Strafrecht overig

Conclusie AG. Onderzoek Rykiel. Aanbieden online kansspelen in Nederland zonder vergunning. Leidinggeven aan…

Parket bij de Hoge Raad, 6 oktober 2026

Zaakgegevens

Op 6 oktober 2026 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over strafrecht.

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
6 oktober 2026
Datum publicatie
2 oktober 2026
Zaaknummer
24/00947
ECLI
ECLI:NL:PHR:2026:955
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Conclusie AG. Onderzoek Rykiel. Aanbieden online kansspelen in Nederland zonder vergunning. Leidinggeven aan criminele organisatie (feit 1), (medeplegen van) feitelijk leidinggeven aan (medeplegen) gewoontewitwassen door een rechtspersoon (meermalen gepleegd) (feiten 2, 3 en 4), medeplegen valsheid in geschrift (meermalen gepleegd) (feit 5), feitelijk leidinggeven aan (medeplegen) valsheid in geschrift door een rechtspersoon (meermalen gepleegd) (feiten 7 en 9), feitelijk leidinggeven aan opzettelijk medeplegen overtreding voorschrift gesteld bij art. 1 lid 1 onder a Wet op de kansspelen door een rechtspersoon (feit 14). M1 klaagt terecht dat onder 14 tenlastegelegde feit inmiddels is verjaard. Overige klachten uit het middel, over oordeel hof dat onder 14 tenlastegelegde feit in hoger beroep nog niet (gedeeltelijk) was verjaard, falen. M2 bevat tevergeefs voorgestelde klachten over doorwerking verjaring feit 14 in tenlastegelegde witwasdelicten (feiten 2, 3 en 4) en deelneming criminele organisatie (feit 1). M3 klaagt terecht over schending inzendtermijn. Ook ambtshalve opmerking over redelijke termijn in cassatie. Conclusie strekt tot n-o verklaring van het OM in de vervolging van feit 14, tot vermindering van de opgelegde taakstraf naar de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige. Samenhang met de zaken 24/000921, 24/00946, 24/01045, 24/01117, 24/01118, 24/01119, 24/01120, 24/01121 en 24/01126.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 24/00947

Zitting 6 oktober 2026

CONCLUSIE

V.M.A. Sinnige

In de zaak

[verdachte] ,

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1980,

hierna: de verdachte

1 Inleiding

1.1

De verdachte is bij arrest van 11 maart 2024 door het gerechtshof 's-Hertogenbosch (parketnr. 20-000001-19), wegens

- onder 1 “als leider deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven”;

- onder 2 “feitelijke leiding geven aan het door een rechtspersoon begaan van het medeplegen van gewoonte maken van witwassen”’;

- onder 3 “medeplegen van feitelijke leiding geven aan het door een rechtspersoon begaan van en van het gewoonte maken van witwassen”;

- onder 4 “feitelijke leiding geven aan het door een rechtspersoon begaan van en medeplegen van het plegen van witwassen een gewoonte maken”;

- onder 5 “medeplegen van het plegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd”;

- onder 7 “feitelijke leiding geven aan het door een rechtspersoon begaan van medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd”;

- onder 9 “feitelijke leiding geven aan het door een rechtspersoon begaan van valsheid in geschrift”; en

- onder 14 “feitelijke leiding geven aan het door een rechtspersoon opzettelijk begaan van medeplegen van de overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 1, eerste lid onder a (voorheen 1 onder a) van de Wet op de kansspelen”
veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zes maanden, met aftrek van de tijd overeenkomstig art. 27 Sr en een taakstraf voor de duur van tweehonderd uren, te vervangen door honderd dagen hechtenis.

1.2

Er bestaat samenhang met de zaken 24/000921, 24/00946, 24/01045, 24/01117, 24/01118, 24/01119, 24/01120, 24/01121 en 24/01126. In die zaken zal ik vandaag ook concluderen. Samenhang bestaat eveneens met de zaken 24/01115 en 24/01116, waarin het door het openbaar ministerie ingestelde cassatieberoep is ingetrokken.

1.3

Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. R.J. Baumgardt, M.J. van Berlo en B.P.L. de Vries, allen advocaat in Rotterdam, hebben drie middelen van cassatie voorgesteld.

2 De zaak

2.1

De zaak tegen de verdachte maakt deel uit van het onderzoek Rykiel. Dat onderzoek had – blijkens het bestreden arrest – betrekking op het zonder vergunning aanbieden van online kansspelen in Nederland, hetgeen in strijd is met de Wet op de kansspelen (hierna: Wok). De hoofdpersonen achter het aanbieden van de gokspellen waren de verdachte en de medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] . Zij hebben omvangrijke geldbedragen gegenereerd en verdiend met het aanbieden van die gokspellen. Daarbij is gebruik gemaakt van diverse Nederlandse en buitenlandse vennootschappen. Binnen deze vennootschappen werden werkzaamheden verricht als het maken van spellen, het online aanbieden van kansspelen, het afwikkelen van het financiële verkeer rondom inleg van en uitbetaling aan spelers, technische ondersteuning aan afnemers van spellen, alsmede de administratieve werkzaamheden die met voorgaande waren gemoeid. Diverse vennootschappen dienden er in verband en samenhang met elkaar ook toe om te verhullen wie achter het aanbieden van de gokspellen zat, hoe geldstromen liepen en hoe geldstromen werden verantwoord, aldus het hof.

2.2

Voordat ik overga tot bespreking van de middelen zal ik hier kort en in grote lijnen stilstaan bij een aantal relevante vaststellingen van het hof over de (feitelijke) constructie van (internationale) rechtspersonen en natuurlijke personen die zich naar het oordeel van het hof hebben schuldig gemaakt aan de bewezenverklaarde feiten en daarnaast bij de samenhang tussen de verschillende feiten voor zover dat relevant is voor de bespreking van de middelen. Daarbij merk ik op dat het hof in zijn overwegingen tot uitdrukking heeft gebracht dat de bewezenverklaring berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de gebezigde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.

2.3

Uit het arrest van het hof kan worden opgemaakt dat [A] / [B] , [C] (hierna: [C] ) en [D] (hierna: [D] ) vanaf 2004 tot en met mei 2013 in Nederland zonder vergunning via zeven websites online kansspelen hebben aangeboden. Het hof concludeert dat de verdachte samen met [medeverdachte 1] feitelijke leiding heeft gegeven aan opzettelijke overtreding van de Wok (feit 14). De vennootschappen [B] , [C] en [D] zijn opgericht met het doel kansspelen via het internet te kunnen (blijven) aanbieden in Nederland. De bedrijfsvoering rondom het aanbieden van kansspelen was daar nagenoeg volledig op gericht. De spelers van de online kansspelen legden geld in via betalingen per creditcard, sms, Ideal of anderszins. Het ingelegde geld werd – meestal door tussenkomst van [M] – overgeboekt naar rekeningen die ter beschikking stonden van [E] . Die inkomsten werden aangewend voor onder meer de financiering van [F] en de betaling van bedrijfskosten, waaronder betalingen aan leveranciers.

2.4

Het hof heeft de verdachte voorts veroordeeld wegens het leiding geven aan een criminele organisatie die tot oogmerk had het plegen van misdrijven inzake overtreding van de Wok (feit 1), het witwassen van de opbrengsten uit de criminele activiteiten (feit 2, feit 3, feit 4) en meerdere valsheidsdelicten die in dat verband zijn gepleegd (feit 5, feit 7 en feit 9). Over de bewezenverklaring van de feiten zelf wordt in cassatie niet geklaagd.

3 De middelen

3.1

Namens de verdachte zijn drie middelen voorgesteld. Het eerste middel klaagt (terecht) dat het onder 14 tenlastegelegde feit inmiddels is verjaard. Het middel komt voorts op tegen het oordeel van het hof dat het onder 14 tenlastegelegde feit, door het hof aangeduid als ‘het aanbieden van online kansspelen zonder vergunning’ in hoger beroep nog niet (gedeeltelijk) was verjaard. Het tweede middel klaagt over het oordeel van het hof dat het niet toekomt aan de beoordeling van het verweer over de doorwerking van de verjaring van feit 14 in de witwasdelicten en de deelneming aan een criminele organisatie, omdat feit 14 in hoger beroep nog niet was verjaard. Het derde middel klaagt over de inzendtermijn in cassatie.

3.2

Ten aanzien van het eerste en het tweede middel merk ik op dat de raadsman van de verdachte zich in hoger beroep heeft aangesloten bij het door de raadslieden van [medeverdachte 1] gevoerde verweer met betrekking tot verjaring (waaronder kennelijk de doorwerking van de gestelde verjaring). Het hof heeft op gelijke wijze als in de zaak van [medeverdachte 1] gereageerd op dat verweer. Het eerste en tweede middel vertonen gelijkenis met het eerste, tweede en derde middel zoals ingediend in de samenhangende zaak [medeverdachte 1] . Mijn bespreking van de middelen 1 en 2 in de onderhavige zaak is daarom in grote lijnen gelijk aan die van de bespreking van de middelen 1, 2 en 3 in de zaak van de [medeverdachte 1] (zaaknr. 24/01118).

4 Het eerste middel

4.1

Het eerste middel bevat de klacht dat het vervolgingsrecht ten aanzien van het aan de verdachte tenlastegelegde feit 14 in hoger beroep althans in ieder geval voor indiening van de cassatieschriftuur is verjaard.

Het onder 14 tenlastegelegde en bewezenverklaarde

4.2

De verdachte is onder 14 ten laste gelegd dat:

“14. Primair

(overtreding wet op de kansspelen; ZD01)

hij

op één of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 juli 2004 tot en met 24 mei 2013,

in of vanuit de gemeente [geboorteplaats] (in of vanuit een perceel gelegen aan de [a-straat 1] ) en/of elders in Nederland

tezamen en in vereniging met de ondernemingen [C] ( [C] ) en/of [D] ( [D] ) en/of [A] en/of [B] (als registranten van na te noemen websites, zie pvb bevindingen historische gegevens domeinen 30329209, ZD01 pagina's 1237 tot en met 1313) en/of (een) ander(e) rechtsperso(o)n(en) en/of natuurlijk(e) perso(o)n(en)

(telkens) opzettelijk gelegenheid heeft/hebben gegeven om in of vanuit Nederland via internet mede te dingen naar een of meer prijzen of premies, waarbij de aanwijzing der winnaar(s) geschiedde door enige kansbepaling waarop de deelnemers in het algemeen geen overwegende invloed konden uitoefenen,

zonder dat (telkens) daarvoor een vergunning ingevolge de Wet op de Kansspelen was verleend,

immers,

hebbende hij, de verdachte en/of zijn mededader(s)

een of meer virtuele versie(s) van een of meer kansspelen, te weten:

- spellen die plegen te worden gespeeld op kansspelautomaten in de zin van artikel 30 sub c Wet op de kansspelen en/of

- casinospelen in de zin van de Beschikking casinospelen 1996 en derhalve kansspel in de zin van de Wet op de kansspelen en/of

- instantloterijen in de zin van artikel 14a lid 2 Wet op de Kansspelen

aangeboden via het worldwide web, althans internet en/of websites te weten:

A.

1. een of meer kansspelautomaten (in een of meer spelvarianten) en/of

2. een of meer casinospelen namelijk Roulette (in een of meer spelvarianten), Poker (in een of meer spelvarianten) en/of Black Jack (in een of meer spelvarianten)

via [internetsite 1] (spelbeschrijvingen: WOK-proces verbaal, ZD01 pagina's 1421 tot en met 1466) en/of

B.

1.een of meer kansspelautomaten (in een of meer spelvarianten) en/of

2.een of meer casinospelen namelijk Roulette (in een of meer spelvarianten) en/of Black Jack (in een of meer spelvarianten) en/of Poker (in een of meer spelvarianten) en/of Baccarat (in een of meer spelvarianten) en/of Videopoker (in een of meer spelvarianten) en/of Keno (in een of meer spelvarianten) en/of

3.een instantloterij Kraskaarten (in een of meer spelvarianten)

via [internetsite 2] (spelbeschrijvingen: WOK-proces-verbaal, ZD01 pagina's 1505 tot en met 1549) en/of

C.

1.een of meer casinospelen, namelijk Roulette (in een of meer spelvarianten) en/of Money Wheel en/of Black Jack (in een of meer spelvarianten) en/of Poker (in een of meer spelvarianten) en/of Baccarat (in een of meer spelvarianten) en/of Videopoker (in een of meer spelvarianten)en/of Keno (in een of meer spelvarianten en/of

2.een of meer kansspelautomaten in een of meer spelvarianten) en/of

3.een instantloterij Scratchcards (in een of meer spelvarianten)

via [internetsite 3] (spelbeschrijvingen: WOK-proces- verbaal, ZD01, pagina's 1467 tot en met 1504) en/of

D.

1.een of meer casinospelen namelijk Roulette (in een of meer spelvarianten) en/of Black Jack (in een of meer spelvarianten) en/of Poker (in een of meer spelvarianten) en/of Baccarat (in een of meer spelvarianten) en/of Videopoker (in een of meer spelvarianten) en/of Keno (in een of meer spelvarianten) en/of

2.een of meer kansspelautomaten (in een of meer spelvarianten) en/of

3.een instantloterij Scratchcards (in een of meer spelvarianten)

via [internetsite 4] (spelbeschrijvingen: WOK-proces-verbaal, ZD01, pagina's 1575 tot en met 1612) en/of

E.

1.een of meer kansspelautomaten (in een of meer spelvarianten) en/of

2.een of meer casinospelen namelijk Roulette (in een of meer spelvarianten) en/of Black Jack (in een of meer spelvarianten) en/of Poker (in een of meer spelvarianten) en/of Keno (in een of meer spelvarianten)

via [internetsite 5] (spelbeschrijvingen: WOK-proces-verbaal, ZD01 pagina's 1550 tot en met 1574) en/of

F.

een of meer kansspelautomaten (in een of meer spelvarianten) via [internetsite 6] (spelbeschrijvingen: WOK-proces-verbaal, ZD01 pagina's 1404 tot en met 1420) en/of

G.

een of meer casinospelen namelijk Poker (in een of meer spelvarianten) via [internetsite 7] (spelbeschrijvingen: WOK-proces-verbaal, ZD01 pagina's 1389 tot en met 1403);


14. subsidiair

[C] ( [C] ) en/of [D] ( [D] ) en/of [A] en/of [B] en/of [E] en/of één of meer andere rechtspersonen, al dan niet als registranten van na te noemen websites (zie pvb bevindingen historische gegevens domeinen 30329209, ZD01 pagina's 1237 tot en met 1313)

op één of meerdere tijdstippen

in of omstreeks de periode van 1 juli 2004 tot en met 24 mei 2013,

in of vanuit de gemeente [geboorteplaats] (in of vanuit een perceel gelegen aan de [a-straat 1] ), en/of elders in Nederland

tezamen en in vereniging met (een) ander(en), (telkens) opzettelijk gelegenheid heeft/hebben gegeven

om in of vanuit Nederland via internet mede te dingen naar een of meer prijzen of premies, waarbij de aanwijzing der winnaar(s) geschiedde door enige kansbepaling waarop de deelnemers in het algemeen geen overwegende invloed konden uitoefenen,

zonder dat (telkens) daarvoor een vergunning ingevolge de Wet op de Kansspelen was verleend, immers,

hebbende [C] en/of [D] en/of [A] en/of [B] en/of [E] en/of haar mededader(s) een of meer virtuele versie(s) van een of meer kansspelen, te weten:

- spellen die plegen te worden gespeeld op kansspelautomaten in de zin van artikel 30 sub c Wet op de kansspelen en/of

- casinospelen in de zin van de Beschikking casinospelen 1996 en derhalve kansspel in de zin van de Wet op de kansspelen en/of

- instantloterijen in de zin van artikel 14a lid 2 Wet op de Kansspelen

aangeboden via het worldwide web, althans internet en/of websites, te weten:

A.

1. een of meer kansspelautomaten (in een of meer spelvarianten) en/of

2. een of meer casinospelen namelijk Roulette (in een of meer spelvarianten), Poker (in een of meer spelvarianten) en/of Black Jack (in een of meer spelvarianten)

via [internetsite 1] (spelbeschrijvingen: WOK-proces- verbaal, ZD01 pagina's 1421 tot en met 1466) en/of

B.

1. een of meer kansspelautomaten (in een of meer spelvarianten) en/of

2. een of meer casinospelen namelijk Roulette (in een of meer spelvarianten) en/of Black Jack (in een of meer spelvarianten) en/of Poker(in een of meer spelvarianten)en/of Baccarat (in een of meer spelvarianten) en/of Videopoker (in een of meer spelvarianten) en/of Keno (in een of meer spelvarianten) en/of

3. een instantloterij Kraskaarten (in een of meer spelvarianten)

via [internetsite 2] (spelbeschrijvingen: WOK-proces-verbaal, ZD01 pagina's 1505 tot en met 1549) en/of

C.

1. een of meer casinospelen, namelijk Roulette (in een of meer spelvarianten) en/of Money Wheel (in een of meer spelvarianten) en/of Black Jack (in een of meer spelvarianten) en/of Poker (in een of meer spelvarianten) en/of Baccarat (in een of meer spelvarianten) en/of Videopoker (in een of meer spelvarianten) en/of Keno (in een of meer spelvarianten) en/of

2.een of meer kansspelautomaten (in een of meer spelvarianten) en/of

3.een instantloterij Scratchcards (in een of meer spelvarianten)

via [internetsite 3] (spelbeschrijvingen: WOK-proces- verbaal, ZD01, pagina's 1467 tot en met 1504) en/of

D.

1. een of meer casinospelen namelijk Roulette (in een of meer spelvarianten) en/of Black Jack (in een of meer spelvarianten) en/of Poker (in een of meer spelvarianten) en/of Baccarat (in een of meer spelvarianten) en/of Videopoker (in een of meer spelvarianten) en/of Keno (in een of meer spelvarianten) en/of

2. een of meer kansspelautomaten (in een of meer spelvarianten) en/of 3. een instantloterij Scratchcards (in een of meer spelvarianten)

via [internetsite 4] (spelbeschrijvingen: WOK-proces-verbaal, ZD01 pagina's 1575 tot en met 1612) en/of

E.

1. een of meer kansspelautomaten (in een of meer spelvarianten) en/of

2. een of meer casinospelen namelijk Roulette (in een of meer spelvarianten) en/of Black Jack (in een of meer spelvarianten) en/of Poker en/of Keno (in een of meer spelvarianten)

via [internetsite 5] (spelbeschrijvingen: WOK-proces-verbaal, ZD01 pagina's 1550 tot en met 1574) en/of

F. een of meer kansspelautomaten (in een of meer spelvarianten) via [internetsite 6] (spelbeschrijvingen: WOK-proces-verbaal, ZD01 pagina's 1404 tot en met 1420) en/of

G. een of meer casinospelen namelijk Poker (in een of meer spelvarianten) via [internetsite 7] (spelbeschrijvingen: WOK-proces-verbaal, ZD01 pagina's 1389 tot en met 1403)

zulks terwijl hij, de verdachte, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), feitelijke leiding heeft gegeven aan die verboden gedraging(en).”

4.3

Ten laste van de verdachte is onder 14 bewezen verklaard dat:

“14. subsidiair

[C] ( [C] ) en [D] ( [D] ) en [A] en [B] en [E] en andere rechtspersonen, al dan niet als registranten van na te noemen websites


in de periode van 1 juli 2004 tot en met 24 mei 2013,

in Nederland


tezamen en in vereniging met anderen,


opzettelijk gelegenheid hebben gegeven

om in of vanuit Nederland via internet mede te dingen naar een of meer prijzen of premies, waarbij de aanwijzing der winnaar(s) geschiedde door enige kansbepaling waarop de deelnemers in het algemeen geen overwegende invloed konden uitoefenen, zonder dat daarvoor een vergunning ingevolge de Wet op de Kansspelen was verleend,

immers,

hebbende hij, de verdachte en zijn mededaders een of meer virtuele versie(s) van een of meer kansspelen, te weten:

- spellen die plegen te worden gespeeld op kansspelautomaten in de zin van artikel 30 sub c Wet op de kansspelen en/of

- casinospelen in de zin van de Beschikking casinospelen 1996 en derhalve kansspel in de zin van de Wet op de kansspelen en/of

- instantloterijen in de zin van artikel 14a lid 2 Wet op de Kansspelen aangeboden via internet, te weten:

A.

1 kansspelautomaten (in een of meer spelvarianten) en

2. casinospelen namelijk Roulette (in een of meer spelvarianten), Poker (in een of meer spelvarianten) en Black Jack (in een of meer spelvarianten)

via [internetsite 1] en

B.

1. kansspelautomaten (in een of meer spelvarianten) en

2. casinospelen namelijk Roulette (in een of meer spelvarianten) en Black Jack (in een of meer spelvarianten) en Poker(in een of meer spelvarianten) en Baccarat (in een of meer spelvarianten) en Videopoker (in een of meer spelvarianten) en Keno (in een of meer spelvarianten) en

3. een instantloterij Kraskaarten (in een of meer spelvarianten)

via [internetsite 2] en/of

C.

1. casinospelen, namelijk Roulette (in een of meer spelvarianten) en Money Wheel (in een of meer spelvarianten) en Black Jack (in een of meer spelvarianten) en Poker (in een of meer spelvarianten) en Baccarat (in een of meer spelvarianten) en Videopoker (in een of meer spelvarianten) en Keno (in een of meer spelvarianten) en

2. kansspelautomaten (in een of meer spelvarianten) en

3. een instantloterij Scratchcards (in een of meer spelvarianten)

via [internetsite 3] en

D.

1. casinospelen namelijk Roulette (in een of meer spelvarianten) en Black Jack (in een of meer spelvarianten) en Poker (in een of meer spelvarianten) en Baccarat (in een of meer spelvarianten) en Videopoker (in een of meer spelvarianten) en Keno (in een of meer spelvarianten) en

2 kansspelautomaten (in een of meer spelvarianten) en

3. een instantloterij Scratchcards (in een of meer spelvarianten)

via [internetsite 4] en

E.

1. kansspelautomaten (in een of meer spelvarianten) en

2. casinospelen namelijk Roulette (in een of meer spelvarianten) en Black Jack (in een of meer spelvarianten) en Poker en Keno (in een of meer spelvarianten)

via [internetsite 5] en

F.

kansspelautomaten (in een of meer spelvarianten) via [internetsite 6] en

G.

casinospelen namelijk Poker (in een of meer spelvarianten)

via [internetsite 7]

zulks terwijl hij, de verdachte, tezamen en in vereniging met een ander feitelijke leiding heeft gegeven aan die verboden gedragingen”

5. De overwegingen van het hof

5.1

Het hof heeft het verweer dat het onder 14 tenlastegelegde feit in hoger beroep al gedeeltelijk was verjaard verworpen en daartoe het volgende overwogen:

“Ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de strafvervolging

Verweren verdediging

De verdediging heeft zich, op de gronden als verwoord in de pleitnota en onder aansluiting bij hetgeen in de zaken van de medeverdachten als verweer is gevoerd, op het standpunt gesteld dat het Openbaar Ministerie (geheel of gedeeltelijk) niet-ontvankelijk in de strafvervolging dient te worden verklaard, omdat:

1. een aantal tenlastegelegde feiten (gedeeltelijk) is verjaard en

(…)

Deze gronden komen in de kern op het volgende neer.

1. Verjaring

Onder 14 is aan de verdachte (het medeplegen van) opzettelijke overtreding van artikel 1, eerste lid, van de Wet op de kansspelen tenlastegelegd. Blijkens artikel 1, aanhef en onder 3°, van de Wet op de economische delicten (WED) is dit een economisch delict.

Op grond van het bepaalde in artikel 2, derde lid, WED in verbinding met artikel 36, eerste lid, Wok is dit een misdrijf. In artikel 6, eerste lid, aanhef en onder 2°, WED is hierop een gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren gesteld.

Ingevolge artikel 70, eerste lid, aanhef en onder 2°, Wetboek van Strafrecht (Sr) vervalt het recht tot strafvordering door verjaring in zes jaren voor de misdrijven waarop een gevangenisstraf van niet meer dan drie jaren is gesteld. De termijn van verjaring vangt aan op de dag na die waarop het feit is gepleegd (artikel 71, aanhef, Sr).

Uit artikel 71, eerste lid, Sr blijkt dat elke daad van vervolging de verjaring, ook ten aanzien van anderen dan de vervolgde, stuit. Krachtens het tweede lid van dat artikel vangt na de stuiting een nieuwe verjaringstermijn aan. Het recht tot strafvordering vervalt evenwel ten aanzien van misdrijven indien vanaf de dag waarop de oorspronkelijke verjaringstermijn is aangevangen een periode is verstreken die gelijk is aan twee maal de voor het misdrijf geldende verjaringstermijn.

Dat betekent dat het onderhavige feit is verjaard voor zover de tenlastegelegde periode is gelegen twaalf jaren vóór de uitspraakdatum van dit arrest. Het Openbaar Ministerie dient in zoverre niet-ontvankelijk te worden verklaard in de strafvervolging. Deze gedeeltelijke verjaring werkt door in de andere tenlastegelegde feiten.

(…)

Oordeel hof

Ad 1. Verjaring

De volgende bepalingen zijn van belang, luidend in de tenlastegelegde periode (1 juli 2004 tot en met 24 mei 2013).

(…)


Aanvangstermijn verjaring

Gelet op artikel 70, eerste lid, aanhef en onder 2°, van het Wetboek van Strafrecht is de absolute verjaringstermijn voor het aan de verdachte tenlastegelegde Wok-feit twaalf jaren, in beginsel te rekenen vanaf de dag na het begaan van het misdrijf.

Het hof merkt het verwijt dat de verdachte treft aan als één voortdurend delict. Dit verwijt betreft immers het door de verdachte – al dan niet in de vorm van medeplegen of feitelijke leiding geven – aan anderen gelegenheid geven om mede te dingen naar prijzen of premies, indien de aanwijzing der winnaars geschiedt door enige kansbepaling waarop de deelnemers in het algemeen geen overwegende invloed kunnen uitoefenen, zonder dat daartoe een vergunning is verleend. Daardoor is het delict pas voltooid als de verdachte niet langer in gebreke is, dat wil zeggen vanaf het moment dat feitelijk niet langer die gelegenheid wordt gegeven. Immers, naar de aard van de tenlastegelegde gedraging beschouwd, is sprake van een blijvende ‘gelegenheid tot het mede dingen naar prijzen of premies’ vanaf het moment dat die gelegenheid is gecreëerd tot het moment dat die gelegenheid door een handeling of nalaten wordt tenietgedaan. Zolang die gelegenheid niet wordt tenietgedaan, blijft feitelijk de gelegenheid in stand en duurt de verboden situatie voort. Aldus is sprake van een voortdurend delict. Een andersluidende opvatting – zoals door de verdediging is bepleit – te weten dat sprake is van het ‘telkens’ opnieuw aanbieden van kansspelen middels verschillende naast elkaar bestaande websites waardoor geen sprake is van één voortdurend delict maar van telkens afzonderlijke en nieuwe (commissie)delicten, doet naar 's hofs oordeel geen recht aan het verwijt dat de verdachte treft. Dat het gelegenheid geven heeft plaatsgevonden middels het op verschillende websites – gelijktijdig of na elkaar – aanbieden van deze kansspelen, doet daaraan naar het oordeel van het hof niet af. De keuze van het Openbaar Ministerie om het delict op een bepaalde wijze ten laste te leggen, is overigens niet bepalend voor het oordeel of al dan niet sprake is van een voortdurend delict.

De dag waarop de verjaringstermijn is aangevangen zal het hof daarom ook vaststellen op 25 mei 2013.

Nu na de dag waarop de oorspronkelijke verjaringstermijn is aangevangen - gelet op de datum waarop dit arrest wordt gewezen - geen periode is verstreken die gelijk is aan twee maal de voor het misdrijf geldende verjaringstermijn (artikel 72, tweede lid, Sr), is het recht tot strafvordering nog niet verjaard.

De verjaring is dus nog niet ingetreden.”

5.2

Verder zijn onderstaande bewijsoverwegingen, die het hof heeft opgenomen in verband met de bewezenverklaring van het onder 14 tenlastegelegde feit, relevant:

“III. Bewijsoverwegingen

Wet op de kansspelen (zaaksdossier 1, feit 14)

Algemeen

In het onderzoek Rykiel staat centraal het aanbieden van gokspellen via internet, die online door spelers vanaf hun computer kunnen worden gespeeld. [medeverdachte 1] en de broers [verdachte] en [medeverdachte 2] worden ervan verdacht dat zij de personen zijn achter het aanbieden van gokspellen via internet en daarmee omvangrijke geldbedragen hebben gegenereerd en verdiend. Daarbij zou gebruik zijn gemaakt van diverse vennootschappen, die in een verband en samenhang met elkaar ertoe zouden dienen om te verhullen wie achter het aanbieden van de online gokspelen zat, hoe geldstromen liepen en hoe de geldstromen werden verantwoord.

Het aan de verdachte onder 14 tenlastegelegde betreft - kort gezegd en algemeen weergegeven - overtreding van artikel 1, lid 1, onder a, van de Wok, door het zonder vergunning in Nederland aanbieden van kansspelen via internet. Het hof zal het tenlastegelegde bij de bespreking van dit feit in het navolgende kortheidshalve aanduiden als: het aanbieden van online kansspelen zonder vergunning.

Het hof zal allereerst in het algemeen bespreken of sprake is van het aanbieden van kansspelen in de zin van en wellicht in strijd met artikel 1, lid 1, onder a, van de Wok. Vervolgens zal het hof, met de rechtbank, bespreken wie als aanbieder van de online kansspelen moet worden aangemerkt. Daarna zal het hof ingaan op de rol die de verdachte in het bijzonder in het licht van het tenlastegelegde heeft gespeeld en hoe deze rol in strafrechtelijk relevante termen moet worden geduid.

(…)

Kansspelen

In het onderzoek Rykiel en in het bijzonder het tenlastegelegde feit gaat het om zeven met name genoemde websites, te weten:

- [internetsite 1] ,

- [internetsite 2] ,

- [internetsite 3] ,

- [internetsite 4] ,

- [internetsite 5] ,

- [internetsite 6] , en

- [internetsite 7] .

Via deze websites werd spelers de gelegenheid geboden om online spellen te spelen zoals poker, roulette en black jack, op fruit-/slotmachines te spelen en mee te doen aan instantloterijen. (…)

(…)

Gelegenheid geven

Of sprake is van het gelegenheid geven tot het spelen van kansspelen dient te worden beoordeeld aan de hand van de bepalingen van Wok. Hoewel niet met zoveel woorden vervat in delictsomschrijving van artikel 1, lid 1, onder a, van de Wok, moet sprake zijn van het in Nederland gelegenheid geven tot het spelen van kansspelen, nu het gaat om een hier te lande geldende nationale regeling.

(…)

Vaststaat en niet betwist is dat de presentatie van de spellen via het internet aan de speler, geen andere handelingen vergde dan die door de speler op de computer kunnen worden verricht.

In de periode 30 oktober 2012 tot en met 21 mei 2013 is door [verbalisant 1] 6 maal onderzoek verricht naar de betreffende websites, waarvan de bevindingen zijn neergelegd in het proces-verbaal d.d. 9 april 2014 (ZD01 1317-1321).

In de periode 11 april 2013 tot en met 14 mei 2013 is door [verbalisant 2] , voornoemd, onderzoek verricht naar de zeven websites. Uit de door hen opgemaakte processen-verbaal van bevindingen blijkt met betrekking tot alle zeven websites van gerichtheid op Nederland.

(…)

Het voorgaande in samenhang bezien leidt het hof naar het oordeel dat sprake is van ‘gelegenheid geven’ in de zin van artikel 1, lid 1, onder a, van de Wok.

(…)

Aanbieder(s)

Het hof ziet zich vervolgens gesteld voor de vraag wie als aanbieder van online kansspelen moet worden aangemerkt. Daarvoor acht het hof relevant wie als rechthebbende heeft te gelden met betrekking tot de websites waarop online kansspelen werden aangeboden.

Uit het dossier (proces-verbaal van bevindingen ZD01 1237-1313) blijkt per website van de datum van eerste registratie van de domeinnamen, eventuele opvolgende registraties, en wie de registrant is geweest. Uit onderzoek naar de domeinnamen komt naar voren dat:

- de domeinnaam [internetsite 8] op 6 juli 2004 is geregistreerd en nadien opvolgend door [B] , [internetsite 9] , [C] en op 9 juli 2009 door [D] is geregistreerd;

- de domeinnamen [internetsite 1] op 22 februari 2007, [internetsite 3] op 26 januari 2006, en [internetsite 4] op 19 juni 2003 zijn geregistreerd en nadien opvolgend door [C] en [D] zijn geregistreerd;

- de domeinnamen [internetsite 6] op 25 september 2006 en [internetsite 7] op 22 februari 2007 zijn geregistreerd, en nadien opvolgend door [C] en [D] zijn geregistreerd;

- de domeinnaam [internetsite 2] op 25 juni 2009 is geregistreerd door [D] .

Alle domeinnamen zijn derhalve op enig moment geregistreerd op naam van [C] ., een vennootschap naar het recht van Jersey, en vervolgens op naam van [D] , een vennootschap naar het recht van Costa Rica. Tevens is in 2012 en 2013 geconstateerd dat dat [D] op de websites als eigenaar is vermeld.

(…)

Structuur

In het onderzoek Rykiel is gebleken dat bij het aanbieden van kansspelen gebruik is gemaakt van diverse Nederlandse en buitenlandse vennootschappen. Binnen deze vennootschappen werden werkzaamheden verricht als het maken van spellen, het online aanbieden van kansspelen, het afwikkelen van het financiële verkeer rondom inleg van en uitbetaling aan spelers, technische ondersteuning aan afnemers van spellen, alsmede de administratieve werkzaamheden die met voorgaande waren gemoeid. Ten aanzien van de hierna genoemde vennootschappen is het volgende gebleken:

- [A] / [B] is op 8 juni 2004 opgericht in Engeland en op 22 augustus 2006 opgeheven. [verdachte] is sedert 29 juli 2004 en [medeverdachte 1] sedert 1 april 2005 bestuurder van de vennootschap, en tevens elk voor 50% houder van de aandelen. [B] is vanaf 25 juli 2005 registrant van de [internetsite 5] . Blijkens de zienswijze van [medeverdachte 1] , ingediend ter terechtzitting van 17 september 2018, ‘stond het eerste gokkastje online op [internetsite 9] op 18 december 2004.’

- [C] ( [C] ) is op 9 juni 2006 opgericht in Engeland door [betrokkene 1] en ingeschreven in het register van Companies House. De oprichting door [betrokkene 1] vond, naar hij verklaard heeft, plaats op verzoek van [verdachte] en [medeverdachte 1] . Sedert 9 juni 2006 stond [betrokkene 1] ingeschreven als bestuurder, op 12 november 2007 opgevolgd door [betrokkene 2] . De aandelen werden sedert 20 juni 2006 gehouden door [betrokkene 1] ; sedert 20 juni 2007 was [G] houder van 100% van de aandelen en vanaf 20 juni 2008 was [D] houder van 100% van de aandelen. Op 12 oktober 2010 is de vennootschap opgeheven, waarna op 29 november 2010 een nieuwe vennootschap (Ltd) met dezelfde naam is opgericht. [betrokkene 2] en [betrokkene 3] zijn dan bestuurder van de vennootschap en 100% van de aandelen worden gehouden door [betrokkene 2] . Per 1 december 2010 wordt [D] bestuurder en 100% aandeelhouder van [C] . In zijn zienswijze heeft [medeverdachte 1] te kennen gegeven dat [C] is opgericht in juni 2006 op voorstel van [betrokkene 1] , zodat spelers konden betalen met creditcard. In dat verband heeft hij besprekingen gevoerd met [betrokkene 4] , welke voorstelde ‘dat [verdachte] en ik niet zouden invullen dat we ons bezig hielden met ‘gambling’, omdat banken hier niet heel happig op zouden zijn. Ik hebt dit advies genegeerd (…).’

- [D] ( [D] ) is als een reeds bestaande vennootschap met de naam [H] op 23 oktober 2006 gekocht op Costa Rica, onder gelijktijdige wijziging van de naam in [D] . [betrokkene 1] heeft hiertoe met name mailcontact gehad met mw. [betrokkene 5] , notaris te Costa Rica, alsmede met mw. [betrokkene 6] , werkzaam bij [E] en personal assistant van [medeverdachte 1] , waaruit blijkt dat een en ander plaats vond op verzoek van [medeverdachte 1] . Als bestuurder van deze vennootschap zijn geregistreerd [betrokkene 1] , [betrokkene 2] , [betrokkene 7] , [betrokkene 3] , [betrokkene 8] . Aandelen werden gehouden door [C] en vervolgens door [I] , een vennootschap in Panama. [medeverdachte 1] heeft in zijn zienswijze verklaard dat [D] werd opgericht in verband met het aanvragen van patenten/licenties voor het aanbieden van kansspelen vanuit Costa Rica. Tevens verwijst het hof ter zake [D] naar hetgeen hiervoor onder ‘Aanbieder(s)’ is overwogen over het eigenaarschap van de zeven websites, waarop kansspelen werden aangeboden.

Uit het dossier komt naar het oordeel van het hof genoegzaam naar voren dat deze vennootschappen, vanaf 2004 tot en met mei 2013, beginnend bij [B] en eindigend met [D] , via internet in Nederland kansspelen hebben aangeboden. Uit de zienswijze van [medeverdachte 1] blijkt dat de vennootschappen [B] , [C] en [D] juist zijn opgericht met het doel kansspelen via het internet te kunnen (blijven) aanbieden in Nederland. De bedrijfsvoering rondom het aanbieden van kansspelen was daar nagenoeg volledig op gericht. (…)

Aan de verdachte is primair tenlastegelegd dat hij als medepleger met [C] , [D] en [A] / [B] kansspelen via internet heeft aangeboden in Nederland zonder vergunning.

Zoals voortvloeit uit voorgaande overwegingen is naar het oordeel van het hof, met de rechtbank, sprake van een organisatiestructuur met vennootschappen die als eigenaar van de websites online kansspelen hebben aangeboden. Deze structuur en de daarin functionerende vennootschappen is opgezet door, dan wel op initiatief van onder meer de verdachte. De verdachte heeft het aanbieden van kansspelen door die vennootschappen in al zijn onderdelen aangestuurd, zonder dat die vennootschappen of bestuurders van die vennootschappen daarin feitelijk zeggenschap hadden, laat staan uitoefenden. Naar het oordeel van het hof is daarmee niet zozeer sprake van een nauwe en bewuste samenwerking van de verdachte met die vennootschappen, maar een functioneren onder leiding van onder meer de verdachte. Het hof acht daarom het primair tenlastegelegde niet wettig en overtuigend bewezen en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Subsidiair wordt de verdachte verweten dat hij aan de verboden gedraging, het aanbieden van online kansspelen in Nederland zonder vergunning, door genoemde vennootschappen feitelijke leiding heeft gegeven.

(…)

Aan de jurisprudentie van de Hoge Raad ontleent het hof een aantal uitgangspunten voor de beoordeling van de vraag of een persoon feitelijke leiding heeft gegeven aan een verboden gedraging door een rechtspersoon. (…) Deze uitgangspunten hanterend concludeert het hof dat de verdachte samen met zijn compagnon [medeverdachte 1] feitelijke leiding heeft gegeven aan het aanbieden van online kansspelen door [B] , [C] en [D] . De verdachte en [medeverdachte 1] zijn vanaf de start in 2004 met de [internetsite 5] tot en met mei 2013 de drijvende kracht geweest achter alle activiteiten binnen de totale organisatiestructuur, die gericht was op het maken en aanbieden van gokspellen, de financiële verwerking van ontvangen inleggelden en uitbetaling van prijzen aan spelers.

Waar de verdachte zich met name richtte op de financiering van de organisatie en herinvestering van het verdiende geld, richtte [medeverdachte 1] zich met name op de dagelijkse bedrijfsvoering. Naar het oordeel van het hof is geen aspect te benoemen waar [medeverdachte 1] zich niet mee bezighield of bemoeide. [medeverdachte 1] zag toe op het ontwikkelen en programmeren van spellen door programmeurs, het online zetten en laten functioneren van die gokspellen, de verwerking van de in- en uitgaande geldstromen en het aangaan van overeenkomsten met zogenaamde payment service providers als [M] . [medeverdachte 1] initieerde, al dan niet daartoe geadviseerd, de oprichting van vennootschappen in het Verenigd Koninkrijk of Costa Rica teneinde gokspellen vanuit het buitenland in Nederland te kunnen aanbieden en het plaatsen van computerservers in Zweden. [medeverdachte 1] voerde doorlopend overleg met zijn adviseurs om het gokgebeuren in goede banen te leiden. Alle relevante beslissingen in de bedrijfsvoering rondom het aanbieden van online kansspelen werden door hem, in overleg met de verdachte, genomen.

(…)

Met de rechtbank acht het hof derhalve wettig en overtuigend bewezen dat de vennootschappen [B] , [C] en [D] middels 7 websites online kansspelen hebben aangeboden in Nederland zonder vergunning, aan welke gedraging [verdachte] en [medeverdachte 1] feitelijke leiding heeft gegeven.”

5.3

In een aanvulling van de bewijsmiddelen heeft het hof – voor zover relevant voor de bespreking van dit middel – het volgende bewijsmiddel opgenomen:

“15. Het proces-verbaal van bevindingen ‘van onderzoek aan de data aangetroffen op de in Zweden in beslaggenomen servers (ZD01, p. 1661-1666), voor zover inhoudende:

Op 24 mei 2013 is door de daartoe bevoegde autoriteiten in Zweden onderzoek gedaan en beslag gelegd op servers van de rechtspersonen [E] , [F] en [J] . De servers stonden op het adres van het datacentre Interroute in [plaats] , Zweden.

Uit onderzoek is gebleken dat de servers ingericht waren als webserver. De webservers bevatten de configuraties en bestanden om de onderstaande domeinen te kunnen bezoeken.

 [internetsite 1]

 [internetsite 2]

 [internetsite 3]

 [internetsite 10]

 [internetsite 4]

 [internetsite 6]

 [internetsite 5]

 [internetsite 11]

(…)”

De toelichting op het eerste middel

5.4

Uit het middel gelezen in combinatie met de toelichting daarop destilleer ik verschillende deelklachten.

5.5

In de eerste plaats wordt geklaagd dat ’s hofs verwerping van het verweer dat het tenlastegelegde feit in hoger beroep al was verjaard ontoereikend is gemotiveerd omdat is tenlastegelegd dat de verdachte feitelijk leiding heeft gegeven aan het door diverse rechtspersonen op verschillende tijdstippen en verschillende plaatsen telkens opzettelijk gelegenheid geven om via verschillende websites in of vanuit Nederland mede te dingen naar een of meer prijzen of premies. Daarnaast heeft het hof zelf ten aanzien van het bewijs overwogen dat de rechtspersonen ‘middels 7 websites’ kansspelen hebben aangeboden en dat de verdachte tezamen in vereniging met anderen online kansspelen heeft aangeboden. Juist omdat het gaat om het telkens gelegenheid geven aan diverse illegale kansspelen is geen sprake van een voortdurend delict, aldus de stellers van het middel. Ik zal deze klacht opdelen in twee deelklachten, waarbij de eerste deelklacht betrekking heeft op de vraag of het hof per rechtspersoon had moeten beoordelen of sprake was van een voortdurend delict en de tweede deelklacht op de vraag of het hof dat per website had moeten beoordelen.

5.6

Het middel klaagt voorts dat het feit in cassatie hoe dan ook is verjaard, aangezien de verjaringstermijn twaalf jaren bedraagt en de termijn uiterlijk op 25 mei 2013 is aangevangen. Opgemerkt wordt ook dat het arrest om die reden teruggewezen zal moeten worden ten aanzien van de strafoplegging. Ik merk deze klacht aan als de derde deelklacht.

5.7

Ik zal aanvangen met een bespreking van de derde deelklacht en vervolgens bespreken of de eerste en de tweede deelklacht nog bespreking behoeven.

6. Het juridisch kader bij de derde deelklacht van het eerste middel

6.1

De volgende bepalingen zijn van belang:

- Art. 70 Sr:

“1. Het recht tot strafvordering vervalt door verjaring:

(…)

2° in zes jaren voor de misdrijven waarop geldboete, hechtenis of gevangenisstraf van niet meer dan drie jaren is gesteld"

- Art. 71 Sr:

“De termijn van verjaring vangt aan op de dag na die waarop het feit is gepleegd, (…)”

- Art. 72 Sr:

“1. Elke daad van vervolging stuit de verjaring, ook ten aanzien van anderen dan de vervolgde.

2. Na de stuiting vangt een nieuwe verjaringstermijn aan. Het recht tot strafvordering vervalt evenwel ten aanzien van overtredingen na tien jaren en ten aanzien van misdrijven indien vanaf de dag waarop de oorspronkelijke verjaringstermijn is aangevangen een periode is verstreken die gelijk is aan twee maal de voor het misdrijf geldende verjaringstermijn.”

- Art. 51 lid 2 sub 2 Sr

“2. Indien een strafbaar feit wordt begaan door een rechtspersoon, kan de strafvervolging worden ingesteld en kunnen de in de wet voorziene straffen en maatregelen, indien zij daarvoor in aanmerking komen, worden uitgesproken:

(…)

2° tegen hen die tot het feit opdracht hebben gegeven, alsmede tegen hen die feitelijke leiding hebben gegeven aan de verboden gedraging (…)”

- Art.1 Wok:

“1. Behoudens het in Titel Va van deze wet bepaalde is het verboden:

a. gelegenheid te geven om mede te dingen naar prijzen of premies, indien de aanwijzing der winnaars geschiedt door enige kansbepaling waarop de deelnemers in het algemeen geen overwegende invloed kunnen uitoefenen, tenzij daarvoor ingevolge deze wet vergunning is verleend”

- Art. 31 lid 1 en lid 3 (oud) Wok, thans art. 36 lid 1 en lid 3 Wok:

“1. Gedragingen in strijd met de voorschriften vastgesteld bij of krachtens de artikelen 1, eerste lid, onder a, (…) zijn misdrijven, voorzover zij opzettelijk zijn begaan, en overigens overtredingen.

(…)

3. Gedragingen, die in dit artikel als misdrijf of als overtreding zijn aangemerkt, zijn economische delicten in de zin van artikel 1, aanhef en onder 3°, van de Wet op de economische delicten.”

- Art. 1 WED:

“Economische delicten zijn:

(…)

3° overtredingen van voorschriften, gesteld bij of krachtens:

(…)

de Wet op de kansspelen, de artikelen 1, eerste lid, onder a”

- Art. 2 lid 3 WED:

“3. De economische delicten, bedoeld in artikel 1, onder 3°, zijn misdrijven of overtredingen, al naar gelang zij in de desbetreffende voorschriften als misdrijf dan wel als overtreding zijn gekenmerkt.”

- Art. 6 lid 1 WED:

“1. Hij, die een economisch delict begaat, wordt gestraft:

1° in geval van misdrijf, voor zover het betreft een economisch delict, bedoeld in artikel 1, onder 1°, of in artikel 1a, onder 1°, met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren, taakstraf of geldboete van de vijfde categorie;

2° in geval van een ander misdrijf met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren, taakstraf of geldboete van de vierde categorie”,

De bespreking van de derde deelklacht uit het eerste middel

6.2

De verdachte is onder 14 – zakelijk weergegeven – primair tenlastegelegd dat hij als medepleger met [C] , [D] en [A] / [B] opzettelijk kansspelen via het internet heeft aangeboden in Nederland zonder vergunning. Subsidiair wordt de verdachte verweten dat hij aan de verboden gedraging, het aanbieden van online kansspelen in Nederland zonder vergunning, door genoemde rechtspersonen en/of andere rechtspersonen feitelijke leiding heeft gegeven. Het hof heeft het subsidiaire feit bewezen verklaard en gekwalificeerd als “feitelijke leiding geven aan het door een rechtspersoon opzettelijk begaan van medeplegen van overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 1, eerste lid onder a (voorheen 1 onder a) van de Wet op de kansspelen”.

6.3

Op grond van art. 36 lid 1 Wok is overtreding van het verbod uit art. 1 lid 1 onder a Wok een misdrijf voor zover het opzettelijk is begaan. Overtreding van art. 1 lid 1 onder a Wok is blijkens art. 36 lid 3 Wok een economisch delict als bedoeld in art. 1 aanhef en onder 3 van de WED. Ingevolge art. 6 lid 1 WED in samenhang bezien met de zojuist genoemde bepalingen en art. 2 lid 3 WED staat op het onder 13 tenlastegelegde en bewezenverklaarde feit een gevangenisstraf van maximaal twee jaren.

6.4

Op grond van art. 70 lid 1, aanhef en onder 2 en art. 72 lid 2 Sr bedraagt de absolute verjaringstermijn voor dit delict twee maal zes en dus twaalf jaren. Als, zoals het hof heeft gedaan, als uitgangspunt wordt genomen dat de verjaringstermijn is aangevangen op de dag na die waarop de tenlastegelegde periode eindigt, dan is de verjaringstermijn aangevangen op 25 mei 2013. Dit heeft tot gevolg dat het recht tot strafvordering op 25 mei 2025 is komen te vervallen. Dat betekent dat – onafhankelijk van de uitkomst van de eerste en tweede deelklacht – de derde deelklacht uit het eerste middel slaagt. Omdat het onder 14 tenlastegelegde en bewezenverklaarde feit op dit moment is verjaard, zal het openbaar ministerie in zoverre niet-ontvankelijk moeten worden verklaard.

6.5

Voor vermindering van de duur van de opgelegde straffen bestaat evenwel onvoldoende grond, aangezien de aard en de ernst van hetgeen voor het overige ten laste van de verdachte is bewezen verklaard niet worden aangetast door bedoelde niet-ontvankelijkverklaring. Ik wijs er in dat kader op dat de aan de verdachte opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden en taakstraf van 200 uren ook zijn opgelegd wegens – kort gezegd – het gedurende bijna tien jaar lang leidinggeven aan een criminele organisatie, het witwassen van meer dan € 100.000.000,- en meerdere valsheidsdelicten, delicten die met beduidend hogere straffen worden bedreigd dan overtreding van de Wok. Het voorgaande behoeft derhalve niet te leiden tot vernietiging van de bestreden uitspraak wat betreft de strafoplegging en terugwijzing van de zaak.

6.6

Gelet op het voorgaande heb ik mijzelf afgevraagd of het noodzakelijk is om de eerste twee deelklachten ook nog te bespreken. Dat is mijns inziens wel het geval. Het hof heeft namelijk geoordeeld dat de verjaring van feit 14 ten tijde van de behandeling van de zaak in hoger beroep nog niet was ingetreden en dat het daarom niet in hoefde te gaan op klachten over de doorwerking van de verjaring van feit 14 in andere tenlastegelegde feiten. In het tweede cassatiemiddel wordt geklaagd over dat oordeel van het hof. Om deze klacht te kunnen bespreken, is het mijns inziens nodig om eerst te weten of het oordeel van het hof dat feit 14 ten tijde van de behandeling in hoger beroep nog niet (gedeeltelijk) verjaard was stand kan houden.

Het beoordelingskader bij de eerste en tweede deelklacht uit het eerste middel

6.7

In de eerste en tweede deelklacht staat in de kern de vraag centraal of de uitleg die het hof aan de tenlastelegging van feit 2 heeft gegeven, inhoudende dat die één voortdurend delict bevat, in strijd is met de bewoordingen van de tenlastelegging.

Voortdurende delicten en art. 1 lid 1 sub a Wok als voortdurend delict

6.8

Het hof heeft het onder feit 14 tenlastegelegde aangemerkt als een voortdurend delict. Een voortdurend delict is een delict waarbij het plegen niet beperkt is tot één korte concrete handeling, maar waarbij het plegen enige tijd voortduurt. De strafbare gedraging bestaat uit het doen voortduren van een door de wet verboden toestand. Het plegen van een voortdurend delict eindigt pas zodra aan die toestand een einde wordt gemaakt, door de verdachte of door andere omstandigheden. Voorbeelden van voortdurende delicten zijn het voorhanden of aanwezig hebben van bepaalde zaken, zoals in de Opiumwet, de helings- en witwasbepalingen of art. 252 Sr over het bezit van kinderpornografie. Deelneming aan een criminele organisatie kan ook een voortdurende vorm aannemen. Of een feit tot de categorie van de voortdurende delicten behoort, valt doorgaans af te leiden uit de wettelijke omschrijving. In cassatie spelen bij de beoordeling van de vraag of het hof heeft kunnen aannemen dat sprake is van een voortdurend delict zowel de aard van het delict als de wijze van ten laste leggen en de uitleg van die tenlastelegging door de feitenrechter in een concreet geval een rol.

6.9

In de onderhavige zaak is de verdachte veroordeeld voor overtreding van art. 1 lid 1 onder a van de Wok. Om tot een bewezenverklaring van dat delict te kunnen komen, dient – kort gezegd en in mijn eigen bewoordingen – te worden aangetoond dat de verdachte (1) gelegenheid heeft gegeven, (2) tot het spelen van kansspelen (3) zonder dat daarvoor een vergunning is verleend. Hoewel de wetsgeschiedenis daarover geen uitsluitsel biedt, lijkt het bestanddeel ‘het geven van gelegenheid’ erop te wijzen dat het delict naar zijn aard een voortdurend delict betreft. Het ‘geven van gelegenheid’ kan immers een toestand in het leven roepen in die enige tijd kan duren. Het is in die zin vergelijkbaar met bijvoorbeeld het aanwezig hebben van verdovende middelen, het voorhanden hebben van wapens en het in hulpeloze toestand laten van een persoon. Het geven van de gelegenheid duurt voort zolang die situatie niet wijzigt.

De verjaring van voortdurende delicten

6.10

Op grond van art. 71 Sr neemt de verjaringstermijn een aanvang ‘op de dag na die waarop het feit is gepleegd’. De term ‘gepleegd’ duidt erop dat de verjaringstermijn pas begint te lopen op het moment dat het strafbare feit in zijn geheel is voltooid. De inhoud van de delictsomschrijving moet dus volledig zijn vervuld. Dat ligt voor de hand. Zou de start van de verjaringstermijn namelijk aansluiten bij de delictsgedraging en niet bij het voltooien van het delict, dan zou een delict al verjaard kunnen zijn voordat het is voltooid.

6.11

De verjaringstermijn van voortdurende delicten begint te lopen op de dag na de beëindiging van de verboden toestand. Tot die tijd wordt het feit tenslotte gepleegd. Van belang om te onthouden is dat een voortdurend delict uiteindelijk ook slechts één strafbaar feit oplevert. Dat ene strafbare feit begint te verjaren als het delict is gepleegd, dus pas nadat de laatste handeling is verricht. Het vervolgingsrecht blijft tot die tijd bestaan.

6.12

Gevallen uit de jurisprudentie waarin ter discussie stond of bepaalde feiten waren verjaard en waarin volgens de Hoge Raad sprake was van een voortdurend delict zijn onder meer de volgende: het nalaten een deugdelijke registratie te voeren van de arbeids- en rusttijden van werknemers (art. 4:3 lid 1 Arbeidstijdenwet), het verzwijgen van het aannemen van giften tijdens een dienstverband (art. 328ter lid 1 Sr) en het verborgen houden van een lijk (art. 151 Sr).

6.13

Verder is nog een tweetal andere arresten het vermelden waard. In een arrest van 11 oktober 2022 was bewezen verklaard dat de verdachte haar tien kinderen in hulpeloze toestand had gelaten (art. 255 Sr). Dit was volgens het hof te zien als één in nalaten bestaand voortdurend delict. Naar het oordeel van de Hoge Raad kon het hof dit echter niet aanmerken als één doorlopend delict, maar was sprake van meerdere van elkaar te onderscheiden voltooiingen van hetzelfde (voortdurende) delict, zodat de verjaringstermijn ten aanzien van elk kind afzonderlijk moest worden bepaald. In een arrest van 5 juli 2016 was het oordeel van het hof dat het tenlastegelegde zonder vergunning als effectenbemiddelaar aanbieden van diensten aan tien bij naam genoemde personen gekwalificeerd moest worden als voortdurend delict omdat dit delict “pas (is) voltooid op de dag dat de betrokken verdachte niet langer zonder vergunning opereert” ontoereikend gemotiveerd. Die motivering schoot tekort omdat het Hof er geen inzicht in heeft gegeven op welke feiten en omstandigheden, zoals de aard van de werkzaamheden die de effectenbemiddelaar of vermogensbeheerder voor de in de tenlastelegging genoemde personen gedurende de daarin vermelde periode heeft verricht of het tijdstip waarop deze die werkzaamheden heeft verricht, het zijn uitleg van de tenlastelegging heeft gebaseerd.

Deelneming, feitelijk leidinggeven en verjaring

6.14

De tekst van de wet (art. 71 Sr) spreekt over het ‘plegen’ van het feit. Daaruit vloeit volgens De Hullu en Van Kempen voort dat de start van de verjaringstermijn voor deelnemers aan een strafbaar feit aansluit bij die van de pleger, dat wil zeggen: bij de voltooiing van de delictsinhoud door de pleger. Voor deelnemingsgedragingen waarbij de dader en de pleger simultaan opereren, ligt dat voor de hand. Dat is minder het geval voor deelnemingsgedragingen waarbij de gedraging van de deelnemer voorafgaat aan het plegen van het hoofddelict. Te denken valt aan doen plegers, uitlokkers en medeplichtigen tot het hoofddelict. Ook in die gevallen moet echter worden aangenomen dat de verjaringstermijn pas begint te lopen wanneer het hoofddelict zich geheel heeft voltrokken. Anders zou immers bijvoorbeeld de situatie kunnen ontstaan dat de uitlokking al verjaard is terwijl het grondfeit nog niet is gepleegd.

6.15

In de onderhavige zaak wordt de verdachte (ook) verweten dat hij feitelijk leiding heeft gegeven aan strafbaar handelen door rechtspersonen. Op grond van art. 51 lid 1 sub 2 Sr geldt dat als een strafbaar feit wordt begaan door een rechtspersoon, (ook) strafvervolging kan worden ingesteld tegen degene die feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging van de rechtspersoon. De rechtspersoon kan in dit verband zowel pleger van het delict kan zijn, als doen-pleger, medepleger, uitlokker of medeplichtige. Ook aan de deelneming aan een strafbaar feit door een rechtspersoon kan dus feitelijk leiding worden gegeven. Aan hetzelfde strafbare feit kan bovendien door meerdere personen – al dan niet gezamenlijk – feitelijke leiding worden gegeven, terwijl ook een rechtspersoon feitelijk leidinggever kan zijn.

6.16

Ten aanzien van de figuur van feitelijk leidinggeven geldt – net als ten aanzien van deelneming – een accessoriteitsvereiste. In het kader van het feitelijk leiding geven houdt dat vereiste in dat de strafbaarheid van de feitelijk leidinggever gekoppeld is aan die van de rechtspersoon. Voordat een rechter zich buigt over de vraag of feitelijk leiding is gegeven aan een strafbaar feit door een rechtspersoon, zal eerst moeten worden vastgesteld dat de rechtspersoon dat strafbare feit heeft begaan. Het feit dat de strafbaarheid van de feitelijk leidinggever afhankelijk is van de strafbaarheid van het grondfeit gepleegd door de rechtspersoon, wil niet zeggen dat de feitelijk leidinggever aansprakelijk wordt gesteld voor de verboden gedragingen van de rechtspersoon. Hoewel die aansprakelijkheid daarmee sterk samenhangt, wordt de feitelijk leidinggever een geheel persoonlijk verwijt gemaakt. Hij wordt aansprakelijk gesteld voor zijn eigen betrokkenheid bij de door de rechtspersoon begane delicten, net als de deelnemer aan een strafbaar feit aansprakelijk is op grond van de door hem verrichte gedragingen. Het verwijt dat de feitelijk leidinggever wordt gemaakt, hoeft niet samen te vallen met het verwijt dat de rechtspersoon wordt gemaakt, maar dat kan wel.

6.17

In de literatuur bestaat discussie over de aard van de figuur van het feitelijk leidinggeven en dan met name over de vraag of feitelijk leidinggeven moet worden gezien als een vorm van daderschap en deelneming of enkel als aansprakelijkstelling. Wat daar ook van zij, duidelijk is in ieder geval dat er vanwege de accessoriteitseis gelijkenis bestaat tussen de twee figuren. Vanwege die gelijkenis met deelneming op dit punt en het ontbreken van signalen in de literatuur en jurisprudentie voor een andersluidend standpunt, ga ik ervan uit dat de verjaringstermijn bij feitelijk leidinggeven net als bij deelneming synchroon loopt met die van de rechtspersoon. Ik acht in dit verband ook relevant dat de tenlastelegging van feitelijk leidinggeven is toegesneden op het grondfeit van de rechtspersoon, dat aan feitelijk leidinggeven in de tenlastelegging geen eigen tijd toe hoeft te worden gekend en dat de term ook niet nader hoeft te worden omschreven in de tenlastelegging.

De bespreking van de eerste en de tweede deelklacht

6.18

In het kort is in hoger beroep aangevoerd dat het onder 14 tenlastegelegde feit was verjaard voor zover de tenlastegelegde periode was gelegen twaalf jaren vóór de uitspraakdatum van het arrest. Het hof heeft geoordeeld dat het recht tot strafvordering nog niet was verjaard. Dat oordeel heeft het gemotiveerd door het verwijt dat de verdachte treft aan te merken als één voortdurend delict, dat pas is voltooid als de verdachte niet langer in gebreke is, dat wil zeggen vanaf het moment dat feitelijk niet langer de gelegenheid aan anderen wordt gegeven om mee te doen aan kansspelen. Naar de aard van de tenlastegelegde gedraging is immers sprake van een blijvende gelegenheid tot het mededingen naar prijzen of premies vanaf het moment dat die gelegenheid is gecreëerd tot het moment dat die gelegenheid door een handeling of nalaten wordt tenietgedaan. Een andersluidende opvatting – zoals door de verdediging is bepleit – te weten dat sprake is van het ‘telkens’ opnieuw aanbieden van kansspelen middels naast elkaar bestaande websites waardoor geen sprake is van één voortdurend delict maar van telkens afzonderlijke en nieuwe delicten, doet naar het oordeel van het hof geen recht aan het verwijt dat de verdachte treft. Dat het gelegenheid geven heeft plaatsgevonden middels het op verschillende websites – gelijktijdig of na elkaar – aanbieden van deze kansspelen doet daaraan naar het oordeel van het hof niet af. De keuze van het openbaar ministerie om het delict op een bepaalde wijze ten laste te leggen is overigens niet bepalend voor het oordeel of al dan niet sprake is van een voortdurend delict, aldus het hof. De dag dat de verjaringstermijn is aangevangen stelt het hof vervolgens vast op 25 mei 2013.

6.19

Voordat ik toekom aan de bespreking van de vraag naar de houdbaarheid van ’s hofs verwerping van het beroep op verjaring van feit 14, licht ik eerst nader toe welk verwijt de verdachte in de tenlastelegging wordt gemaakt. Dat doe ik omdat de tenlastelegging ten aanzien van de rol van de rechtspersonen en het feitelijk leidinggeven niet nader is verfeitelijkt.

6.20

Zoals eerder al benoemd, wordt de verdachte in feit 14 primair verweten dat hij als medepleger met vijf rechtspersonen kansspelen via het internet heeft aangeboden zonder vergunning. Subsidiair wordt hem verweten aan de verboden gedraging van die vijf (of meer) rechtspersonen feitelijk leiding te hebben gegeven. Het hof heeft de verdachte vrijgesproken van het primair tenlastegelegde medeplegen en veroordeeld voor het subsidiair tenlastegelegde feitelijk leidinggeven. De reden hiervoor was, aldus het hof, dat niet zo zeer sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking van de verdachte met de in de tenlastelegging genoemde vennootschappen, maar van een functioneren onder leiding van de verdachte. Ten aanzien van die leidinggevende rol van de verdachte heeft het hof onder meer het volgende vastgesteld:

- De structuur en de daarin functionerende vennootschappen zijn opgezet door of op initiatief van (onder meer) de verdachte.

- De verdachte heeft het aanbieden van kansspelen door die vennootschappen in al zijn onderdelen aangestuurd, zonder dat die vennootschappen of de bestuurders daarvan daarin feitelijk zeggenschap hadden, laat staan uitoefenden.

- Vanaf de start van de tenlastegelegde periode tot en met het eind van die periode was de verdachte (met [medeverdachte 1] ) de drijvende kracht achter alle activiteiten binnen de totale organisatiestructuur.

- Alle relevante beslissingen in de bedrijfsvoering rondom het aanbieden van online kansspelen werden door de verdachte, in overleg met zijn compagnon [medeverdachte 1] , genomen.

6.21

Met betrekking tot de rol die ieder van de rechtspersonen speelde bij het feit heeft het hof onder meer vastgesteld dat binnen deze vennootschappen werkzaamheden werden verricht als het maken van spellen, het online aanbieden van kansspelen, het afwikkelen van het financiële verkeer rondom inleg van en uitbetaling aan spelers, technische ondersteuning aan afnemers van spellen en daarnaast administratieve werkzaamheden werden verricht die met het voorgaande waren gemoeid.

De eerste deelklacht

6.22

Dan kom ik nu toe aan een bespreking van de eerste deelklacht. De eerste deelklacht ziet (ik herhaal) op het oordeel van het hof dat de tenlastelegging onder 14 subsidiair één voortdurend delict betreft. Volgens de stellers van het middel houdt de tenlastelegging in dat de verdachte feitelijk leiding heeft gegeven aan door diverse rechtspersonen begane strafbare feiten. Allereerst merk ik hierover op dat de stelling dat de tenlastelegging inhoudt dat de verdachte feitelijk leiding heeft gegeven aan door diverse rechtspersonen begane strafbare feiten feitelijke grondslag mist. Met die stelling lijken de stellers van het middel er namelijk van uit te gaan dat de onder 14 subsidiair tenlastegelegde rechtspersonen ieder van elkaar losstaande strafbare feiten hebben begaan en dat de verdachte aan die verschillende feiten leiding heeft gegeven. Van een cumulatieve tenlastelegging waarin ‘door diverse rechtspersonen begane strafbare feiten’ zijn vermeld is echter geen sprake. In de tenlastelegging van feit 14 subsidiair staat immers opgenomen dat [C] en/of [D] en/of [A] en/of [B] en/of [E] en/of één of meer andere rechtspersonen ‘tezamen en in vereniging met anderen’ opzettelijk gelegenheid hebben gegeven tot kansspelen via het internet zonder vergunning, terwijl de verdachte en een ander hieraan feitelijk leiding hebben gegeven. In de (subsidiaire) tenlastelegging staat dus dat het delict uit art. 1 lid 1 onder a Wok door de betreffende rechtspersonen is medegepleegd. Dat het hof de tenlastelegging zo heeft uitgelegd dat sprake is van één (voortdurend) strafbaar feit, is dus niet in strijd met de bewoordingen ervan.

6.23

Voor zover er dan nog wordt geklaagd dat het hof de verjaring per rechtspersoon had moeten beoordelen, is het volgende van belang. Het verwijt dat de verdachte onder 14 subsidiair wordt gemaakt, houdt in de kern in dat hij samen met [medeverdachte 1] een construct aan rechtspersonen heeft opgetuigd waarmee hij online kansspelen heeft aangeboden zonder dat hij daarvoor een vergunning had. Die rechtspersonen dienden organiserende, financiële, technische en/of administratieve doeleneinden en voorzagen daarmee in de structuur die noodzakelijk was om het delict uit art. 1 lid 1 onder a Wok te kunnen plegen. Uit de vaststellingen van het hof (zoals onder 5.2 weergegeven) blijkt dat er geen afstand was tussen de handelingen van de rechtspersonen en de handelingen van de verdachte. De verdachte was, samen met zijn medeverdachte, degene die alles besliste en alles uitvoerde. Dat deed hij gedurende de gehele tenlastegelegde periode en ten aanzien van alle in de tenlastelegging genoemde rechtspersonen. Tegen die achtergrond bezien ligt het ook niet in de rede om de beoordeling van de verjaring uit te splitsen per individuele rechtspersoon.

6.24

Gelet op het voorgaande getuigt het oordeel van het hof dat het verwijt dat de verdachte treft moet worden aangemerkt als één voortdurend delict, en het daarin besloten liggende oordeel dat de verjaring niet per rechtspersoon beoordeeld hoeft te worden, niet van een onjuiste rechtsopvatting en is dat oordeel niet onbegrijpelijk. Evenmin is ’s hofs uitleg van de tenlastelegging op dit punt strijdig met de bewoordingen ervan.

De tweede deelklacht

6.25

Ik vervolg met een bespreking van de tweede deelklacht. Daarin wordt – zo begrijp ik - (eveneens) geklaagd over het oordeel van het hof dat feit 14 subsidiair één voortdurend delict betreft en niet meerdere, cumulatief tenlastegelegde feiten. In het kader van de tweede deelklacht wordt erop gewezen dat het hof heeft overwogen “dat de rechtspersonen ‘middels 7 websites’ kansspelen hebben aangeboden en dat verdachte tezamen in vereniging met andere online kansspelen heeft aangeboden’. Ik begrijp die opmerking aldus dat de delictsomschrijving uit art. 1 lid 1 sub a Wok volgens de stellers van het middel al is vervuld wanneer op één website gelegenheid tot het meedoen aan kansspelen wordt gegeven.

6.26

Opgemerkt zij in de eerste plaats dat ik niet inzie welk belang de verdachte heeft bij deze klacht. De tenlastegelegde periode loopt van 1 juli 2004 tot en met 24 mei 2013. Uit de bewijsmiddelen volgt dat ieder van de in de tenlastelegging genoemd zeven websites aan het einde van de tenlastegelegde periode nog in de lucht was (zie bewijsmiddel 15, hierboven aangehaald in randnummer 5.3). Ook als de verjaring zou worden uitgesplitst per website, zou de verjaringstermijn dus pas op 25 mei 2013 van start zijn gegaan. Dat is dezelfde datum die het hof heeft gehanteerd als startdatum van de verjaring.

6.27

Overigens ben ik ook van oordeel dat de klacht op inhoudelijke gronden niet slaagt. De tenlastelegging houdt in dat dat de verdachte, samen met anderen, (telkens) opzettelijk gelegenheid heeft gegeven tot het online spelen van kansspelen door op verschillende websites kansspelen aan te bieden, althans dat hij daaraan feitelijk leiding heeft gegeven. Doordat “telkens” tussen haakjes is geplaatst, biedt deze wijze van ten laste leggen enige ruimte voor uitleg aan de rechter. Het hof heeft dit als één voortdurend delict aangemerkt en niet als zeven afzonderlijke voortdurende delicten. Mijns inziens is dit oordeel van het hof niet onbegrijpelijk en niet onverenigbaar met de bewoordingen van de tenlastelegging. Ik kan het hof goed volgen in de overweging dat een uitleg van de tenlastelegging die inhoudt dat daarin meerdere op zich zelf staande voltooiingen van hetzelfde delict staan, geen recht doet aan het verwijt dat de verdachte wordt gemaakt. Daarbij verwijs ik naar hetgeen ik over dat verwijt heb opgemerkt bij de bespreking van de eerste deelklacht. Strijd met de bewoordingen van de tenlastelegging levert dat niet op.

6.28

Verder valt op dat de aard van het tenlastegelegde feit en de wijze waarop dat feit is ten laste gelegd verschillen van die uit een aantal zaken zoals genoemd in de randnummers 6.12 en 6.13. In HR 11 oktober 2022, ECLI:NL:HR:2022:1410 ging het om het in hulpeloze toestand brengen of laten van tien kinderen. Het oordeel van het hof dat dat één voortdurend delict opleverde was onjuist, aangezien het in hulpeloze toestand brengen of laten van meerdere personen, zoals bedoeld in art. 255 Sr, ten aanzien van elk van die personen een zelfstandige vervulling van de delictsbeschrijving oplevert. Dat hangt samen met de aard van het delict. Art. 255 Sr stelt immers strafbaar het in hulpeloze toestand brengen of laten van ‘iemand’. Wel was ten aanzien van ieder kind afzonderlijk sprake van een voortdurend delict. In HR 13 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:321 was ook twee keer hetzelfde delict voltooid, omdat de verdachte twee verschillende lijken had verborgen. Het verbergen van één lijk levert al direct het (op zichzelf voortdurende) delict uit art. 151 Sr op, want daarin is strafbaar gesteld het verbergen van ‘een lijk’. Ook hier dwingt de aard van het delict dus tot die uitleg. Dat is bij art. 1 lid 1 onder a van de Wok niet het geval.

6.29

Ik wijs ook op HR 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1391. De verdachte in die zaak had zich volgens de tenlastelegging (en bewezenverklaring) schuldig gemaakt aan medeplichtigheid aan het zonder vergunning als effectenbemiddelaar diensten aanbieden en verrichten door als vermogensbeheerder op te treden, waarbij hij telkens concrete aanbiedingen had gedaan aan concreet in de bewezenverklaring genoemde personen. Het hof oordeelde dat sprake was van één voortdurend delict. Zoals in randnummer 6.13 reeds vermeld, achtte de Hoge Raad dat oordeel niet behoorlijk gemotiveerd, in het bijzonder niet omdat het hof geen inzicht erin heeft gegeven op welke feiten en omstandigheden, zoals de aard van de werkzaamheden die de effectenbemiddelaar of vermogensbeheerder voor de in de tenlastelegging genoemde personen gedurende de daarin vermelde periode heeft verricht of het tijdstip waarop deze die werkzaamheden heeft verricht, het zijn uitleg van de tenlastelegging heeft gebaseerd. Hier speelde mijns inziens de wijze van ten laste leggen een rol. In zijn conclusie voorafgaand aan het arrest van de Hoge Raad merkt A-G Machielse op dat bij ieder concreet aanbod aan een individueel persoon telkens de delictsinhoud van art. 7 Wte 1995 werd voltooid. Bij het geven van gelegenheid tot het meedoen aan kansspelen, zoals in de onderhavige zaak, ligt dat mijns inziens anders. In de onderhavige zaak is blijkens de tenlastelegging geen sprake van het bieden van gelegenheid aan concrete personen, maar van een aan het algemene publiek op verschillende websites op het internet aangeboden gelegenheid om mee te doen aan kansspelen, hetgeen in zekere zin een openstaande uitnodiging tot het spelen van kansspelen inhoudt die blijft bestaan zolang zij niet is ingetrokken of anderszins is beëindigd. De wijze van ten laste leggen in het onderhavige geval laat kortom ruimte voor de uitleg die het hof aan de tenlastelegging heeft gegeven.

6.30

Het voorgaande in aanmerking genomen, acht ik het niet onbegrijpelijk dat het hof de tenlastelegging in de onderhavige zaak zo heeft opgevat dat het gaat om het voortdurend geven van gelegenheid en niet ten aanzien van elke website een zelfstandige vervulling van het delict uit art. 1 lid 1 onder a Wok heeft aangenomen. Die uitleg van de tenlastelegging is niet strijdig met de bewoordingen ervan.

6.31

De eerste en tweede deelklacht uit het eerste middel falen.

7 Het tweede middel

7.1

In het tweede middel wordt geklaagd dat het hof de verwerping van het ‘doorwerking verjaringsverweer’ ten aanzien van het tenlastegelegde deelnemen aan een criminele organisatie en witwassen slechts heeft verworpen door daartoe (ten onrechte) te oordelen dat dit verweer geen bespreking behoeft nu het verjaringsverweer wordt verworpen.

Het onder 1, 2, 3 en 4 bewezenverklaarde

7.2

Kort gezegd is onder 1 bewezen verklaard dat de verdachte leiding heeft gegeven aan een organisatie die tot oogmerk had het plegen van misdrijven inzake overtreding van de wet op de kansspelen. Onder 2, 3 en 4 is bewezen verklaard het – in verschillende hoedanigheden – gewoontewitwassen van de inkomsten uit illegale online kansspelen.

De overwegingen van het hof

7.3

Het hof heeft na de verwerping van het beroep op verjaring (zie middel 1) ten aanzien van het beroep op doorwerking van de verjaring van feit 14 als volgt overwogen:

Doorwerking verjaring in andere tenlastegelegde feiten

Voor zover de verdediging op gronden zoals gevoerd in de pleitnota’s nog heeft aangevoerd dat de verjaring van de tenlastegelegde overtreding van de Wet op de Kansspelen doorwerking vindt in de andere tenlastegelegde feiten, behoeven deze gelet op het vorengaande geen bespreking meer.”

7.4

Met betrekking tot de feiten 1, 2, 3 en 4 heeft het hof – voor zover hier relevant – het volgende in zijn arrest opgenomen:

“Witwassen algemeen (feiten 2, 3 en 4)

Uit misdrijf afkomstig

Het hof heeft in navolging van de rechtbank vastgesteld dat in de tenlastegelegde periode op

de websites [internetsite 1] , [internetsite 2] , [internetsite 3] , [internetsite 4] , [internetsite 5] , [internetsite 6] en [internetsite 7] kansspelen werden aangeboden, gericht op en toegankelijk voor Nederlandse consumenten. Het via internet opzettelijk aanbieden van kansspelen in Nederland is een misdrijf op grond van de Wok en de Wet op de economische delicten. Inkomsten die daarmee worden gegenereerd, zijn dus van misdrijf afkomstig.

Op grond van wat het hof bij de bespreking van zaaksdossier 1, inzake overtreding van de Wok, heeft vastgesteld en op grond van de aan dit vonnis gehechte bijlage met de daarin omschreven bewijsmiddelen inzake zaaksdossiers 02A-B-C-E-F-K - welke bewijsmiddelen hier als herhaald en ingelast dienen te worden beschouwd - stelt het hof het navolgende vast.

(…)

Witwassen (zaaksdossiers 02G-I-L-M, feit 4)

(…)

Witwassen € 536.876,- van [C] via [K] en/of [medeverdachte 2] (in privé) en/of [medeverdachte 1] in privé (zaaksdossier 02-G)

(…)

Uit misdrijf afkomstig

(…)

Gelet op het voorgaande stelt het hof, met de rechtbank, vast dat het geldbedrag van € 536.876,- afkomstig is van creditcardbetalingen door spelers die gebruik maakten van de aangeboden online kansspelen in Nederland en dus dat dit geldbedrag uit misdrijf afkomstig was.

(…)

Witwassen € 4.1 miljoen van [E] via [L] (zaaksdossier 02-L)

(…)

Uit misdrijf afkomstig
Gelet op wat het hof reeds hiervoor in het kader van zaaksdossier 1, overtreding van de Wok heeft vastgesteld, in combinatie met hof reeds heeft vastgesteld in het kader van het witwassen van de zaaksdossier A-B-C-F, stelt het hof, met de rechtbank, vast dat het geldbedrag van € 4.147.581,- dat [E] aan IPS heeft betaald, afkomstig was uit het aanbieden van online kansspelen in Nederland en daarmee dat dit bedrag afkomstig was uit enig misdrijf.

(…)

Witwassen € 2.2 miljoen ontvangen via [M] door [I] (zaaksdossier 02-M)

(…)

Uit misdrijf afkomstig

De betalingen van [I] aan [F] zijn gedaan via bij [M] aangehouden accounts. Met betrekking tot de vraag waar het geld op de accounts bij [M] vandaan kwam, verwijst het hof naar wat hierover is vastgesteld in het kader van de bespreking van zaaksdossier 1, het overtreden van de Wok, en de zaaksdossiers 02A-B-C-F en dan in het bijzonder wat is vastgesteld met betrekking tot [M] . Aan de hand hiervan stelt het hof, met de rechtbank, vast dat het geld op de accounts bij [M] afkomstig was van het aanbieden van online kansspelen in Nederland en dat dit geld dus afkomstig was uit misdrijf.

(…)

Criminele organisatie (zaaksdossier 03, feit 1)

(…)

Beoordeling: criminele organisatie
Het hof is verder van oordeel dat de hiervoor omschreven organisatie vanaf het begin (vanaf 2004) het oogmerk (het doel) had het aanbieden van online kansspelen in Nederland en daarmee het opzettelijk overtreden van de Wok. Het hof stelt vast dat het oogmerk op het aanbieden van online kansspelen in Nederland in strijd met de wet een crimineel oogmerk was. Het hof verwijst in dit kader naar wat hiervoor is overwogen met betrekking tot de organisatie en ook naar wat is vastgesteld in het kader van de overtreding van de Wok.”

De toelichting op het tweede middel

7.5

In de toelichting op het tweede middel wordt voortgebouwd op hetgeen in het eerste middel is aangevoerd. Daarbij wordt opgemerkt dat deelneming aan een criminele organisatie slechts als een strafbaar feit kan worden aangemerkt indien de organisatie ten tijde van het tenlastegelegde het oogmerk heeft gehad 'misdrijven' te plegen en daarvan geen sprake (meer) is. Datzelfde geldt ten aanzien van witwassen nu de bewezenverklaarde voorwerpen niet (meer) uit enig (voorafgaand gepleegd) misdrijf afkomstig zijn. Het middel heeft daarbij – zo begrijp ik – het oog op het onder 1, 2, 3 en 4 bewezenverklaarde. Ten overvloede wordt opgemerkt dat feit 14 nu hoe dan ook is verjaard “zodat de verdachte in cassatie een beroep kan doen op de hem toekomende bescherming van art. 6 lid 2 en 7 EVRM.”

Het beoordelingskader bij het tweede middel

7.6

Uit het arrest van 7 december 2004, ECLI:NL:HR:2004:AP8460, NJ 2005/71 m.nt. T.M. Schalken (ook wel bekend als de Clickfondszaak), waarnaar de stellers van het middel in de toelichting op het tweede middel ook verwijzen, is het volgende van belang. Het hof had het openbaar ministerie in die zaak niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging voor de tenlastegelegde deelneming aan een criminele organisatie omdat de door de criminele organisatie beoogde misdrijven niets anders behelsden dan strafbare feiten die wegens verjaring niet meer als zelfstandige feiten konden worden vervolgd. De Hoge Raad casseerde op dit punt en overwoog:

“7.3 Het oordeel van het Hof vindt geen steun in het recht. Art. 140 Sr bevat de omschrijving van een zelfstandig misdrijf, te weten — kort gezegd — de deelneming aan een criminele organisatie, met een eigen strafbedreiging die niet afhankelijk is van de straf die is bedreigd ter zake van de door de organisatie beoogde misdrijven. Voor art. 140 Sr vloeit uit de wet de termijn voor de verjaring van het recht tot vervolging rechtstreeks voort. Niet van belang is dus de vraag of de door de organisatie beoogde misdrijven, voorzover deze ook zijn begaan, zijn verjaard, maar of dat het geval is ten aanzien van de deelnemingshandelingen van het desbetreffende lid van de organisatie. Bijzondere omstandigheden die niettemin aan de ontvankelijkheid van de Officier van Justitie in zijn vervolging voor wat betreft het door het Hof bedoelde onderdeel van feit 3 in de weg zouden kunnen staan, zijn voorts niet vastgesteld of aangevoerd.”

7.7

De Hoge Raad wees de mogelijkheid van doorwerking van verjaring in zoverre dus van de hand. Reden daarvoor is, zo begrijp ik het arrest, dat er bij de strafbaarstelling van deelneming aan een criminele organisatie geen sprake is van conditionele strafwaardigheid. Het betreft geen strafverzwaringsgrond of een feit waarvoor een accessoriteitsvereiste geldt; het is een zelfstandig strafbaar feit. Om tot een bewezenverklaring van het delict uit art. 140 Sr te komen is bovendien niet vereist dat een misdrijf is begaan en er hoeven zelfs nog geen voorbereidingen te zijn getroffen. Het gaat in deze bepaling – kortom – niet om het daadwerkelijk gepleegd zijn van misdrijven , maar het gaat om het oogmerk tot het plegen van misdrijven. Verjaring van misdrijven die in het verband van de criminele organisatie daadwerkelijk zijn begaan speelt dus geen rol bij de beoordeling van de ontvankelijkheid van de officier van justitie of het bewijs van een tenlastegelegde deelneming aan een criminele organisatie.

7.8

In lijn met het arrest uit 2004 is HR 9 december 2008, ECLI:NL:HR:2008:BF5557, NJ 2009, 147 m.nt. M.J. Borgers, een ander arrest waaraan door de stellers van het middel wordt gerefereerd en dat gaat over de doorwerking van verjaring van gronddelicten in witwassen. De Hoge Raad oordeelde in dit arrest uit 2008 dat de opvatting dat misdrijven die zijn gepleegd voor de inwerkingtreding van de artikelen 420bis, 420ter en 420quater Sr en die mogelijk voor of na die datum zijn verjaard, niet als ‘enig misdrijf’ in de zin van die bepalingen kunnen gelden onjuist is., Hoewel het een kort arrest betreft, is het duidelijk waarom de Hoge Raad tot deze beslissing komt, zeker gelet op de inhoud van het arrest van 2004. Ook Borgers schrijft in zijn noot bij dit arrest dat het niet moeilijk te berenedeneren is wat de achterliggende redenen zijn voor de beslissing van de Hoge Raad. Als een verdachte wordt vervolgd wegens witwassen, dan ziet die vervolging op de witwasgedraging, niet op het gronddelict. Het gronddelict is ‘slechts’ van belang voor de bepaling van het voorwerp dat wordt witgewassen. Voor het bewijs van witwassen is het ook niet nodig dat nauwkeurig komt vast te staan door wie, wanneer en waar het gronddelict is begaan. Nu vervolging wegens witwassen moet worden onderscheiden van vervolging wegens het gronddelict, kan verjaring van het gronddelict geen vervolgingsbeletsel vormen in relatie tot het witwassen, aldus Borgers.

De bespreking van het tweede middel

7.9

Het tweede middel gaat uit van het slagen van het eerste middel en houdt in de kern in dat het oordeel van het hof, inhoudende dat de doorwerking van de verjaring van feit 14 in de feiten 1, 2, 3 en 4 geen bespreking behoeft aangezien feit 14 in hoger beroep nog niet was verjaard, onjuist dan wel onbegrijpelijk of ontoereikend gemotiveerd is aangezien dat feit wel degelijk was verjaard.

7.10

Uit mijn bespreking van de eerste en tweede deelklacht van het eerste middel volgt dat het oordeel van het hof dat feit 14 in hoger beroep nog niet was verjaard in stand kan blijven. Dat betekent dat het hof inderdaad niet in hoefde te gaan op hetgeen in hoger beroep is aangevoerd met betrekking tot de eventuele doorwerking van de verjaring van feit 14. Het tweede middel faalt dus in zoverre.

7.11

Hoewel de stellers van het middel met hun klachten uit het tweede middel en de toelichting daarop het oordeel van het hof als uitgangspunt nemen, eindigen zij de toelichting met de opmerking ten overvloede dat feit 14 nu hoe dan ook is verjaard “zodat de verdachte in cassatie een beroep kan doen op de hem toekomende bescherming van art. 6 lid 2 en 7 EVRM”, dit overigens zonder nadere toelichting. De vraag die resteert is of de thans absolute verjaring van feit 14 in deze fase van het strafproces nog gevolgen heeft voor de veroordeling door het hof voor de feiten 1 tot en met 4.

7.12

De jurisprudentie van de Hoge Raad is helder. Verjaring van een gronddelict staat niet in de weg aan een vervolging of het gebruik voor het bewijs van dat gronddelict voor witwassen. Hetzelfde geldt voor verjaring van (concreet gepleegde) delicten waarop het oogmerk van een criminele organisatie ziet. Wie handelingen begaat zoals omschreven in de witwasbepalingen of in art. 140 Sr, pleegt een nieuw strafbaar feit. Het hof heeft de vaststellingen gedaan die nodig zijn voor de bewezenverklaring van het bestanddeel ‘afkomstig uit enig misdrijf’ en voor het crimineel oogmerk. Dat het witwassen betrekking heeft op geldbedragen (of andere voorwerpen) die zijn voortgekomen uit een delict dat op later zou zijn verjaard, maakt dat niet anders. Ook verjaring van strafbare feiten die in het kader van een criminele organisatie zijn gepleegd, doet niet af aan de strafbaarheid van de deelneming aan die organisatie. Ik zie (zeker niet zonder nadere toelichting) niet in waarom van het voorgaande zou moeten worden afgeweken in het geval de verjaring intreedt nadat het hof arrest heeft gewezen en hoe dat gevolgen zou moeten hebben voor bewezenverklaringen van andere feiten.

7.13

Het tweede middel faalt.

8 Het derde middel

8.1

Het middel klaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM in de cassatiefase is overschreden, omdat de stukken te laat zijn ingezonden door het hof.

8.2

Namens de verdachte is op 15 maart 2024 cassatie ingesteld. De stukken van het geding zijn op 29 oktober 2025 binnengekomen bij de griffie van de Hoge Raad. Daarmee is de inzendtermijn van acht maanden met ruim elf maanden overschreden. Het middel klaagt daarover terecht.

8.3

Bovendien doet de Hoge Raad uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep, zodat van een bijzonder voortvarende afdoening in cassatie geen sprake meer zal (kunnen) zijn.

8.4

Een en ander brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM is overschreden. Het voorgaande moet leiden tot vermindering van de opgelegde taakstraf in een mate die de Hoge Raad gepast zal voorkomen.

9 Slotsom

9.1

De derde deelklacht van het eerste middel en het derde middel slagen. Voor het overige faalt het eerste middel. Het tweede middel faalt en kan worden afgedaan met een aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering.

9.2

Andere ambtshalve gronden die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven dan zoals die hiervoor onder 8 zijn weergegeven, heb ik niet aangetroffen.

9.3

Deze conclusie strekt tot:

- vernietiging van de bestreden uitspraak en de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 20 december 2018, maar uitsluitend wat betreft

(i) de beslissingen ten aanzien van het onder 14 tenlastegelegde, en

(ii) de duur van de opgelegde taakstraf;

- niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging van het onder 14 tenlastegelegde;

- vermindering van de opgelegde taakstraf, en

- verwerping van het beroep voor het overige.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

A-G

Blijkens de strafmotivering was het de bedoeling van het hof om – in verband met een overschrijding van de redelijke termijn – geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf meer op te leggen, maar een voorwaardelijke. De aangehaalde wettelijke voorschriften (onder meer art. 14a, 14b en 14c Sr) wijzen daar ook op. In het dictum is echter niet bepaald dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd en is evenmin een proeftijd vastgesteld. Dat lijkt mij een onmiddellijk kenbare fout die zich voor eenvoudig herstel leent door de rechters die op de zaak hebben gezeten. Noot A-G VS: Deze door het hof gekozen formulering lijkt te komen uit het primair ten laste gelegde (medeplegen) in plaats van uit het subsidiair ten laste gelegde (feitelijk leidinggeven). In het subsidiair ten laste gelegde feit stond namelijk de volgende tekst opgenomen ‘hebbende [C] en/of [D] en/of [A] en/of [B] en/of [E] en/of haar mededader(s) een of meer virtuele versie(s) van een of meer kansspelen’, terwijl de door het hof hier bewezenverklaarde formulering juist stond opgenomen in het primair ten laste gelegde. Deze bepaling is niet van inhoud veranderd gedurende de bewezenverklaarde periode of daarna. Met ingang van 1 april 2012 is aan art. 1 Wok een tweede lid toegevoegd en is wat eerder onder a stond in lid 1 onder a ondergebracht. De bepaling is niet van inhoud veranderd gedurende de bewezenverklaarde periode of daarna. Geldend tot 1 april 2012. Geldend per 1 april 2012. In die wetswijziging is de oude titel VI verplaatst naar een nieuwe titel. Zie Stb 2012, 11 en Kamerstukken II 2009/2010, 32 264, 3, p. 34. De tekst uit art. 31 (oud) Wok heeft in de wetswijziging van enige redactionele wijzigingen ondergaan en is naar art. 36 Wok. De bepaling is ten aanzien van art. 1 lid 1 onder a Wok niet gewijzigd. Deze bepaling is niet van inhoud veranderd gedurende de bewezenverklaarde periode of daarna. Deze bepaling is niet van inhoud veranderd gedurende de bewezenverklaarde periode of daarna. Op grond van sub 3 van dit artikel geldt een hoger strafmaximum indien van het plegen van het misdrijf als bedoeld onder 2° een gewoonte is gemaakt. Dit onderdeel is per 1 januari 2015 aan art. 6 WED toegevoegd en gold dus nog niet tijdens de tenlastegelegde periode. Zie Stb. 2014, 445. Vgl. HR 8 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1626; HR 3 januari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU2901; HR 20 juni 2006, ECLI:NL:HR:2006:AW2535. A.J.A. van Dorst, De verjaring van het recht tot strafvordering, Arnhem: Gouda Quint B.V. 1985 (diss. Tilburg), p. 157; J. de Hullu & P.H.P.H.M.C. van Kempen, Materieel strafrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2024, p. 92. A.J. Machielse, in: Noyon/Langemeijer/Remmelink Strafrecht, art. 71 Sr, aant. 1 (bijgewerkt tot 9 oktober 2024). J. de Hullu & P.H.P.H.M.C. van Kempen, Materieel strafrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2024, p. 92. A.J.A. van Dorst, De verjaring van het recht tot strafvordering, Arnhem: Gouda Quint B.V. 1985 (diss. Tilburg), p. 157. Zie HR 12 mei 2020, ECLI:NL:HR:2020:839, rov. 3.3, HR 1 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2457, NJ 2017/52 m.nt. P.A.M. Mevis, rov. 2.2 (zie ook de noot bij dit arrest) en HR 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1391, rov. 3.3. In het oorspronkelijke ontwerp van art. 71 Sr stond ‘waarop de daad is gepleegd’ in plaats van ‘waarop het feit is gepleegd’. Dat in de tekst uiteindelijk toch het woord ‘feit’ is opgenomen, vindt in de wetsgeschiedenis geen verklaring. Van Dorst acht het echter aannemelijk dat de wetgever met het gewijzigde woordgebruik, zonder wijziging van bedoeling, de onzekerheid heeft willen wegnemen die voortvloeit uit het gebruik van het woord ‘daad’ met betrekking tot de verjaring van strafbaar nalaten. Onder ‘daad’ is namelijk bezwaarlijk een nalaten te verstaan, terwijl het woord ‘feit’ neutraler is en op zowel een handeling als verzuim kan zien. Zie H.J. Smidt & J.W. Smidt, Geschiedenis van het Wetboek van Strafrecht, Eerste Deel, Haarlem 1981, p. 511-513, A.J. Machielse, in: Noyon/Langemeijer/Remmelink Strafrecht, art. 71 Sr, aant. 1 (bijgewerkt tot 9 oktober 2024) en A.J.A. van Dorst, De verjaring van het recht tot strafvordering, Arnhem: Gouda Quint B.V. 1985 (diss. Tilburg), p. 155. M.J. Borgers & T. Kooijmans, Het Nederlandse strafprocesrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2021, p. 223. J. de Hullu & P.H.P.H.P.C. van Kempen, Materieel strafrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2024, p. 155. M.J. Borgers & T. Kooijmans, Het Nederlandse strafprocesrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2021, p. 224 en J. de Hullu & P.H.P.H.P.C. van Kempen, Materieel strafrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2024, p. 155-156. A.J.A. van Dorst, De verjaring van het recht tot strafvordering, Arnhem: Gouda Quint B.V. 1985 (diss. Tilburg), p. 158. Noot P.A.M. Mevis bij HR 1 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2457, NJ 2017/52 m.nt. P.A.M. Mevis. HR 23 januari 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ3863. HR 7 juli 2009, ECLI 2009:BH1911, NJ 2010, 20 m.nt. J.M. Reijntjes HR 13 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:321. HR 11 oktober 2022, ECLI:NL:HR:2022:1410, rov. 2.4. HR 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1391, rov. 3.3. J. de Hullu & P.H.P.H.P.C. van Kempen, Materieel strafrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2024, p. 156. J. de Hullu & P.H.P.H.P.C. van Kempen, Materieel strafrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2024, p. 156; M.J. Borgers & T. Kooijmans, Het Nederlandse strafprocesrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2021, p. 224; A.J. Machielse, in: Noyon/Langemeijer/Remmelink Strafrecht, art. 71 Sr, aant. 2 (bijgewerkt tot 9 oktober 2024). Zie ook A.J.A. van Dorst, De verjaring van het recht tot strafvordering, Arnhem: Gouda Quint B.V. 1985 (diss. Tilburg), p. 180-184. M.M. Dolman, in: T&C Strafrecht, commentaar op art. 51 Sr, aantek. 1 onder d (bijgewerkt tot en met 15 april 2026). Zie bijvoorbeeld HR 2 maart 1982, ECLI:NL:HR:1982:AB7909, NJ 1982, 446 m.nt. A.C. ’t Hart, waarin de verdachte werd veroordeeld voor het feitelijk leidinggeven aan het medeplegen van de heling van grammofoonplaten door twee B.V.’s) en HR 22 mei 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB1761 (waarin het ging om feitelijk leidinggeven aan medeplichtigheid van een B.V.) Zie ook J. de Hullu & P.H.P.H.P.C. van Kempen, Materieel strafrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2024, p. 535. HR 26 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:733, NJ 2016/375 m.nt. H.D. Wolswijk, rov. 3.5.1. Zie ook HR 16 juni 1981, ECLI:NL:HR:1981:AC7243, NJ 1981/586; HR 29 mei 1984, ECLI:NL:HR:1984:AC8436, NJ 1985/6 m.nt. Th.W. Van Veen). Zie ook J. de Hullu & P.H.P.H.P.C. van Kempen, Materieel strafrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2024, p. 538. HR 26 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:733, NJ 2016/375 m.nt. H.D. Wolswijk, rov. 3.3 en 3.5.1 (Overzichtsarrest feitelijk leiding geven). Zie ook E. Sikkema & P. Waeterinckx, De strafrechtelijke verantwoordelijkheid van leidinggevenden - in de economische context -, Nijmegen: Wolf Legal Publishers 2010 (Preadvies voor de jaarvergadering van de Nederlands-Vlaamse Vereniging voor Strafrecht), p. 61 en A.J. Machielse, in: Noyon/Langemeijer/Remmelink Strafrecht, art. 51 Sr, aant. 8.1 (bijgewerkt tot 16 januari 2026). M. Hornman, De strafrechtelijke aansprakelijkheid van feitelijk leidinggevenden, Den Haag: Boom juridisch 2016, p. 62. Torringa betoogde in 1984 dat feitelijk leidinggeven uit art. 51 lid 2 Sr geen deelneming aan een strafbaar feit inhoudt, maar aansprakelijkheid vestigt van een natuurlijke persoon voor het daderschap van de rechtspersoon. Zie R.A. Torringa, Strafbaarheid van rechtspersonen, Arnhem: Gouda Quint B.V. 1984, p. 111. Lindenberg en Wolswijk maken - net als Torringa – ook een duidelijk onderscheid tussen deelneming en aansprakelijkheidsstelling wegens feitelijk leidinggeven. Zie K. Lindenberg en H.D. Wolswijk, Het materiële strafrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2026, p. 360. Hornman komt tot de conclusie dat het feitelijk leidinggeven een geheel eigensoortige indirecte deelnemingsvorm is die zich – los van de accessoriteitseis dat het grondfeit moet zijn begaan door de rechtspersoon – grotendeels modelleert naar de vereisten zoals die gelden voor de reguliere deelnemingsvormen. M. Hornman, De strafrechtelijke aansprakelijkheid van feitelijk leidinggevenden, Den Haag: Boom juridisch 2016, p. 62. De Hullu en Van Kempen stellen dat inmiddels de conclusie getrokken kan worden dat feitelijk leidinggeven een bijzondere vorm van deelneming is. Zie J. de Hullu & P.H.P.H.P.C. van Kempen, Materieel strafrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2024, p. 535. Machielse spreekt van een hybride constructie die wel wat van beide fenomenen (dat wil zeggen: een aan daderschap en deelneming verwante figuur dan wel enkel een aansprakelijkheidstelling) heeft. Zie A.J. Machielse, in: Noyon/Langemeijer/Remmelink Strafrecht, art. 51 Sr, aant. 8.4 (bijgewerkt tot 16 januari 2026). R.A. Torringa, Strafbaarheid van rechtspersonen, Arnhem: Gouda Quint B.V. 1984, p. 121. Zie ook A.J. Machielse, in: Noyon/Langemeijer/Remmelink Strafrecht, art. 51 Sr, aant. 8.5 (bijgewerkt tot 16 januari 2026). Vgl. de conclusie van A-G Machielse voorafgaand aan HR 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1391. J.M. Ten Voorde, in: T&C Strafrecht, commentaar op art. 141 Sr. HR 4 juli 2022, ECLI:NL:HR:2022:970, NJ 2022/362 m.nt. N. Jörg, rov. 2.4.4 HR 9 december 2008, ECLI:NL:HR:2008:BF5557, NJ 2009, 147 m.nt. M.J. Borgers, rov. 3.2. Zie ook de conclusie van A-G Hofstee voorafgaand aan HR 12 mei 2020, ECLI:NL:HR:2020:838. Ik wijs er ook nog op dat de Hoge Raad in vergelijkbare lijn heeft beslist in een zaak waarin het de vraag was of ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ter zake van soortgelijke en andere strafbare feiten, als bedoeld in art. 36e lid 2 en lid 3 Sr, mogelijk was indien de vervolging voor die soortgelijke of andere feiten wegens verjaring niet meer mogelijk zou zijn. De Hoge Raad oordeelde in HR 11 mei 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL7660, dat de opvatting dat ontneming in een dergelijk geval niet mogelijk is onjuist is. HR 23 juni 2026, ECLI:NL:HR:2026:955, rov. 3.3.1. Noot M.J. Borgers, onder 3 en 4, bij HR 9 december 2008, ECLI:NL:HR:2008:BF5557, NJ 2009, 147. Borgers merkt volledigheidshalve nog op dat deze beslissing van de Hoge Raad het op zich mogelijk maakt om, met enige creativiteit, sommige verjaarde misdrijven toch nog te kunnen vervolgen via de ‘omweg’ van het witwassen. Hij heeft daarbij het oog op het mechanisme van de zogeheten automatische verdubbeling van strafbaarheid dat zich bij witwassen kan voordoen: op het moment dat een vermogensmisdrijf wordt begaan, is tegelijkertijd sprake van witwassen in de zin van het voorhanden hebben van een voorwerp waarvan men weet dat het afkomstig is uit enig misdrijf (namelijk het vermogensdelict). Van een dergelijke situatie is in de onderhavige zaak geen sprake.