ontoereikend gemotiveerd. Hetzelfde geldt voor ’s hofs overweging dat uit de verklaringen van getuigen [getuige 1] en [getuige 2] niet blijkt dat vervolging is ingesteld of voortgezet na door het openbaar ministerie gedane of aan het openbaar ministerie toe te rekenen uitlatingen of daarmee gelijk te stellen gedragingen. Ik verwijs naar de bespreking van de vierde deelklacht: het hof heeft geoordeeld dat geen sprake was van een gedoogbeleid en dat door de Ksa en de staatssecretaris en/of ambtenaren van het Ministerie van Veiligheid en Justitie geen toezeggingen tot niet-vervolging zijn gedaan. Daarmee is ook deze deelklacht gedoemd te falen.
Met de zesde deelklacht geraken we wat verder van de kern van het oordeel van het hof. ’s Hofs overweging dat in de periode na de bevestigingsbrief van 22 januari 2013 nimmer (volledig) aan de prioriteringscriteria is voldaan, zodat – voor zover er gedoogbeleid zou bestaan – dit niet kan worden ingeroepen, is onbegrijpelijk gelet op hetgeen namens de verdachte in hoger beroep is aangevoerd, aldus de stellers van het middel. Deze klacht faalt reeds omdat deze zich richt tegen een overweging ten overvloede. Overigens lijkt die overweging mij niet direct onbegrijpelijk, gelet op de verslagen van gesprekken tussen de medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] van (nota bene) 22 januari 2013 (bewijsmiddelen 24 en 26), waarin zij het hebben over het terugzetten van de taal op de goksites van het Engels naar het Nederlands, terwijl onderdeel van de prioriteringscriteria was dat werd gekeken of de kansspelwebsite in de Nederlandse taal te raadplegen was.
De zevende deelklacht luidt dat ’s hofs oordeel dat na 1 april 2012 geen sprake was van een gedoogbeleid en/of dat geen sprake was van uitlatingen of gedragingen waaraan de verdachte het gerechtvaardigd vertrouwen kon ontlenen dat hij niet strafrechtelijk zou worden vervolgd ontoereikend is gemotiveerd, nu het hof niet heeft gerespondeerd op het verweer dat [getuige 1] , [getuige 2] en [betrokkene 1] hebben gesteld dat aanbieders van online kansspelen op basis van de gevoerde gesprekken het gerechtvaardigd vertrouwen konden hebben dat van elke vorm van handhaving, dus ook van strafrechtelijke handhaving, zou worden afgezien. Of sprake is van een responsieplichtig verweer kan mijns inziens in het middel blijven. Uit het bestreden arrest volgt immers duidelijk dat het hof de verklaringen van de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] anders heeft gewogen dan de verdediging. Het hof ziet in die verklaringen bevestiging voor de vaststelling dat de Ksa en de staatssecretaris en/of ambtenaren van het ministerie van Veiligheid en Justitie en/of het openbaar ministerie geen toezeggingen hebben gedaan dat aanbieders van online kansspelen niet strafrechtelijk zouden worden vervolgd. Dat het hof die verklaringen zo heeft begrepen, is niet onbegrijpelijk. Ik citeer uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 27 januari 2022:
“De [getuige 1] verklaart op vragen van de voorzitter het volgende.
(…)
U vraagt mij of tijdens de gesprekken die zijn gevoerd met aanbieders van kansspelen ook is gezegd dat als zij zich aan de voorwaarden zouden houden, het strafrecht niet in beeld zou komen, dat sprake was een gedoogbeleid. Er is geen gedoogbeleid afgesproken. Er is niet gezegd dat er niet bestuurlijk of strafrechtelijk zou worden gehandhaafd. (…)
Ook heb ik gesproken met de procureur-generaal van het Openbaar Ministerie die dit onderwerp in zijn portefeuille had. Ik heb hem uitgelegd welk kansspelbeleid het kabinet voorstond en dat wij niet over de strafrechtelijke handhaving gingen. Het was mij bekend dat strafrechtelijke handhaving ultimum remedium is en dat het vaak volgt na bestuurlijke handhaving. Hij heeft daar kennis van genomen. Wij hebben echter niet afgesproken dat niemand strafrechtelijk zou worden vervolgd. (…)
Er was derhalve geen sprake van expliciet gedogen. Dat is ook nooit toegezegd. Of het kan worden gezien als impliciet gedogen is een waarderingsdiscussie waar ik mij als getuige niet aan waag. (…)
U zegt mij dat ik dus eigenlijk verklaar dat er niet met zoveel woorden sprake was van een gedoogbeleid, maar dat als de aanbieders zich aan de voorwaarden hielden, zij niet vooraan zouden staan bij de handhaving, dat ik contact heb gehad met het Openbaar Ministerie, dat ik daarbij het kabinetsbeleid uiteen heb gezet en dat het Openbaar Ministerie daar derhalve van op de hoogte was. U vraagt mij of de leiding van het Openbaar Ministerie zich daaraan heeft geconformeerd. Dat heeft het Openbaar Ministerie niet gezegd. Het Openbaar Ministerie is onafhankelijk van het kabinet. Wel heeft het Openbaar Ministerie gezegd dat het begrijpt wat de uitgangspunten van het kabinet waren. (…)
U vraagt mij of er door mij of in opdracht van mij een toezegging is gedaan aan één of meer van deze verdachten of via hun raadslieden dat zij niet strafrechtelijk zouden worden vervolgd. Nee, noch door mij noch in opdracht van mij is een dergelijke toezegging gedaan. (…)
U vraagt mij, als wordt gezegd dat iets mag onder voorwaarden, of dat niet kan worden gezien als een gedoogafspraak. Je kunt dat zien als impliciet gedogen. Ik denk dat je kunt zeggen dat partijen erop mochten vertrouwen dat er niet bestuurlijk of strafrechtelijk zou worden gehandhaafd tegen hen. Ik denk dat ze daaraan gerechtvaardigd vertrouwen mochten ontlenen. (…)
Ik realiseer mij natuurlijk goed dat het kabinet niet gaat over het vervolgingsbeleid van het Openbaar Ministerie, maar als je met de Kansspelautoriteit afspreekt dat zij een terughoudend bestuurlijk handhavingsarrangement hanteert ten aanzien van dit soort aanbieders, dan zou het een beetje raar zijn - dat begrijpt iedereen - als ten aanzien van hen dan wel strafrechtelijk zou worden gehandhaafd.
(…)
Op vragen van de voorzitter verklaart de [getuige 2] als volgt.
(…)
U vraagt mij of ik bekend ben met het feit dat er op enig moment waarschuwingsbrieven zijn verzonden door de Kansspelautoriteit. Ja natuurlijk. U vraagt mij of ik daarover kan vertellen. Ik vermoed dat u het hebt over de brieven waarover ik zojuist al verklaarde, te weten de brieven die enige tijd na de oprichting van de Kansspelautoriteit door deze werden verstuurd, waarin - samengevat - stond dat mijn cliënten zich moesten houden aan de drie voorwaarden, waarna ze zich niet zouden prioriteren en dan voorlopig niet in aanmerking zouden komen voor handhaving. ‘Voorlopig’ lazen wij, en de hele markt overigens, als woord voor de bühne, want er was een harde afspraak met Justitie dat niet zou worden gehandhaafd. (…)
U zegt mij dat [getuige 1] tevens heeft verklaard dat, op basis van de hele gang van zaken richting de uiteindelijke wetgeving, partijen er gerechtvaardigd op mochten vertrouwen dat niet zou worden gehandhaafd als zij zich zouden blijven conformeren en dat dit ook zo naar de advocaten van die partijen werd gecommuniceerd. U vraagt mij of dit een juiste visie is van [getuige 1] . Ja, ik denk het wel. (…) Op dat moment waren wij er inderdaad van overtuigd dat er geen handhaving zou plaatsvinden. Dat wilde [getuige 1] ook niet; hij wilde een ordentelijke overgang naar een gereguleerde markt. Ik kan dus alleen maar bevestigen wat [getuige 1] volgens u zojuist heeft verklaard.
U vraagt mij of ik contact heb gehad met [betrokkene 1] . Ja, zij heeft mij benaderd met betrekking tot het wel of niet bestuursrechtelijk of strafrechtelijk ingrijpen. Ik ken [betrokkene 1] beroepshalve en ik heb in het verleden contact met haar gehad. Wat wilt u precies weten? U vraagt mij of ook werd gecommuniceerd naar mensen die mij benaderden dat sprake was van een gerechtvaardigd vertrouwen dat er niet zou worden ingegrepen. Ja natuurlijk. Er was een kleine groep advocaten die zich met het Nederlands kansspelbeleid bezighield. Deze advocaten hadden onderling contact en zodoende had ik ook contact met [betrokkene 1] . Ik heb daarover zeker uitvoerig met haar gesproken. Zij wist denk ik heel goed van de hoed en de rand. (…)
Over strafrechtelijke handhaving ging het toen helemaal niet. Het primaat van handhaving zou bij de Kansspelautoriteit komen te liggen. Op het Ministerie van Justitie is tijdens de gesprekken met meel in de mond gesproken over gedogen. Ik heb toen ook gevraagd of sprake was van gedogen. Er werd gezegd dat het geen gedogen genoemd mocht worden, maar dat er geen handhaving zou plaatsvinden. Er is toen niet gespecifieerd wat voor handhaving dat dan zou zijn. Logischerwijs ging het om bestuursrechtelijke handhaving, nu de Kansspelautoriteit in wisselende samenstelling deelnam aan die gesprekken. Alle partijen die deelnamen aan de
gesprekken liepen naar buiten met het idee dat als zij zich aan de voornoemde voorwaarden zouden houden, gelet op het feit dat de nieuwe wet eraan zat te komen, de kans dat tegen hen werd gehandhaafd buitengewoon klein was. (…)
U, voorzitter, zegt mij dat [getuige 1] als voormalig officier van justitie als geen ander zal weten dat het Ministerie van Justitie niet gaat over het wel of niet strafrechtelijk vervolgen. Daar gingen die gesprekken ook niet over. Het Openbaar Ministerie werd niet betrokken in de discussie. Op dat moment ging het over handhaving in brede zijn en daarmee werd bedoeld de bestuursrechtelijke handhaving. (…)
Wij wilden niet dat er bestuursrechtelijk werd gehandhaafd. Ik heb toen meermalen gesproken met één van de medewerkers van [getuige 1] om te vragen of er niet een telefoontje moest worden gepleegd naar het College van Procureurs-Generaal of het Openbaar Ministerie in het algemeen om af te spreken dat cliënten met rust zouden worden gelaten omdat we nu eenmaal een afspraak hadden. Vervolgens werd daarover niets aan mij teruggekoppeld. Toen de gesprekken op het Ministerie van Justitie plaatsvonden, was mij wel bekend dat [getuige 1] contact had opgenomen met het Openbaar Ministerie. Ik weet overigens niet met wie hij van het Openbaar Ministerie heeft gesproken. Ik weet niet wat er precies is gezegd. (…) Ik ben geen deelgenoot geweest van de gesprekken tussen [getuige 1] en het Openbaar Ministerie, dus ik weet niet wat daar precies is besproken. Ik weet dat wij die vraag hebben gesteld en ik weet dat die gesprekken hebben plaatsgevonden met het Openbaar Ministerie, maar ik kan u dus geen mededelingen doen over de inhoud van die gesprekken.”
In de vaststelling dat de Ksa en de staatssecretaris en/of ambtenaren van het ministerie van Veiligheid en Justitie en/of het openbaar ministerie geen toezeggingen hebben gedaan dat aanbieders van online kansspelen niet strafrechtelijk zouden worden vervolgd ligt logischerwijs besloten dat ook geen sprake kan zijn van gerechtvaardigd vertrouwen in dergelijke toezeggingen. Tot een nadere motivering was het hof niet gehouden.
De achtste deelklacht komt op tegen het oordeel van het hof dat aan eventuele door de staatssecretaris, de betrokken ambtenaren van het ministerie van Veiligheid en Justitie en/of medewerkers van de Ksa (in oprichting) gedane uitlatingen (of daarmee gelijk te stellen gedragingen) geen gerechtvaardigd vertrouwen kan worden ontleend, omdat aan deze functionarissen geen bevoegdheden in verband met de vervolgingsbeslissing zijn toegekend. Net als de zesde deelklacht faalt deze klacht reeds omdat deze zich richt tegen een overweging ten overvloede. Voorop staat immers het oordeel van het hof dat van dergelijke uitlatingen (of daarmee gelijk te stellen gedragingen) geen sprake is. Voor het overige merk ik op dat art. 124 RO bepaalt dat het openbaar ministerie is belast met de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde. De taken en bevoegdheden van het openbaar ministerie worden, zo bepaalt art. 125 RO, uitgeoefend door – kort gezegd – het College van procureurs-generaal, de advocaten-generaal bij de ressortsparketten en de officieren van justitie. De minister van Veiligheid en Justitie kan ingevolge art. 127 RO algemene en bijzondere aanwijzingen geven betreffende de uitoefening van de taken en bevoegdheden van het openbaar ministerie, maar van die bevoegdheid is – aldus het hof – geen gebruik gemaakt. Op grond van art. 46 lid 2 van de Grondwet treedt een staatssecretaris in de gevallen waarin de minister het nodig acht en met inachtneming van diens aanwijzingen, in zijn plaats als minister op. Het Besluit van de Minister van Veiligheid en Justitie, houdende bekendmaking van de taak waarmee de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie meer in het bijzonder zal zijn belast (Stcrt. 2012, 24375), houdt niet in dat de toenmalige staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, mr. [getuige 1] , in het bijzonder was belast met aangelegenheden betreffende het openbaar ministerie, laat staan het vervolgingsbeleid van het openbaar ministerie. Voornoemd Besluit houdt – overeenkomstig de vaststellingen van het hof – wél in dat [getuige 1] was belast met aangelegenheden betreffende kansspelen. Waarom dat met zich zou brengen dat het oordeel van het hof dat hij niet kan worden aangemerkt als een voor het vervolgingsbeleid verantwoordelijke persoon als gevolg daarvan dan toch onjuist en/of onbegrijpelijk zou zijn, ontgaat mij. Ik verwijs ook naar voornoemde uitspraak van de Hoge Raad van 17 december 1985 (randnummer 6.9), waarin de Hoge Raad oordeelde dat de opvatting dat een toezegging van een niet voor het strafvervolgingsbeleid verantwoordelijk overheidsorgaan, in dat geval de minister of staatssecretaris van Volksgezondheid en Milieuhygiëne, het vertrouwen zou vermogen te rechtvaardigen dat het OM zou zijn verstoken van het recht om ter zake alsnog tot strafvervolging tegen de verdachte over te gaan, onjuist is. Ook om deze redenen faalt de deelklacht.
Tegen die achtergrond is ook ’s hofs oordeel dat aanbieders van online kansspelen die zich aan de voorwaarden hielden erop mochten vertrouwen dat niet bestuurlijk en strafrechtelijk zou worden gehandhaafd een ‘persoonlijke opvatting’ is van [getuige 1] , niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd, zodat ook de negende deelklacht faalt.
Het derde middel faalt in al zijn onderdelen.
7 Het vierde middel
Het middel klaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM in de cassatiefase is overschreden, omdat de stukken te laat zijn ingezonden door het hof.
Namens de verdachte is op 20 maart 2024 cassatie ingesteld. De stukken van het geding zijn op 29 oktober 2025 binnengekomen bij de griffie van de Hoge Raad. Daarmee is de inzendtermijn van acht maanden met ruim elf maanden overschreden. Het middel klaagt daarover terecht.
Bovendien doet de Hoge Raad uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep, zodat van een bijzonder voortvarende afdoening in cassatie geen sprake meer zal (kunnen) zijn.
Een en ander brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM is overschreden. Gelet op de hoogte van de door het hof opgelegde taakstraf (tachtig uren), kan de Hoge Raad volstaan met de constatering dat de redelijke termijn in de cassatiefase is overschreden.
8 Slotsom
De tweede deelklacht van het eerste middel slaagt. Voor het overige faalt het eerste middel. Het tweede en het derde middel falen en kunnen worden afgedaan met een aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering. Het vierde middel slaagt, maar geeft geen aanleiding tot cassatie.
Ambtshalve gronden die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven, heb ik niet aangetroffen.
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 20 december 2018, maar uitsluitend wat betreft de beslissingen ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde, tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging van het onder 2 tenlastegelegde en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
A-G