Strafrecht overig

Conclusie AG. Onderzoek Rykiel. Aanbieden online kansspelen in Nederland zonder vergunning. Leidinggeven aan…

Parket bij de Hoge Raad, 6 oktober 2026

Zaakgegevens

Op 6 oktober 2026 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over strafrecht.

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
6 oktober 2026
Datum publicatie
2 oktober 2026
Zaaknummer
24/01118
ECLI
ECLI:NL:PHR:2026:947
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Conclusie AG. Onderzoek Rykiel. Aanbieden online kansspelen in Nederland zonder vergunning. Leidinggeven aan criminele organisatie (feit 1), feitelijk leidinggeven aan medeplegen gewoontewitwassen door rechtspersoon (meermalen gepleegd) (feiten 2, 3 en 4), medeplegen gewoontewitwassen (feit 3), medeplegen valsheid in geschrift (meermalen gepleegd) (feit 5), feitelijk leidinggeven aan medeplegen valsheid in geschrift en opzettelijk voorhanden hebben valse geschriften door rechtspersoon (meermalen gepleegd) (feiten 7, 8 en 9), feitelijk leidinggeven aan faillissementsfraude door rechtspersoon (feit 11), feitelijk leidinggeven aan medeplegen opzettelijk overtreden voorschrift gesteld bij art. 1 lid 1 onder a Wet op de kansspelen door rechtspersoon (feit 13). M1 klaagt terecht dat onder 13 tenlastegelegde feit inmiddels is verjaard. Overige klachten uit het middel klagen over oordeel hof dat onder 13 tenlastegelegde feit in hoger beroep nog niet (gedeeltelijk) was verjaard. AG schetst kader verjaring bij voortdurende delicten, deelneming en feitelijk leidinggeven. Hof heeft de tenlastelegging zo opgevat dat het gaat om het voortdurend geven van gelegenheid (tot het meedoen aan online kansspelen) en heeft niet ten aanzien van iedere afzonderlijke rechtspersoon of website waarop die kansspelen zijn aangeboden zelfstandige vervulling van art. 1 lid 1 onder a Wok aangenomen. Uitleg tenlastelegging niet strijdig met bewoordingen. M2 en M3 bevatten tevergeefs voorgestelde klachten over doorwerking verjaring feit 13 in tenlastegelegde witwasdelicten (feiten 2, 3 en 4) en deelneming criminele organisatie (feit 1). M4 richt zich met negen deelklachten tegen verwerping hof van verweer strekkende tot niet-ontvankelijkheid openbaar ministerie wegens schending vertrouwensbeginsel. AG gaat in op vertrouwensbeginsel in het kader van vervolging. Alle klachten falen. M5-M9 bevatten verschillende falende bewijsklachten en klachten over grondslagverlating. M10 komt tevergeefs op tegen verwerping verweer strekkende tot ontslag alle rechtsvervolging wegens verontschuldigbare rechtsdwaling ten aanzien van feit 11. M11 klaagt terecht over schending inzendtermijn. Ook ambtshalve opmerking over redelijke termijn in cassatie. Conclusie strekt tot n-o verklaring van het OM in de vervolging van feit 13, tot vermindering van de opgelegde taakstraf naar de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige. Samenhang met de zaken 24/000921, 24/00946, 24/00947, 24/01045, 24/01117, 24/01119, 24/01120, 24/01121 en 24/01126.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 24/01118

Zitting 6 oktober 2026

CONCLUSIE

V.M.A. Sinnige

In de zaak

[verdachte] ,

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1978,

hierna: de verdachte

1 Inleiding

1.1

De verdachte is bij arrest van 11 maart 2024 door het gerechtshof 's-Hertogenbosch (parketnr. 20-000026-19), wegens

- onder 1 “als leider deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven”;

- onder 2 en 4 telkens “feitelijke leiding geven aan het door een rechtspersoon begaan van het medeplegen van het gewoonte maken van witwassen”;

- onder 3 “medeplegen van het gewoonte maken van witwassen” en “feitelijke leiding geven aan het door een rechtspersoon begaan van het medeplegen van het gewoonte maken van witwassen”;

- onder 5 “medeplegen van opzettelijk een geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, voorhanden hebben, terwijl hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat dit geschrift bestemd is voor gebruik als ware het echt en onvervalst, meermalen gepleegd”;

- onder 7 en 9 telkens “feitelijke leiding geven aan het door een rechtspersoon begaan van medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd”;

- onder 8 “feitelijke leiding geven aan het door een rechtspersoon begaan van medeplegen van opzettelijk een geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, voorhanden hebben, terwijl hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat dit geschrift bestemd is voor gebruik als ware het echt en onvervalst, meermalen gepleegd”;

- onder 11 “feitelijke leiding geven aan het door een rechtspersoon begaan van medeplegen van het als degene die in staat van faillissement is verklaard, voor of tijdens het faillissement enig goed aan de boedel onttrekken terwijl hij weet dat hierdoor een of meer schuldeisers in hun verhaalsmogelijkheden worden benadeeld”; en

- onder 13 “feitelijke leiding geven aan het door een rechtspersoon opzettelijk begaan van medeplegen van de overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 1, eerste lid onder a (voorheen 1 onder a) van de Wet op de kansspelen”

veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zes maanden, met een proeftijd van twee jaren, en daarnaast tot een taakstraf voor de duur van tweehonderd uren, te vervangen door honderd dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest als bedoeld in art. 27 Sr (volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag).

1.2

Er bestaat samenhang met de zaken 24/000921, 24/00946, 24/00947, 24/01045, 24/01117, 24/01119, 24/01120, 24/01121 en 24/01126. In deze zaken zal ik vandaag ook concluderen. Samenhang bestaat eveneens met de zaken 24/01115 en 24/01116, waarin het door het openbaar ministerie ingestelde cassatieberoep is ingetrokken.

1.3

Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. D.W.E. Sternfeld en W.H. Jebbink, beiden advocaat in Amsterdam, hebben elf middelen van cassatie voorgesteld.

2 De zaak

2.1

De zaak tegen de verdachte maakt deel uit van het onderzoek Rykiel. Dat onderzoek had – blijkens het bestreden arrest – betrekking op het zonder vergunning aanbieden van online kansspelen in Nederland, hetgeen in strijd is met de Wet op de kansspelen (hierna: Wok). De hoofdpersonen achter het aanbieden van de gokspellen waren de verdachte en de medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] . Zij hebben omvangrijke geldbedragen gegenereerd en verdiend met het aanbieden van die gokspellen. Daarbij is gebruik gemaakt van diverse Nederlandse en buitenlandse vennootschappen. Binnen deze vennootschappen werden werkzaamheden verricht als het maken van spellen, het online aanbieden van kansspelen, het afwikkelen van het financiële verkeer rondom inleg van en uitbetaling aan spelers, technische ondersteuning aan afnemers van spellen, alsmede de administratieve werkzaamheden die met voorgaande waren gemoeid. Diverse vennootschappen dienden er in verband en samenhang met elkaar ook toe om te verhullen wie achter het aanbieden van de gokspellen zat, hoe geldstromen liepen en hoe geldstromen werden verantwoord, aldus het hof.

2.2

Voordat ik overga tot bespreking van de middelen zal ik hier kort en in grote lijnen stilstaan bij de vaststellingen van het hof over de (feitelijke) constructie van (internationale) rechtspersonen en natuurlijke personen die zich naar het oordeel van het hof hebben schuldig gemaakt aan de bewezenverklaarde feiten en daarnaast bij de samenhang tussen de verschillende feiten voor zover dat relevant is voor de bespreking van de middelen. Daarbij merk ik op dat het hof in zijn overwegingen tot uitdrukking heeft gebracht dat de tenlastegelegde feiten niet los van elkaar, maar in onderlinge samenhang moeten worden bezien.

2.3

Uit de bewijsvoering van het hof kan worden afgeleid dat [A] / [B] , [C] (hierna: [C] ) en [D] (hierna: [D] ) in Nederland zonder vergunning online kansspelen hebben aangeboden. Er was sprake van een organisatiestructuur met vennootschappen die de online kansspelen hebben aangeboden. Deze structuur en de daarin functionerende vennootschappen zijn opgezet door, dan wel op initiatief van de verdachte. De verdachte heeft volgens het hof het aanbieden van kansspelen door die vennootschappen in al zijn onderdelen aangestuurd, zonder dat die vennootschappen of bestuurders van die vennootschappen daarin feitelijk zeggenschap hadden, laat staan uitoefenden. Naar het oordeel van het hof was niet zozeer sprake van een nauwe en bewuste samenwerking van de verdachte met die vennootschappen, maar een functioneren onder leiding van onder meer de verdachte. Dat leidt het hof tot het oordeel dat de verdachte moet worden aangemerkt als feitelijk leidinggever van het door verschillende rechtspersonen zonder vergunning aanbieden van online kansspelen (feit 13).

2.4

De spelers van de online kansspelen legden geld in door betalingen per creditcard, sms, Ideal of anderszins. Het ingelegde geld werd – meestal door tussenkomst van Buckaroo of een andere payment service provider – overgeboekt naar rekeningen die ter beschikking stonden van [A] (van 2004 tot en met 2006 het centrale punt voor de inkomsten uit de online kansspelen) en [E] (vanaf 2006 het centrale punt voor voornoemde inkomsten). Aldus is volgens het hof in totaal € 104.410.663,- (honderdviermiljoen vierhonderdtienduizend zeshonderddrieënzestig euro) witgewassen (feit 2). Van dat bedrag is in ieder geval – al dan niet via de accounts bij Buckaroo – € 44.589.961,- op de rekeningen van [E] binnengekomen. Van de inkomsten van [E] werd in totaal € 11.841.613,- overgemaakt naar [F] en later [G] , de persoonlijke holdings van de verdachte. Het eigen inkomen van de verdachte was afkomstig van en uit zijn persoonlijke holdings. De verdachte bouwde vermogen op met de handel in vastgoed, welke handel (indirect) werd gefinancierd door [F] . De waarde van de bezittingen van de verdachte bedroeg anno 2011 € 5.698.687,- (feit 3 subsidiair). De verdachte ontving daarnaast via Moneybookers/Skrill € 95.772,- op een persoonlijke bankrekening (feit 3 primair). Dit geld was afkomstig van [D] . Ook ten aanzien van deze feiten is de verdachte – kort gezegd – veroordeeld wegens witwassen.

2.5

Ten aanzien van het overdragen, omzetten en gebruiken van de geldbedragen via de rechtspersonenstructuur (dus feit 2 en feit 3 subsidiair) heeft het hof de verdachte (samen met [medeverdachte 1] ) aangemerkt als feitelijk leidinggever. Omdat sprake is van witwashandelingen met een structureel karakter, die in onderling verband staan en passen in de gebruikelijke bedrijfsvoering van [A] . en [E] , waaraan de verdachte leiding heeft gegeven, oordeelt het hof dat ten aanzien van feit 2 en 3 sprake is van gewoontewitwassen.

2.6

De naam [H] , zoals gezegd een van de (persoonlijke) holdings van de verdachte, is op 31 mei 2012 gewijzigd in [I] . [I] is (vanaf 16 maart 2012) 100% aandeelhouder van [J] en (vanaf 6 juni 2011) [K] . [J] is 100% aandeelhouder van onder meer [L] . Het hof heeft geoordeeld dat de verdachte de feitelijk leidinggever was van de [L] vennootschappen (ook wel: de [L] structuur) en op feitelijk niveau de beslissingen nam, ook met betrekking tot de financiële gang van zaken. [M] (hierna: [M] ) was een klant van in eerste instantie [K] en later [L] . Het hof heeft vastgesteld dat de verdachte en [medeverdachte 1] in werkelijkheid ook de feitelijke leidinggevers van [M] waren. Door het feitelijk leiding geven aan de betaling (via een factureringsproces) van in totaal 2.2 miljoen euro door [M] aan [L] heeft de verdachte zich volgens het hof schuldig gemaakt aan het witwassen van dit bedrag (feit 4).

2.7

Ten aanzien van de facturen die in dat kader werden gebruikt heeft het hof geoordeeld dat deze onderdeel waren van de opzet om te verhullen dat de verdachte de volledige controle en zeggenschap had over de geldstroom, indirect afkomstig uit het aanbieden van de online kansspelen, waaraan hij samen met [medeverdachte 1] feitelijk leiding gaf. Omdat deze tot doel hadden de schijnconstructie te verhullen, acht het hof de facturen van [K] en [L] aan [M] volledig vals (feit 8).

2.8

Ook heeft het hof geoordeeld dat [K] in het zicht van een faillissement een bedrag van € 14.520,00,- aan [N] (een bedrijf van de [medeverdachte 3] ) heeft betaald, waardoor [N] is bevoordeeld ten opzichte van andere schuldeisers en dat de verdachte aan deze gedraging feitelijk leiding heeft gegeven (feit 11).

2.9

Het hof heeft de verdachte voorts veroordeeld wegens het leiding geven aan een criminele organisatie die tot oogmerk had het plegen van misdrijven inzake overtreding van de Wet op de kansspelen (hierna ook: Wok) (feit 1), het medeplegen van dan wel feitelijk leidinggeven aan meerdere andere valsheidsdelicten (feit 5, feit 7 en feit 9). Over (de bewezenverklaring van) deze feiten, evenals de valsheidsdelicten uit feit 4, wordt in cassatie niet geklaagd.

3 De middelen

3.1

Het eerste middel klaagt (terecht) dat het onder 13 tenlastegelegde feit inmiddels is verjaard. Het middel komt voorts met twee deelklachten op tegen het oordeel van het hof dat het onder 13 tenlastegelegde feit, door het hof aangeduid als ‘het aanbieden van online kansspelen zonder vergunning’ in hoger beroep nog niet (gedeeltelijk) was verjaard.

3.2

Het tweede en het derde middel klagen over het oordeel van het hof dat het niet toekomt aan de beoordeling van het verweer over de doorwerking van de verjaring van feit 13 in de feiten 2, 3 en 4 (witwasdelicten) en feit 1 (deelneming aan een criminele organisatie), omdat feit 13 in hoger beroep nog niet was verjaard.

3.3

Het vierde middel richt zich met negen deelklachten tegen de verwerping van het verweer strekkende tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie wegens schending van het vertrouwensbeginsel.

3.4

Het vijfde middel bevat de klacht dat het hof ten aanzien van feit 2 de grondslag van de tenlastelegging heeft verlaten door – zonder te oordelen over het primair tenlastegelegde – het subsidiair tenlastegelegde bewezen te verklaren.

3.5

Het zesde middel houdt de klacht in dat het hof ten aanzien van feit 3 na het primair tenlastegelegde ten onrechte ook tot een bewezenverklaring van het subsidiair tenlastegelegde is gekomen. Voor zover het hof die tenlastelegging als impliciet cumulatief heeft mogen interpreteren wordt geklaagd dat het hof zonder over het primair tenlastegelegde te oordelen tot een bewezenverklaring van het subsidiair tenlastegelegde is gekomen.

3.6

Het zevende middel klaagt dat het onder 3 primair bewezenverklaarde, meer in het bijzonder dat de verdachte van het plegen van witwassen van een gewoonte heeft gemaakt, niet uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid.

3.7

Het achtste middel bevat de klacht dat het hof ten aanzien van feit 8 de grondslag van de tenlastelegging heeft verlaten door – zonder te oordelen over het primair tenlastegelegde – het subsidiair tenlastegelegde bewezen te verklaren.

3.8

Het negende middel houdt in dat het hof de bewezenverklaring van feit 8 onvoldoende met redenen heeft omkleed.

3.9

Het tiende middel richt zich tegen de verwerping door het hof van het verweer ten aanzien van feit 11 strekkende tot ontslag van alle rechtsvervolging wegens verontschuldigbare rechtsdwaling.

3.10

Met het elfde middel wordt geklaagd over een schending van de inzendtermijn.

4 Het eerste middel

4.1

Het eerste middel bevat de volgende klachten:

(i) het oordeel van het hof dat het onder 13 subsidiair tenlastegelegde één voortdurend delict betreft is onjuist en/of onbegrijpelijk, zodat het hof op onjuiste en/of onbegrijpelijke gronden het verweer heeft verworpen dat het openbaar ministerie partieel niet-ontvankelijk had moeten worden verklaard in de vervolging van dat feit vanwege partiële verjaring; en/of

(ii) het hof heeft (ook overigens) op onjuiste, onbegrijpelijke en/of ontoereikend gemotiveerde gronden het verweer verworpen dat het onder 13 (primair en subsidiair) tenlastegelegde niet één voortdurend delict betreft, zodat ook om die reden de verwerping van het verweer strekkende tot partiële niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie onjuist, onbegrijpelijk en/of ontoereikend is gemotiveerd; en/of

(iii) het onder 13 tenlastegelegde is nu volledig verjaard, zodat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk is in de strafvervolging daarvan.

Het onder 13 tenlastegelegde en bewezenverklaarde

4.2

De verdachte is onder 13 tenlastegelegd dat:

“13. primair

(overtreding wet op de kansspelen; ZD01)

hij

op één of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 juli 2004 tot en met 24 mei 2013,

in of vanuit de gemeente [plaats] (in of vanuit een perceel gelegen aan [a-straat 1] ) en/of elders in Nederland

tezamen en in vereniging met de ondernemingen [C] ( [C] ) en/of [D] ( [D] ) en/of [A] en/of [B] (als registranten van na te noemen websites, zie pvb bevindingen historische gegevens domeinen 30329209, ZD01 pagina's 1237 tot en met 1313) en/of (een) ander(e) rechtsperso(o)n(en) en/of natuurlijk(e) perso(o)n(en)

(telkens) opzettelijk gelegenheid heeft/hebben gegeven om in of vanuit Nederland via internet mede te dingen naar een of meer prijzen of premies, waarbij de aanwijzing der winnaar(s) geschiedde door enige kansbepaling waarop de deelnemers in het algemeen geen overwegende invloed konden uitoefenen,

zonder dat (telkens) daarvoor een vergunning ingevolge de Wet op de Kansspelen was verleend,

immers,

hebbende hij, de verdachte en/of zijn mededader(s)

een of meer virtuele versie(s) van een of meer kansspelen, te weten:

- spellen die plegen te worden gespeeld op kansspelautomaten in de zin van artikel 30 sub c Wet op de kansspelen en/of

- casinospelen in de zin van de Beschikking casinospelen 1996 en derhalve kansspel in de zin van de Wet op de kansspelen en/of

- instantloterijen in de zin van artikel 14a lid 2 Wet op de Kansspelen

aangeboden via het worldwide web, althans internet en/of websites te weten:

A.

1. een of meer kansspelautomaten (in een of meer spelvarianten) en/of

2. een of meer casinospelen namelijk Roulette (in een of meer spelvarianten), Poker (in een of meer spelvarianten) en/of Black Jack (in een of meer spelvarianten)

via de [internetsite 1] (spelbeschrijvingen: WOK-proces verbaal, ZD01 pagina's 1421 tot en met 1466) en/of

B.

1.een of meer kansspelautomaten (in een of meer spelvarianten) en/of

2.een of meer casinospelen namelijk Roulette (in een of meer spelvarianten) en/of Black Jack (in een of meer spelvarianten) en/of Poker (in een of meer spelvarianten) en/of Baccarat (in een of meer spelvarianten) en/of Videopoker (in een of meer spelvarianten) en/of Keno (in een of meer spelvarianten) en/of

3.een instantloterij Kraskaarten (in een of meer spelvarianten)

via de [internetsite 2] (spelbeschrijvingen: WOK-proces-verbaal, ZD01 pagina's 1505 tot en met 1549) en/of

C.

1.een of meer casinospelen, namelijk Roulette (in een of meer spelvarianten) en/of Money Wheel en/of Black Jack (in een of meer spelvarianten) en/of Poker (in een of meer spelvarianten) en/of Baccarat (in een of meer spelvarianten) en/of Videopoker (in een of meer spelvarianten)en/of Keno (in een of meer spelvarianten en/of

2.een of meer kansspelautomaten in een of meer spelvarianten) en/of

3.een instantloterij Scratchcards (in een of meer spelvarianten)

via de [internetsite 3] (spelbeschrijvingen: WOK-proces- verbaal, ZD01, pagina's 1467 tot en met 1504) en/of

D.

1.een of meer casinospelen namelijk Roulette (in een of meer spelvarianten) en/of Black Jack (in een of meer spelvarianten) en/of Poker (in een of meer spelvarianten) en/of Baccarat (in een of meer spelvarianten) en/of Videopoker (in een of meer spelvarianten) en/of Keno (in een of meer spelvarianten) en/of

2.een of meer kansspelautomaten (in een of meer spelvarianten) en/of

3.een instantloterij Scratchcards (in een of meer spelvarianten)

via de [internetsite 4] (spelbeschrijvingen: WOK-proces-verbaal, ZD01, pagina's 1575 tot en met 1612) en/of

E.

1.een of meer kansspelautomaten (in een of meer spelvarianten) en/of

2.een of meer casinospelen namelijk Roulette (in een of meer spelvarianten) en/of Black Jack (in een of meer spelvarianten) en/of Poker (in een of meer spelvarianten) en/of Keno (in een of meer spelvarianten)

via de [internetsite 5] (spelbeschrijvingen: WOK-proces-verbaal, ZD01 pagina's 1550 tot en met 1574) en/of

F.

een of meer kansspelautomaten (in een of meer spelvarianten) via de [internetsite 7] (spelbeschrijvingen: WOK-proces-verbaal, ZD01 pagina's 1404 tot en met 1420) en/of

G.

een of meer casinospelen namelijk Poker (in een of meer spelvarianten) via de [internetsite 6] (spelbeschrijvingen: WOK-proces-verbaal, ZD01 pagina's 1389 tot en met 1403);


13. subsidiair

[C] ( [C] ) en/of [D] ( [D] ) en/of [A] en/of [B] en/of [E] en/of één of meer andere rechtspersonen, al dan niet als registranten van na te noemen websites (zie pvb bevindingen historische gegevens domeinen 30329209, ZD01 pagina's 1237 tot en met 1313)

op één of meerdere tijdstippen

in of omstreeks de periode van 1 juli 2004 tot en met 24 mei 2013,

in of vanuit de gemeente [plaats] (in of vanuit een perceel gelegen aan [a-straat 1] ), en/of elders in Nederland

tezamen en in vereniging met (een) ander(en), (telkens) opzettelijk gelegenheid heeft/hebben gegeven

om in of vanuit Nederland via internet mede te dingen naar een of meer prijzen of premies, waarbij de aanwijzing der winnaar(s) geschiedde door enige kansbepaling waarop de deelnemers in het algemeen geen overwegende invloed konden uitoefenen,

zonder dat (telkens) daarvoor een vergunning ingevolge de Wet op de Kansspelen was verleend, immers,

hebbende [C] en/of [D] en/of [A] en/of [B] en/of [E] en/of haar mededader(s) een of meer virtuele versie(s) van een of meer kansspelen, te weten:

- spellen die plegen te worden gespeeld op kansspelautomaten in de zin van artikel 30 sub c Wet op de kansspelen en/of

- casinospelen in de zin van de Beschikking casinospelen 1996 en derhalve kansspel in de zin van de Wet op de kansspelen en/of

- instantloterijen in de zin van artikel 14a lid 2 Wet op de Kansspelen

aangeboden via het worldwide web, althans internet en/of websites, te weten:

A.

1. een of meer kansspelautomaten (in een of meer spelvarianten) en/of

2. een of meer casinospelen namelijk Roulette (in een of meer spelvarianten), Poker (in een of meer spelvarianten) en/of Black Jack (in een of meer spelvarianten)

via de [internetsite 1] (spelbeschrijvingen: WOK-proces- verbaal, ZD01 pagina's 1421 tot en met 1466) en/of

B.

1. een of meer kansspelautomaten (in een of meer spelvarianten) en/of

2. een of meer casinospelen namelijk Roulette (in een of meer spelvarianten) en/of Black Jack (in een of meer spelvarianten) en/of Poker(in een of meer spelvarianten)en/of Baccarat (in een of meer spelvarianten) en/of Videopoker (in een of meer spelvarianten) en/of Keno (in een of meer spelvarianten) en/of

3. een instantloterij Kraskaarten (in een of meer spelvarianten)

via de [internetsite 2] (spelbeschrijvingen: WOK-proces-verbaal, ZD01 pagina's 1505 tot en met 1549) en/of

C.

1. een of meer casinospelen, namelijk Roulette (in een of meer spelvarianten) en/of Money Wheel (in een of meer spelvarianten) en/of Black Jack (in een of meer spelvarianten) en/of Poker (in een of meer spelvarianten) en/of Baccarat (in een of meer spelvarianten) en/of Videopoker (in een of meer spelvarianten) en/of Keno (in een of meer spelvarianten) en/of

2.een of meer kansspelautomaten (in een of meer spelvarianten) en/of

3.een instantloterij Scratchcards (in een of meer spelvarianten)

via de [internetsite 3] (spelbeschrijvingen: WOK-proces- verbaal, ZD01, pagina's 1467 tot en met 1504) en/of

D.

1. een of meer casinospelen namelijk Roulette (in een of meer spelvarianten) en/of Black Jack (in een of meer spelvarianten) en/of Poker (in een of meer spelvarianten) en/of Baccarat (in een of meer spelvarianten) en/of Videopoker (in een of meer spelvarianten) en/of Keno (in een of meer spelvarianten) en/of

2. een of meer kansspelautomaten (in een of meer spelvarianten) en/of 3. een instantloterij Scratchcards (in een of meer spelvarianten)

via de [internetsite 4] (spelbeschrijvingen: WOK-proces-verbaal, ZD01 pagina's 1575 tot en met 1612) en/of

E.

1. een of meer kansspelautomaten (in een of meer spelvarianten) en/of

2. een of meer casinospelen namelijk Roulette (in een of meer spelvarianten) en/of Black Jack (in een of meer spelvarianten) en/of Poker en/of Keno (in een of meer spelvarianten)

via de [internetsite 5] (spelbeschrijvingen: WOK-proces-verbaal, ZD01 pagina's 1550 tot en met 1574) en/of

F. een of meer kansspelautomaten (in een of meer spelvarianten) via de [internetsite 7] (spelbeschrijvingen: WOK-proces-verbaal, ZD01 pagina's 1404 tot en met 1420) en/of

G. een of meer casinospelen namelijk Poker (in een of meer spelvarianten) via de [internetsite 6] (spelbeschrijvingen: WOK-proces-verbaal, ZD01 pagina's 1389 tot en met 1403)

zulks terwijl hij, de verdachte, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), feitelijke leiding heeft gegeven aan die verboden gedraging(en).”

4.3

Ten laste van de verdachte is onder 13 bewezenverklaard dat:

“13. subsidiair

[C] ( [C] ) en [D] ( [D] ) en [A] en [B] en [E] en andere rechtspersonen, al dan niet als registranten van na te noemen websites


in de periode van 1 juli 2004 tot en met 24 mei 2013,

in Nederland


tezamen en in vereniging met anderen,


opzettelijk gelegenheid hebben gegeven

om in of vanuit Nederland via internet mede te dingen naar een of meer prijzen of premies, waarbij de aanwijzing der winnaar(s) geschiedde door enige kansbepaling waarop de deelnemers in het algemeen geen overwegende invloed konden uitoefenen, zonder dat daarvoor een vergunning ingevolge de Wet op de Kansspelen was verleend,

immers,

hebbende hij, de verdachte en zijn mededaders een of meer virtuele versie(s) van een of meer kansspelen, te weten:

- spellen die plegen te worden gespeeld op kansspelautomaten in de zin van artikel 30 sub c Wet op de kansspelen en/of

- casinospelen in de zin van de Beschikking casinospelen 1996 en derhalve kansspel in de zin van de Wet op de kansspelen en/of

- instantloterijen in de zin van artikel 14a lid 2 Wet op de Kansspelen aangeboden via internet, te weten:

A.

1 kansspelautomaten (in een of meer spelvarianten) en

2. casinospelen namelijk Roulette (in een of meer spelvarianten), Poker (in een of meer spelvarianten) en Black Jack (in een of meer spelvarianten)

via de [internetsite 1] en

B.

1. kansspelautomaten (in een of meer spelvarianten) en

2. casinospelen namelijk Roulette (in een of meer spelvarianten) en Black Jack (in een of meer spelvarianten) en Poker(in een of meer spelvarianten) en Baccarat (in een of meer spelvarianten) en Videopoker (in een of meer spelvarianten) en Keno (in een of meer spelvarianten) en

3. een instantloterij Kraskaarten (in een of meer spelvarianten)

via de [internetsite 2] en/of

C.

1. casinospelen, namelijk Roulette (in een of meer spelvarianten) en Money Wheel (in een of meer spelvarianten) en Black Jack (in een of meer spelvarianten) en Poker (in een of meer spelvarianten) en Baccarat (in een of meer spelvarianten) en Videopoker (in een of meer spelvarianten) en Keno (in een of meer spelvarianten) en

2. kansspelautomaten (in een of meer spelvarianten) en

3. een instantloterij Scratchcards (in een of meer spelvarianten)

via de [internetsite 3] en

D.

1. casinospelen namelijk Roulette (in een of meer spelvarianten) en Black Jack (in een of meer spelvarianten) en Poker (in een of meer spelvarianten) en Baccarat (in een of meer spelvarianten) en Videopoker (in een of meer spelvarianten) en Keno (in een of meer spelvarianten) en

2 kansspelautomaten (in een of meer spelvarianten) en

3. een instantloterij Scratchcards (in een of meer spelvarianten)

via de [internetsite 4] en

E.

1. kansspelautomaten (in een of meer spelvarianten) en

2. casinospelen namelijk Roulette (in een of meer spelvarianten) en Black Jack (in een of meer spelvarianten) en Poker en Keno (in een of meer spelvarianten)

via de [internetsite 5] en

F.

kansspelautomaten (in een of meer spelvarianten) via de [internetsite 7] en

G.

casinospelen namelijk Poker (in een of meer spelvarianten)

via de [internetsite 6]

zulks terwijl hij, de verdachte, tezamen en in vereniging met een ander feitelijke leiding heeft gegeven aan die verboden gedragingen”

De overwegingen van het hof

4.4

Het hof heeft het verweer dat het onder 13 tenlastegelegde feit in hoger beroep al gedeeltelijk was verjaard verworpen en daartoe het volgende overwogen:

“Ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de strafvervolging

Verweren verdediging

De verdediging heeft zich, op de gronden als verwoord in de pleitnota en onder aansluiting bij hetgeen in de zaken van de medeverdachten als verweer is gevoerd, op het standpunt gesteld dat het Openbaar Ministerie (geheel of gedeeltelijk) niet-ontvankelijk in de strafvervolging dient te worden verklaard, omdat:

1. een aantal tenlastegelegde feiten (gedeeltelijk) is verjaard en

(…)

Deze gronden komen in de kern op het volgende neer.

1. Verjaring

Onder 13 is aan de verdachte (het medeplegen van) opzettelijke overtreding van artikel 1, eerste lid, van de Wet op de kansspelen tenlastegelegd. Blijkens artikel 1, aanhef en onder 3°, van de Wet op de economische delicten (WED) is dit een economisch delict.

Op grond van het bepaalde in artikel 2, derde lid, WED in verbinding met artikel 36, eerste lid, Wok is dit een misdrijf. In artikel 6, eerste lid, aanhef en onder 2°, WED is hierop een gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren gesteld.

Ingevolge artikel 70, eerste lid, aanhef en onder 2°, Wetboek van Strafrecht (Sr) vervalt het recht tot strafvordering door verjaring in zes jaren voor de misdrijven waarop een gevangenisstraf van niet meer dan drie jaren is gesteld. De termijn van verjaring vangt aan op de dag na die waarop het feit is gepleegd (artikel 71, aanhef, Sr).

Uit artikel 71, eerste lid, Sr blijkt dat elke daad van vervolging de verjaring, ook ten aanzien van anderen dan de vervolgde, stuit. Krachtens het tweede lid van dat artikel vangt na de stuiting een nieuwe verjaringstermijn aan. Het recht tot strafvordering vervalt evenwel ten aanzien van misdrijven indien vanaf de dag waarop de oorspronkelijke verjaringstermijn is aangevangen een periode is verstreken die gelijk is aan twee maal de voor het misdrijf geldende verjaringstermijn.

Dat betekent dat het onderhavige feit is verjaard voor zover de tenlastegelegde periode is gelegen twaalf jaren vóór de uitspraakdatum van dit arrest. Het Openbaar Ministerie dient in zoverre niet-ontvankelijk te worden verklaard in de strafvervolging. Deze gedeeltelijke verjaring werkt door in de andere tenlastegelegde feiten.

(…)

Oordeel hof

Ad 1. Verjaring

De volgende bepalingen zijn van belang, luidend in de tenlastegelegde periode (1 juli 2004 tot en met 24 mei 2013).

(…)


Aanvangstermijn verjaring

Gelet op artikel 70, eerste lid, aanhef en onder 2°, van het Wetboek van Strafrecht is de absolute verjaringstermijn voor het aan de verdachte tenlastegelegde Wok-feit twaalf jaren, in beginsel te rekenen vanaf de dag na het begaan van het misdrijf.

Het hof merkt het verwijt dat de verdachte treft aan als één voortdurend delict. Dit verwijt betreft immers het door de verdachte – al dan niet in de vorm van medeplegen of feitelijke leiding geven – aan anderen gelegenheid geven om mede te dingen naar prijzen of premies, indien de aanwijzing der winnaars geschiedt door enige kansbepaling waarop de deelnemers in het algemeen geen overwegende invloed kunnen uitoefenen, zonder dat daartoe een vergunning is verleend. Daardoor is het delict pas voltooid als de verdachte niet langer in gebreke is, dat wil zeggen vanaf het moment dat feitelijk niet langer die gelegenheid wordt gegeven. Immers, naar de aard van de tenlastegelegde gedraging beschouwd, is sprake van een blijvende ‘gelegenheid tot het mede dingen naar prijzen of premies’ vanaf het moment dat die gelegenheid is gecreëerd tot het moment dat die gelegenheid door een handeling of nalaten wordt tenietgedaan. Zolang die gelegenheid niet wordt tenietgedaan, blijft feitelijk de gelegenheid in stand en duurt de verboden situatie voort. Aldus is sprake van een voortdurend delict. Een andersluidende opvatting – zoals door de verdediging is bepleit – te weten dat sprake is van het ‘telkens’ opnieuw aanbieden van kansspelen middels verschillende naast elkaar bestaande websites waardoor geen sprake is van één voortdurend delict maar van telkens afzonderlijke en nieuwe (commissie)delicten, doet naar 's hofs oordeel geen recht aan het verwijt dat de verdachte treft. Dat het gelegenheid geven heeft plaatsgevonden middels het op verschillende websites – gelijktijdig of na elkaar – aanbieden van deze kansspelen, doet daaraan naar het oordeel van het hof niet af. De keuze van het Openbaar Ministerie om het delict op een bepaalde wijze ten laste te leggen, is overigens niet bepalend voor het oordeel of al dan niet sprake is van een voortdurend delict.

De dag waarop de verjaringstermijn is aangevangen zal het hof daarom ook vaststellen op 25 mei 2013.

Nu na de dag waarop de oorspronkelijke verjaringstermijn is aangevangen - gelet op de datum waarop dit arrest wordt gewezen - geen periode is verstreken die gelijk is aan twee maal de voor het misdrijf geldende verjaringstermijn (artikel 72, tweede lid, Sr), is het recht tot strafvordering nog niet verjaard.

De verjaring is dus nog niet ingetreden.”

4.5

Verder zijn onderstaande bewijsoverwegingen, die het hof heeft opgenomen in verband met de bewezenverklaring van het onder 13 tenlastegelegde feit, relevant:

“III. Bewijsoverwegingen

Wet op de kansspelen (zaaksdossier 1, feit 13)

Algemeen

In het onderzoek Rykiel staat centraal het aanbieden van gokspellen via internet, die online door spelers vanaf hun computer kunnen worden gespeeld. [verdachte] en de broers [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] worden ervan verdacht dat zij de personen zijn achter het aanbieden van gokspellen via internet en daarmee omvangrijke geldbedragen hebben gegenereerd en verdiend. Daarbij zou gebruik zijn gemaakt van diverse vennootschappen, die in een verband en samenhang met elkaar ertoe zouden dienen om te verhullen wie achter het aanbieden van de online gokspelen zat, hoe geldstromen liepen en hoe de geldstromen werden verantwoord.

Het aan de verdachte onder 13 tenlastegelegde betreft - kort gezegd en algemeen weergegeven - overtreding van artikel 1, lid 1, onder a, van de Wok, door het zonder vergunning in Nederland aanbieden van kansspelen via internet. Het hof zal het tenlastegelegde bij de bespreking van dit feit in het navolgende kortheidshalve aanduiden als: het aanbieden van online kansspelen zonder vergunning.

Het hof zal allereerst in het algemeen bespreken of sprake is van het aanbieden van kansspelen in de zin van en wellicht in strijd met artikel 1, lid 1, onder a, van de Wok. Vervolgens zal het hof, met de rechtbank, bespreken wie als aanbieder van de online kansspelen moet worden aangemerkt. Daarna zal het hof ingaan op de rol die de verdachte in het bijzonder in het licht van het tenlastegelegde heeft gespeeld en hoe deze rol in strafrechtelijk relevante termen moet worden geduid.

(…)

Kansspelen

In het onderzoek Rykiel en in het bijzonder het tenlastegelegde feit gaat het om zeven met name genoemde websites, te weten:

- [internetsite 1] ,

- [internetsite 2] ,

- [internetsite 3] ,

- [internetsite 4] ,

- [internetsite 5] ,

- [internetsite 7] , en

- [internetsite 6] .

Via deze websites werd spelers de gelegenheid geboden om online spellen te spelen zoals poker, roulette en black jack, op fruit-/slotmachines te spelen en mee te doen aan instantloterijen. (…)

(…)

Gelegenheid geven

Of sprake is van het gelegenheid geven tot het spelen van kansspelen dient te worden beoordeeld aan de hand van de bepalingen van Wok. Hoewel niet met zoveel woorden vervat in delictsomschrijving van artikel 1, lid 1, onder a, van de Wok, moet sprake zijn van het in Nederland gelegenheid geven tot het spelen van kansspelen, nu het gaat om een hier te lande geldende nationale regeling.

(…)

Vaststaat en niet betwist is dat de presentatie van de spellen via het internet aan de speler, geen andere handelingen vergde dan die door de speler op de computer kunnen worden verricht.

In de periode 30 oktober 2012 tot en met 21 mei 2013 is door [verbalisant 1] 6 maal onderzoek verricht naar de betreffende websites, waarvan de bevindingen zijn neergelegd in het proces-verbaal d.d. 9 april 2014 (ZD01 1317-1321).

In de periode 11 april 2013 tot en met 14 mei 2013 is door [verbalisant 2] , voornoemd, onderzoek verricht naar de zeven websites. Uit de door hen opgemaakte processen-verbaal van bevindingen blijkt met betrekking tot alle zeven websites van gerichtheid op Nederland.

(…)

Het voorgaande in samenhang bezien leidt het hof naar het oordeel dat sprake is van ‘gelegenheid geven’ in de zin van artikel 1, lid 1, onder a, van de Wok.

(…)

Aanbieder(s)

Het hof ziet zich vervolgens gesteld voor de vraag wie als aanbieder van online kansspelen moet worden aangemerkt. Daarvoor acht het hof relevant wie als rechthebbende heeft te gelden met betrekking tot de websites waarop online kansspelen werden aangeboden.

Uit het dossier (proces-verbaal van bevindingen ZD01 1237-1313) blijkt per website van de datum van eerste registratie van de domeinnamen, eventuele opvolgende registraties, en wie de registrant is geweest. Uit onderzoek naar de domeinnamen komt naar voren dat:

- de domeinnaam [internetsite 5] op 6 juli 2004 is geregistreerd en nadien opvolgend door [B] , [O] , [C] en op 9 juli 2009 door [D] is geregistreerd;

- de domeinnamen [internetsite 1] op 22 februari 2007, [internetsite 3] op 26 januari 2006, en [internetsite 4] op 19 juni 2003 zijn geregistreerd en nadien opvolgend door [C] en [D] zijn geregistreerd;

- de domeinnamen [internetsite 7] op 25 september 2006 en [internetsite 6] op 22 februari 2007 zijn geregistreerd, en nadien opvolgend door [C] en [D] zijn geregistreerd;

- de domeinnaam [internetsite 2] op 25 juni 2009 is geregistreerd door [D] .

Alle domeinnamen zijn derhalve op enig moment geregistreerd op naam van [C] ., een vennootschap naar het recht van Jersey, en vervolgens op naam van [D] , een vennootschap naar het recht van Costa Rica. Tevens is in 2012 en 2013 geconstateerd dat dat [D] op de websites als eigenaar is vermeld.

(…)

Structuur

In het onderzoek Rykiel is gebleken dat bij het aanbieden van kansspelen gebruik is gemaakt van diverse Nederlandse en buitenlandse vennootschappen. Binnen deze vennootschappen werden werkzaamheden verricht als het maken van spellen, het online aanbieden van kansspelen, het afwikkelen van het financiële verkeer rondom inleg van en uitbetaling aan spelers, technische ondersteuning aan afnemers van spellen, alsmede de administratieve werkzaamheden die met voorgaande waren gemoeid. Ten aanzien van de hierna genoemde vennootschappen is het volgende gebleken:

- [A] / [B] is op 8 juni 2004 opgericht in Engeland en op 22 augustus 2006 opgeheven. [medeverdachte 1] is sedert 29 juli 2004 en [verdachte] sedert 1 april 2005 bestuurder van de vennootschap, en tevens elk voor 50% houder van de aandelen. [B] is vanaf 25 juli 2005 registrant van de [internetsite 5] . Blijkens de zienswijze van [verdachte] , ingediend ter terechtzitting van 17 september 2018, ‘stond het eerste gokkastje online op [internetsite 5] op 18 december 2004.’

- [C] ( [C] ) is op 9 juni 2006 opgericht in Engeland door [betrokkene 1] en ingeschreven in het register van Companies House. De oprichting door [betrokkene 1] vond, naar hij verklaard heeft, plaats op verzoek van [medeverdachte 1] en [verdachte] . Sedert 9 juni 2006 stond [betrokkene 1] ingeschreven als bestuurder, op 12 november 2007 opgevolgd door [betrokkene 2] . De aandelen werden sedert 20 juni 2006 gehouden door [betrokkene 1] ; sedert 20 juni 2007 was [P] houder van 100% van de aandelen en vanaf 20 juni 2008 was [D] houder van 100% van de aandelen. Op 12 oktober 2010 is de vennootschap opgeheven, waarna op 29 november 2010 een nieuwe vennootschap (Ltd) met dezelfde naam is opgericht. [betrokkene 2] en [betrokkene 3] zijn dan bestuurder van de vennootschap en 100% van de aandelen worden gehouden door [betrokkene 2] . Per 1 december 2010 wordt [D] bestuurder en 100% aandeelhouder van [C] . In zijn zienswijze heeft [verdachte] te kennen gegeven dat [C] is opgericht in juni 2006 op voorstel van [betrokkene 1] , zodat spelers konden betalen met creditcard. In dat verband heeft hij besprekingen gevoerd met [betrokkene 4] , welke voorstelde ‘dat [medeverdachte 1] en ik niet zouden invullen dat we ons bezig hielden met ‘gambling’, omdat banken hier niet heel happig op zouden zijn. Ik hebt dit advies genegeerd (…).’

- [D] ( [D] ) is als een reeds bestaande vennootschap met de naam [Q] op 23 oktober 2006 gekocht op Costa Rica, onder gelijktijdige wijziging van de naam in [D] . [betrokkene 1] heeft hiertoe met name mailcontact gehad met [betrokkene 5] , notaris te Costa Rica, alsmede met [betrokkene 6] , werkzaam bij [E] en personal assistant van [verdachte] , waaruit blijkt dat een en ander plaats vond op verzoek van [verdachte] . Als bestuurder van deze vennootschap zijn geregistreerd [betrokkene 1] , [betrokkene 2] , [betrokkene 7] , [betrokkene 3] , [betrokkene 8] . Aandelen werden gehouden door [C] en vervolgens door [M] , een vennootschap in Panama. [verdachte] heeft in zijn zienswijze verklaard dat [D] werd opgericht in verband met het aanvragen van patenten/licenties voor het aanbieden van kansspelen vanuit Costa Rica. Tevens verwijst het hof ter zake [D] naar hetgeen hiervoor onder ‘Aanbieder(s)’ is overwogen over het eigenaarschap van de zeven websites, waarop kansspelen werden aangeboden.

Uit het dossier komt naar het oordeel van het hof genoegzaam naar voren dat deze vennootschappen, vanaf 2004 tot en met mei 2013, beginnend bij [B] en eindigend met [D] , via internet in Nederland kansspelen hebben aangeboden. Uit de zienswijze van [verdachte] blijkt dat de vennootschappen [B] , [C] en [D] juist zijn opgericht met het doel kansspelen via het internet te kunnen (blijven) aanbieden in Nederland. De bedrijfsvoering rondom het aanbieden van kansspelen was daar nagenoeg volledig op gericht. (…)

Aan de verdachte is primair tenlastegelegd dat hij als medepleger met [C] , [D] en [A] / [B] kansspelen via internet heeft aangeboden in Nederland zonder vergunning.

Zoals voortvloeit uit voorgaande overwegingen is naar het oordeel van het hof, met de rechtbank, sprake van een organisatiestructuur met vennootschappen die als eigenaar van de websites online kansspelen hebben aangeboden. Deze structuur en de daarin functionerende vennootschappen is opgezet door, dan wel op initiatief van onder meer de verdachte. De verdachte heeft het aanbieden van kansspelen door die vennootschappen in al zijn onderdelen aangestuurd, zonder dat die vennootschappen of bestuurders van die vennootschappen daarin feitelijk zeggenschap hadden, laat staan uitoefenden. Naar het oordeel van het hof is daarmee niet zozeer sprake van een nauwe en bewuste samenwerking van de verdachte met die vennootschappen, maar een functioneren onder leiding van onder meer de verdachte. Het hof acht daarom het primair tenlastegelegde niet wettig en overtuigend bewezen en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Subsidiair wordt de verdachte verweten dat hij aan de verboden gedraging, het aanbieden van online kansspelen in Nederland zonder vergunning, door genoemde vennootschappen feitelijke leiding heeft gegeven.

(…)

Aan de jurisprudentie van de Hoge Raad ontleent het hof een aantal uitgangspunten voor de beoordeling van de vraag of een persoon feitelijke leiding heeft gegeven aan een verboden gedraging door een rechtspersoon. (…) Deze uitgangspunten hanterend concludeert het hof dat [verdachte] feitelijke leiding heeft gegeven aan het aanbieden van online kansspelen door [B] , [C] en [D] . [verdachte] is vanaf de start in 2004 met de website [internetsite 5] tot en met mei 2013 de drijvende kracht geweest achter alle activiteiten binnen de totale organisatiestructuur, die gericht was op het maken en aanbieden van gokspellen, de financiële verwerking van ontvangen inleggelden en uitbetaling van prijzen aan spelers. Naar het oordeel van het hof is geen aspect te benoemen waar [verdachte] zich niet mee bezighield of bemoeide. [verdachte] zag toe op het ontwikkelen en programmeren van spellen door programmeurs, het online zetten en laten functioneren van die gokspellen, de verwerking van de in- en uitgaande geldstromen en het aangaan van overeenkomsten met zogenaamde payment service providers als Buckaroo . [verdachte] initieerde, al dan niet daartoe geadviseerd, de oprichting van vennootschappen in het Verenigd Koninkrijk of Costa Rica teneinde gokspellen vanuit het buitenland in Nederland te kunnen aanbieden en het plaatsen van computerservers in Zweden. [verdachte] voerde doorlopend overleg met zijn adviseurs om het gokgebeuren in goede banen te leiden. Alle relevante beslissingen in de bedrijfsvoering rondom het aanbieden van online kansspelen werden door hem, in overleg met zijn compagnon [medeverdachte 1] , genomen.

(…)

Met de rechtbank acht het hof derhalve wettig en overtuigend bewezen dat de vennootschappen [B] , [C] en [D] middels 7 websites online kansspelen hebben aangeboden in Nederland zonder vergunning, aan welke gedraging [verdachte] feitelijke leiding heeft gegeven.”

4.6

In een aanvulling van de bewijsmiddelen heeft het hof – voor zover relevant voor de bespreking van dit middel – het volgende bewijsmiddel opgenomen:

“15. Het proces-verbaal van bevindingen ‘van onderzoek aan de data aangetroffen op de in Zweden in beslaggenomen servers (ZD01, p. 1661-1666), voor zover inhoudende:

Op 24 mei 2013 is door de daartoe bevoegde autoriteiten in Zweden onderzoek gedaan en beslag gelegd op servers van de rechtspersonen [E] , [K] en [R] . De servers stonden op het adres van het datacentre Interroute in [plaats] , Zweden.

Uit onderzoek is gebleken dat de servers ingericht waren als webserver. De webservers bevatten de configuraties en bestanden om de onderstaande domeinen te kunnen bezoeken.

 [internetsite 1]

 [internetsite 2]

 [internetsite 3]

 [internetsite 8]

 [internetsite 4]

 [internetsite 7]

 [internetsite 5]

 [internetsite 9]

(…)”

De toelichting op het eerste middel

4.7

De eerste deelklacht wordt als volgt toegelicht. De tenlastelegging onder 13 subsidiair houdt – volgens de stellers van het middel – in dat de verdachte feitelijk leiding heeft gegeven aan door diverse rechtspersonen begane strafbare feiten. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij feitelijk leiding heeft gegeven aan strafbare feiten die zijn gepleegd door [C] , [D] , [A] , [B] en [E] . De stellers van het middel stellen zich op het standpunt dat het delict – gelet op de op art. 51 Sr toegesneden tenlastelegging – is voltooid op het moment dat door een enkele rechtspersoon niet langer de bedoelde gelegenheid wordt gegeven. Per rechtspersoon kan dan weliswaar sprake zijn van een voortdurend delict, maar wanneer meerdere rechtspersonen het feit hebben gepleegd kan slechts sprake zijn van meerdere voortdurende delicten. Het hof had de verjaring dus per rechtspersoon moeten beoordelen.

4.8

Met de tweede deelklacht wordt geklaagd over het oordeel van het hof dat de tenlastelegging van feit 13 (zowel primair als subsidiair) één voortdurend delict betreft en niet meerdere, cumulatief tenlastegelegde feiten. Het feit is in de tenlastelegging feitelijk omschreven door middel van een uitsplitsing per website. De delictsomschrijving van art. 1 lid 1 Wok is al vervuld wanneer op één website deze gelegenheid wordt gegeven. In de onderhavige zaak hebben de rechtspersonen op uiteenlopende momenten in de tenlastegelegde periode kansspelen aangeboden via in totaal zeven verschillende websites. Verder is volgens de stellers van het middel van belang dat in de tenlastelegging tweemaal het woord ‘(telkens)’ opgenomen. Het hof heeft bovendien geen inzicht gegeven in de feiten en omstandigheden waarop het zijn uitleg van de tenlastelegging heeft gebaseerd. Gelet hierop is de uitleg van de tenlastelegging door het hof onverenigbaar met de bewoordingen ervan, althans is die uitleg onbegrijpelijk of ontoereikend gemotiveerd.

4.9

Tot slot wordt ten aanzien van de derde deelklacht toegelicht waarom het onder 13 tenlastegelegde in zijn geheel is verjaard, namelijk omdat voor dit delict een absolute verjaringstermijn geldt van twaalf jaren en sinds de einddatum van het feit op 25 mei 2013 meer dan twaalf jaren zijn verstreken.

4.10

Ik zal aanvangen met een bespreking van de derde deelklacht en vervolgens ingaan op de vraag of de eerste en de tweede deelklacht nog bespreking behoeven.

Het juridisch kader bij de derde deelklacht van het eerste middel

4.11

De volgende bepalingen zijn van belang:

- Art. 70 Sr:

“1. Het recht tot strafvordering vervalt door verjaring:

(…)

2° in zes jaren voor de misdrijven waarop geldboete, hechtenis of gevangenisstraf van niet meer dan drie jaren is gesteld"

- Art. 71 Sr:

“De termijn van verjaring vangt aan op de dag na die waarop het feit is gepleegd, (…)”

- Art. 72 Sr:

“1. Elke daad van vervolging stuit de verjaring, ook ten aanzien van anderen dan de vervolgde.

2. Na de stuiting vangt een nieuwe verjaringstermijn aan. Het recht tot strafvordering vervalt evenwel ten aanzien van overtredingen na tien jaren en ten aanzien van misdrijven indien vanaf de dag waarop de oorspronkelijke verjaringstermijn is aangevangen een periode is verstreken die gelijk is aan twee maal de voor het misdrijf geldende verjaringstermijn.”

- Art. 51 lid 2 sub 2 Sr

“2. Indien een strafbaar feit wordt begaan door een rechtspersoon, kan de strafvervolging worden ingesteld en kunnen de in de wet voorziene straffen en maatregelen, indien zij daarvoor in aanmerking komen, worden uitgesproken:

(…)

2° tegen hen die tot het feit opdracht hebben gegeven, alsmede tegen hen die feitelijke leiding hebben gegeven aan de verboden gedraging (…)”

- Art.1 Wok:

“1. Behoudens het in Titel Va van deze wet bepaalde is het verboden:

a. gelegenheid te geven om mede te dingen naar prijzen of premies, indien de aanwijzing der winnaars geschiedt door enige kansbepaling waarop de deelnemers in het algemeen geen overwegende invloed kunnen uitoefenen, tenzij daarvoor ingevolge deze wet vergunning is verleend”

- Art. 31 lid 1 en lid 3 (oud) Wok, thans art. 36 lid 1 en lid 3 Wok:

“1. Gedragingen in strijd met de voorschriften vastgesteld bij of krachtens de artikelen 1, eerste lid, onder a, (…) zijn misdrijven, voorzover zij opzettelijk zijn begaan, en overigens overtredingen.

(…)

3. Gedragingen, die in dit artikel als misdrijf of als overtreding zijn aangemerkt, zijn economische delicten in de zin van artikel 1, aanhef en onder 3°, van de Wet op de economische delicten.”

- Art. 1 WED:

“Economische delicten zijn:

(…)

3° overtredingen van voorschriften, gesteld bij of krachtens:

(…)

de Wet op de kansspelen, de artikelen 1, eerste lid, onder a”

- Art. 2 lid 3 WED:

“3. De economische delicten, bedoeld in artikel 1, onder 3°, zijn misdrijven of overtredingen, al naar gelang zij in de desbetreffende voorschriften als misdrijf dan wel als overtreding zijn gekenmerkt.”

- Art. 6 lid 1 WED:

“1. Hij, die een economisch delict begaat, wordt gestraft:

1° in geval van misdrijf, voor zover het betreft een economisch delict, bedoeld in artikel 1, onder 1°, of in artikel 1a, onder 1°, met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren, taakstraf of geldboete van de vijfde categorie;

2° in geval van een ander misdrijf met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren, taakstraf of geldboete van de vierde categorie”,

De bespreking van de derde deelklacht uit het eerste middel

4.12

De verdachte is onder 13 – zakelijk weergegeven – primair tenlastegelegd dat hij als medepleger met [C] , [D] en [A] / [B] opzettelijk kansspelen via het internet heeft aangeboden in Nederland zonder vergunning. Subsidiair wordt de verdachte verweten dat hij aan de verboden gedraging, het aanbieden van online kansspelen in Nederland zonder vergunning, door genoemde rechtspersonen en/of andere rechtspersonen feitelijke leiding heeft gegeven. Het hof heeft het subsidiaire feit bewezenverklaard en gekwalificeerd als “feitelijke leiding geven aan het door een rechtspersoon opzettelijk begaan van medeplegen van overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 1, eerste lid onder a (voorheen 1 onder a) van de Wet op de kansspelen”.

4.13

Op grond van art. 36 lid 1 Wok is overtreding van het verbod uit art. 1 lid 1 onder a Wok een misdrijf voor zover het opzettelijk is begaan. Overtreding van art. 1 lid 1 onder a Wok is blijkens art. 36 lid 3 Wok een economisch delict als bedoeld in art. 1 aanhef en onder 3 van de WED. Ingevolge art. 6 lid 1 WED in samenhang bezien met de zojuist genoemde bepalingen en art. 2 lid 3 WED staat op het onder 13 tenlastegelegde en bewezenverklaarde feit een gevangenisstraf van maximaal twee jaren.

4.14

Op grond van art. 70 lid 1, aanhef en onder 2 en art. 72 lid 2 Sr bedraagt de absolute verjaringstermijn voor dit delict twee maal zes en dus twaalf jaren. Als, zoals het hof heeft gedaan, als uitgangspunt wordt genomen dat de verjaringstermijn is aangevangen op de dag na die waarop de tenlastegelegde periode eindigt, dan is de verjaringstermijn aangevangen op 25 mei 2013. Dit heeft tot gevolg dat het recht tot strafvordering op 25 mei 2025 is komen te vervallen. Dat betekent dat – onafhankelijk van de uitkomst van de eerste en tweede deelklacht – de derde deelklacht uit het eerste middel slaagt. Omdat het onder 13 tenlastegelegde en bewezenverklaarde feit op dit moment is verjaard, zal het openbaar ministerie in zoverre niet-ontvankelijk moeten worden verklaard.

4.15

Voor vermindering van de duur van de opgelegde straffen bestaat evenwel onvoldoende grond, aangezien de aard en de ernst van hetgeen voor het overige ten laste van de verdachte is bewezenverklaard niet worden aangetast door bedoelde niet-ontvankelijkverklaring. Ik wijs er in dat kader op dat de aan de verdachte opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden en taakstraf van 200 uren ook zijn opgelegd wegens– kort gezegd – het gedurende bijna tien jaar lang leidinggeven aan een criminele organisatie en het witwassen van meer dan € 100.000.000,- en meerdere valsheidsdelicten, delicten die met beduidend hogere straffen worden bedreigd dan overtreding van de Wok. Het voorgaande behoeft derhalve niet te leiden tot vernietiging van de bestreden uitspraak wat betreft de strafoplegging en terugwijzing van de zaak.

4.16

Gelet op het voorgaande heb ik mijzelf afgevraagd of het noodzakelijk is om de eerste twee deelklachten ook nog te bespreken. Dat is mijns inziens wel het geval. Het hof heeft namelijk geoordeeld dat de verjaring van feit 13 ten tijde van de behandeling van de zaak in hoger beroep nog niet was ingetreden en dat het daarom niet in hoefde te gaan op klachten over de doorwerking van de verjaring van feit 13 in andere tenlastegelegde feiten. In het tweede en derde cassatiemiddel wordt onder meer geklaagd over dat oordeel van het hof. Om deze klachten te kunnen bespreken, is het mijns inziens nodig om eerst te weten of het oordeel van het hof dat feit 13 ten tijde van de behandeling in hoger beroep nog niet (gedeeltelijk) verjaard was stand kan houden.

Het beoordelingskader bij de eerste en tweede deelklacht uit het eerste middel

4.17

In de eerste en tweede deelklacht staat in de kern de vraag centraal of de uitleg die het hof aan de tenlastelegging van feit 13 heeft gegeven, inhoudende dat die één voortdurend delict bevat, in strijd is met de bewoordingen van de tenlastelegging.

Voortdurende delicten en art. 1 lid 1 sub a Wok als voortdurend delict

4.18

Het hof heeft het onder feit 13 tenlastegelegde aangemerkt als een voortdurend delict. Een voortdurend delict is een delict waarbij het plegen niet beperkt is tot één korte concrete handeling, maar waarbij het plegen enige tijd voortduurt. De strafbare gedraging bestaat uit het doen voortduren van een door de wet verboden toestand. Het plegen van een voortdurend delict eindigt pas zodra aan die toestand een einde wordt gemaakt, door de verdachte of door andere omstandigheden. Voorbeelden van voortdurende delicten zijn het voorhanden of aanwezig hebben van bepaalde zaken, zoals in de Opiumwet, de helings- en witwasbepalingen of art. 252 Sr over het bezit van kinderpornografie. Deelneming aan een criminele organisatie kan ook een voortdurende vorm aannemen. Of een feit tot de categorie van de voortdurende delicten behoort, valt doorgaans af te leiden uit de wettelijke omschrijving. In cassatie spelen bij de beoordeling van de vraag of het hof heeft kunnen aannemen dat sprake is van een voortdurend delict zowel de aard van het delict als de wijze van ten laste leggen en de uitleg van die tenlastelegging door de feitenrechter in een concreet geval een rol.

4.19

In de onderhavige zaak is de verdachte veroordeeld voor overtreding van art. 1 lid 1 onder a van de Wok. Om tot een bewezenverklaring van dat delict te kunnen komen, dient – kort gezegd en in mijn eigen bewoordingen – te worden aangetoond dat de verdachte (1) gelegenheid heeft gegeven, (2) tot het spelen van kansspelen (3) zonder dat daarvoor een vergunning is verleend. Hoewel de wetsgeschiedenis daarover geen uitsluitsel biedt, lijkt het bestanddeel ‘het geven van gelegenheid’ erop te wijzen dat het delict naar zijn aard een voortdurend delict betreft. Het ‘geven van gelegenheid’ kan immers een toestand in het leven roepen die enige tijd kan duren. Het is in die zin vergelijkbaar met bijvoorbeeld het aanwezig hebben van verdovende middelen, het voorhanden hebben van wapens en het in hulpeloze toestand laten van een persoon. Het geven van de gelegenheid duurt voort zolang die situatie niet wijzigt.

De verjaring van voortdurende delicten

4.20

Op grond van art. 71 Sr neemt de verjaringstermijn een aanvang ‘op de dag na die waarop het feit is gepleegd’. De term ‘gepleegd’ duidt erop dat de verjaringstermijn pas begint te lopen op het moment dat het strafbare feit in zijn geheel is voltooid. De inhoud van de delictsomschrijving moet dus volledig zijn vervuld. Dat ligt voor de hand. Zou de start van de verjaringstermijn namelijk aansluiten bij de delictsgedraging en niet bij het voltooien van het delict, dan zou een delict al verjaard kunnen zijn voordat het is voltooid.

4.21

De verjaringstermijn van voortdurende delicten begint te lopen op de dag na de beëindiging van de verboden toestand. Tot die tijd wordt het feit tenslotte gepleegd. Van belang om te onthouden is dat een voortdurend delict uiteindelijk ook slechts één strafbaar feit oplevert. Dat ene strafbare feit begint te verjaren als het delict is gepleegd, dus pas nadat de laatste handeling is verricht. Het vervolgingsrecht blijft tot die tijd bestaan.

4.22

Gevallen uit de jurisprudentie waarin ter discussie stond of bepaalde feiten waren verjaard en waarin volgens de Hoge Raad sprake was van een voortdurend delict zijn onder meer de volgende: het nalaten een deugdelijke registratie te voeren van de arbeids- en rusttijden van werknemers (art. 4:3 lid 1 Arbeidstijdenwet), het verzwijgen van het aannemen van giften tijdens een dienstverband (art. 328ter lid 1 Sr) en het verborgen houden van een lijk (art. 151 Sr).

4.23

Verder is nog een tweetal andere arresten het vermelden waard. In een arrest van 11 oktober 2022 was bewezenverklaard dat de verdachte haar tien kinderen in hulpeloze toestand had gelaten (art. 255 Sr). Dit was volgens het hof te zien als één in nalaten bestaand voortdurend delict. Naar het oordeel van de Hoge Raad kon het hof dit echter niet aanmerken als één doorlopend delict, maar was sprake van meerdere van elkaar te onderscheiden voltooiingen van hetzelfde (voortdurende) delict, zodat de verjaringstermijn ten aanzien van elk kind afzonderlijk moest worden bepaald. In een arrest van 5 juli 2016 was het oordeel van het hof dat het tenlastegelegde zonder vergunning als effectenbemiddelaar aanbieden van diensten aan tien bij naam genoemde personen gekwalificeerd moest worden als voortdurend delict omdat dit delict “pas (is) voltooid op de dag dat de betrokken verdachte niet langer zonder vergunning opereert” ontoereikend gemotiveerd. Die motivering schoot tekort omdat het hof er geen inzicht in heeft gegeven op welke feiten en omstandigheden, zoals de aard van de werkzaamheden die de effectenbemiddelaar of vermogensbeheerder voor de in de tenlastelegging genoemde personen gedurende de daarin vermelde periode heeft verricht of het tijdstip waarop deze die werkzaamheden heeft verricht, het zijn uitleg van de tenlastelegging heeft gebaseerd.

Deelneming, feitelijk leidinggeven en verjaring

4.24

De tekst van de wet (art. 71 Sr) spreekt over het ‘plegen’ van het feit. Daaruit vloeit volgens De Hullu en Van Kempen voort dat de start van de verjaringstermijn voor deelnemers aan een strafbaar feit aansluit bij die van de pleger, dat wil zeggen: bij de voltooiing van de delictsinhoud door de pleger. Voor deelnemingsgedragingen waarbij de dader en de pleger simultaan opereren, ligt dat voor de hand. Dat is minder het geval voor deelnemingsgedragingen waarbij de gedraging van de deelnemer voorafgaat aan het plegen van het hoofddelict. Te denken valt aan doen plegers, uitlokkers en medeplichtigen tot het hoofddelict. Ook in die gevallen moet echter worden aangenomen dat de verjaringstermijn pas begint te lopen wanneer het hoofddelict zich geheel heeft voltrokken. Anders zou immers bijvoorbeeld de situatie kunnen ontstaan dat de uitlokking al verjaard is terwijl het grondfeit nog niet is gepleegd.

4.25

In de onderhavige zaak wordt de verdachte (ook) verweten dat hij feitelijk leiding heeft gegeven aan strafbaar handelen door rechtspersonen. Op grond van art. 51 lid 1 sub 2 Sr geldt dat als een strafbaar feit wordt begaan door een rechtspersoon, (ook) strafvervolging kan worden ingesteld tegen degene die feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging van de rechtspersoon. De rechtspersoon kan in dit verband zowel pleger van het delict kan zijn, als doen-pleger, medepleger, uitlokker of medeplichtige. Ook aan de deelneming aan een strafbaar feit door een rechtspersoon kan dus feitelijk leiding worden gegeven. Aan hetzelfde strafbare feit kan bovendien door meerdere personen – al dan niet gezamenlijk – feitelijk leiding worden gegeven, terwijl ook een rechtspersoon feitelijk leidinggever kan zijn.

4.26

Ten aanzien van de figuur van feitelijk leidinggeven geldt – net als ten aanzien van deelneming – een accessoriteitsvereiste. In het kader van het feitelijk leiding geven houdt dat vereiste in dat de strafbaarheid van de feitelijk leidinggever gekoppeld is aan die van de rechtspersoon. Voordat een rechter zich buigt over de vraag of feitelijk leiding is gegeven aan een strafbaar feit door een rechtspersoon, zal eerst moeten worden vastgesteld dat de rechtspersoon dat strafbare feit heeft begaan. Het feit dat de strafbaarheid van de feitelijk leidinggever afhankelijk is van de strafbaarheid van het grondfeit gepleegd door de rechtspersoon, wil niet zeggen dat de feitelijk leidinggever aansprakelijk wordt gesteld voor de verboden gedragingen van de rechtspersoon. Hoewel die aansprakelijkheid daarmee sterk samenhangt, wordt de feitelijk leidinggever een geheel persoonlijk verwijt gemaakt. Hij wordt aansprakelijk gesteld voor zijn eigen betrokkenheid bij de door de rechtspersoon begane delicten, net als de deelnemer aan een strafbaar feit aansprakelijk is op grond van de door hem verrichte gedragingen. Het verwijt dat de feitelijk leidinggever wordt gemaakt, hoeft niet samen te vallen met het verwijt dat de rechtspersoon wordt gemaakt, maar dat kan wel.

4.27

In de literatuur bestaat discussie over de aard van de figuur van het feitelijk leidinggeven en dan met name over de vraag of feitelijk leidinggeven moet worden gezien als een vorm van daderschap en deelneming of enkel als aansprakelijkstelling. Wat daar ook van zij, duidelijk is in ieder geval dat er vanwege de accessoriteitseis gelijkenis bestaat tussen de twee figuren. Vanwege die gelijkenis met deelneming op dit punt en het ontbreken van signalen in de literatuur en jurisprudentie voor een andersluidend standpunt, ga ik ervan uit dat de verjaringstermijn bij feitelijk leidinggeven net als bij deelneming synchroon loopt met die van de rechtspersoon. Ik acht in dit verband ook relevant dat de tenlastelegging van feitelijk leidinggeven is toegesneden op het grondfeit van de rechtspersoon, dat aan feitelijk leidinggeven in de tenlastelegging geen eigen tijd toe hoeft te worden gekend en dat de term ook niet nader hoeft te worden omschreven in de tenlastelegging.

De bespreking van de eerste en de tweede deelklacht

4.28

In het kort is in hoger beroep aangevoerd dat het onder 13 tenlastegelegde feit was verjaard voor zover de tenlastegelegde periode was gelegen twaalf jaren vóór de uitspraakdatum van het arrest. Het hof heeft geoordeeld dat het recht tot strafvordering nog niet was verjaard. Dat oordeel heeft het gemotiveerd door het verwijt dat de verdachte treft aan te merken als één voortdurend delict, dat pas is voltooid als de verdachte niet langer in gebreke is, dat wil zeggen vanaf het moment dat feitelijk niet langer de gelegenheid aan anderen wordt gegeven om mee te doen aan kansspelen. Naar de aard van de tenlastegelegde gedraging is immers sprake van een blijvende gelegenheid tot het mededingen naar prijzen of premies vanaf het moment dat die gelegenheid is gecreëerd tot het moment dat die gelegenheid door een handeling of nalaten wordt tenietgedaan. Een andersluidende opvatting – zoals door de verdediging is bepleit – te weten dat sprake is van het ‘telkens’ opnieuw aanbieden van kansspelen middels naast elkaar bestaande websites waardoor geen sprake is van één voortdurend delict maar van telkens afzonderlijke en nieuwe delicten, doet naar het oordeel van het hof geen recht aan het verwijt dat de verdachte treft. Dat het gelegenheid geven heeft plaatsgevonden middels het op verschillende websites – gelijktijdig of na elkaar – aanbieden van deze kansspelen doet daaraan naar het oordeel van het hof niet af. De keuze van het openbaar ministerie om het delict op een bepaalde wijze ten laste te leggen is overigens niet bepalend voor het oordeel of al dan niet sprake is van een voortdurend delict, aldus het hof. De dag dat de verjaringstermijn is aangevangen stelt het hof vervolgens vast op 25 mei 2013.

4.29

Voordat ik toekom aan de bespreking van de vraag naar de houdbaarheid van ’s hofs verwerping van het beroep op verjaring van feit 13, licht ik eerst nader toe welk verwijt de verdachte in de tenlastelegging wordt gemaakt. Dat doe ik omdat de tenlastelegging ten aanzien van de rol van de rechtspersonen en het feitelijk leidinggeven niet nader is verfeitelijkt.

4.30

Zoals eerder al benoemd, wordt de verdachte in feit 13 primair verweten dat hij als medepleger met vijf rechtspersonen kansspelen via het internet heeft aangeboden zonder vergunning. Subsidiair wordt hem verweten aan de verboden gedraging van die vijf (of meer) rechtspersonen feitelijk leiding te hebben gegeven. Het hof heeft de verdachte vrijgesproken van het primair tenlastegelegde medeplegen en veroordeeld voor het subsidiair tenlastegelegde feitelijk leidinggeven. De reden hiervoor was, aldus het hof, dat niet zo zeer sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking van de verdachte met de in de tenlastelegging genoemde vennootschappen, maar van een functioneren onder leiding van de verdachte. Ten aanzien van die leidinggevende rol van de verdachte heeft het hof onder meer het volgende vastgesteld:

- De structuur en de daarin functionerende vennootschappen zijn opgezet door of op initiatief van (onder meer) de verdachte.

- De verdachte heeft het aanbieden van kansspelen door die vennootschappen in al zijn onderdelen aangestuurd, zonder dat die vennootschappen of de bestuurders daarvan daarin feitelijk zeggenschap hadden, laat staan uitoefenden.

- Vanaf de start van de tenlastegelegde periode tot en met het eind van die periode was de verdachte de drijvende kracht achter alle activiteiten binnen de totale organisatiestructuur. Er is geen aspect te noemen waar de verdachte zich niet mee bezighield of bemoeide.

- Alle relevante beslissingen in de bedrijfsvoering rondom het aanbieden van online kansspelen werden door de verdachte, in overleg met zijn compagnon [medeverdachte 1] , genomen.

4.31

Met betrekking tot de rol die ieder van de rechtspersonen speelde bij het feit heeft het hof onder meer vastgesteld dat binnen deze vennootschappen werkzaamheden werden verricht als het maken van spellen, het online aanbieden van kansspelen, het afwikkelen van het financiële verkeer rondom inleg van en uitbetaling aan spelers, technische ondersteuning aan afnemers van spellen en daarnaast administratieve werkzaamheden werden verricht die met het voorgaande waren gemoeid.

De eerste deelklacht

4.32

Dan kom ik nu toe aan een bespreking van de eerste deelklacht. De eerste deelklacht ziet (ik herhaal) op het oordeel van het hof dat de tenlastelegging onder 13 subsidiair één voortdurend delict betreft. Volgens de stellers van het middel houdt de tenlastelegging in dat de verdachte feitelijk leiding heeft gegeven aan door diverse rechtspersonen begane strafbare feiten. Dat het delict pas is voltooid als de verdachte niet langer in gebreke is, zoals het hof heeft geoordeeld, is niet juist aangezien het delict al is voltooid op het moment dat door een enkele rechtspersoon niet langer de bedoelde gelegenheid is gegeven. De andersluidende uitleg van de tenlastelegging door het hof zou strijdig zijn met de bewoordingen ervan.

4.33

Allereerst merk ik hierover op dat de stelling dat de tenlastelegging inhoudt dat de verdachte feitelijk leiding heeft gegeven aan door diverse rechtspersonen begane strafbare feiten feitelijke grondslag mist. Met die stelling lijken de stellers van het middel er namelijk van uit te gaan dat de onder 13 subsidiair tenlastegelegde rechtspersonen ieder van elkaar losstaande strafbare feiten hebben begaan en dat de verdachte aan die verschillende feiten leiding heeft gegeven. Van een cumulatieve tenlastelegging waarin ‘door diverse rechtspersonen begane strafbare feiten’ zijn vermeld is echter geen sprake. In de tenlastelegging van feit 13 subsidiair staat immers opgenomen dat [C] en/of [D] en/of [A] en/of [B] en/of [E] en/of één of meer andere rechtspersonen ‘tezamen en in vereniging met anderen’ opzettelijk gelegenheid hebben gegeven tot kansspelen via het internet zonder vergunning, terwijl de verdachte en een ander hieraan feitelijk leiding hebben gegeven. In de (subsidiaire) tenlastelegging staat dat het delict uit art. 1 lid 1 onder a Wok door de betreffende rechtspersonen is medegepleegd. Dat het hof de tenlastelegging zo heeft uitgelegd dat sprake is van één (voortdurend) strafbaar feit dat is gepleegd door meerdere rechtspersonen, is dus niet in strijd met de bewoordingen ervan.

4.34

Voor zover er dan nog wordt geklaagd dat het hof de verjaring per rechtspersoon had moeten beoordelen, is het volgende van belang. Het verwijt dat de verdachte onder 13 subsidiair wordt gemaakt, houdt in de kern in dat hij samen met [medeverdachte 1] een construct aan rechtspersonen heeft opgetuigd waarmee hij online kansspelen heeft aangeboden zonder dat hij daarvoor een vergunning had. Die rechtspersonen dienden organiserende, financiële, technische en/of administratieve doeleneinden en voorzagen daarmee in de structuur die noodzakelijk was om het delict uit art. 1 lid 1 onder a Wok te kunnen plegen. Uit de vaststellingen van het hof (zoals in randnummer 4.5 weergegeven) blijkt dat er geen afstand was tussen de handelingen van de rechtspersoon en de handelingen van de verdachte. De verdachte was, samen met zijn medeverdachte, degene die alles besliste en alles uitvoerde. Dat deed hij gedurende de gehele tenlastegelegde periode en ten aanzien van alle in de tenlastelegging genoemde rechtspersonen. Tegen die achtergrond bezien ligt het ook niet in de rede om de beoordeling van de verjaring uit te splitsen per individuele rechtspersoon.

4.35

Gelet op het voorgaande getuigt het oordeel van het hof dat het verwijt dat de verdachte treft moet worden aangemerkt als één voortdurend delict, en het daarin besloten liggende oordeel dat de verjaring niet per rechtspersoon beoordeeld hoeft te worden, niet van een onjuiste rechtsopvatting en is dat oordeel niet onbegrijpelijk. Evenmin is ’s hofs uitleg van de tenlastelegging op dit punt strijdig met de bewoordingen ervan.

De tweede deelklacht

4.36

Ik vervolg met een bespreking van de tweede deelklacht. Daarin wordt (eveneens) geklaagd over het oordeel van het hof dat feit 13 (zowel primair als subsidiair) één voortdurend delict betreft en niet meerdere, cumulatief tenlastegelegde feiten. In het kader van de tweede deelklacht wordt erop gewezen dat het feit in de tenlastelegging is omschreven middels een uitsplitsing per website en de delictsomschrijving uit art. 1 lid 1 sub a Wok al is vervuld wanneer op één website gelegenheid tot het meedoen aan kansspelen wordt gegeven. De uitleg van de tenlastelegging door het hof is volgens de stellers van het middel om deze redenen onverenigbaar met de bewoordingen ervan.

4.37

Opgemerkt zij in de eerste plaats dat ik niet inzie welk belang de verdachte heeft bij deze klacht. De tenlastegelegde periode loopt van 1 juli 2004 tot en met 24 mei 2013. Uit de bewijsmiddelen volgt dat ieder van de in de tenlastelegging genoemd zeven websites aan het einde van de tenlastegelegde periode nog in de lucht was (zie bewijsmiddel 15, hierboven aangehaald in randnummer 4.6). Ook als de verjaring zou worden uitgesplitst per website, waarop door de stellers van het middel wordt aangestuurd, zou de verjaringstermijn dus pas op 25 mei 2013 van start zijn gegaan. Dat is dezelfde datum die het hof heeft gehanteerd als startdatum van de verjaring.

4.38

Overigens ben ik ook van oordeel dat de klacht op inhoudelijke gronden niet slaagt. De tenlastelegging houdt in dat dat de verdachte, samen met anderen, (telkens) opzettelijk gelegenheid heeft gegeven tot het online spelen van kansspelen door op verschillende websites kansspelen aan te bieden, althans dat hij daaraan feitelijk leiding heeft gegeven. Doordat “telkens” tussen haakjes is geplaatst, biedt deze wijze van ten laste leggen enige ruimte voor uitleg aan de rechter. Het hof heeft het tenlastegelegde als één voortdurend delict aangemerkt en niet als zeven afzonderlijke voortdurende delicten. Mijns inziens is dit oordeel van het hof niet onbegrijpelijk en niet onverenigbaar met de bewoordingen van de tenlastelegging. Ik kan het hof goed volgen in de overweging dat een uitleg van de tenlastelegging die inhoudt dat daarin meerdere op zich zelf staande voltooiingen van hetzelfde delict staan, geen recht doet aan het verwijt dat de verdachte wordt gemaakt. Daarbij verwijs ik naar hetgeen ik over dat verwijt heb opgemerkt bij de bespreking van de eerste deelklacht.

4.39

Verder valt op dat de aard van het tenlastegelegde feit en de wijze waarop dat feit is tenlastegelegd verschillen van die uit een aantal zaken zoals genoemd in de randnummers 4.22 en 4.23. In HR 11 oktober 2022, ECLI:NL:HR:2022:1410 ging het om het in hulpeloze toestand brengen of laten van tien kinderen. Het oordeel van het hof dat dat één voortdurend delict opleverde was onjuist, aangezien het in hulpeloze toestand brengen of laten van meerdere personen, zoals bedoeld in art. 255 Sr, ten aanzien van elk van die personen een zelfstandige vervulling van de delictsbeschrijving oplevert. Dat hangt samen met de aard van het delict. Art. 255 Sr stelt immers strafbaar het in hulpeloze toestand brengen of laten van ‘iemand’. Wel was ten aanzien van ieder kind afzonderlijk sprake van een voortdurend delict. In HR 13 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:321 was ook twee keer hetzelfde delict voltooid, omdat de verdachte twee verschillende lijken had verborgen. Het verbergen van één lijk levert al direct het (op zichzelf voortdurende) delict uit art. 151 Sr op, want daarin is strafbaar gesteld het verbergen van ‘een lijk’. Ook hier dwingt de aard van het delict dus tot die uitleg. Dat is bij art. 1 lid 1 onder a van de Wok niet het geval.

4.40

Ik wijs ook op HR 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1391. De verdachte in die zaak had zich volgens de tenlastelegging (en bewezenverklaring) schuldig gemaakt aan medeplichtigheid aan het zonder vergunning als effectenbemiddelaar diensten aanbieden en verrichten door als vermogensbeheerder op te treden, waarbij hij telkens concrete aanbiedingen had gedaan aan concreet in de bewezenverklaring genoemde personen. Het hof oordeelde dat sprake was van één voortdurend delict. Zoals in randnummer 4.23 reeds vermeld, achtte de Hoge Raad dat oordeel niet behoorlijk gemotiveerd, in het bijzonder niet omdat het hof geen inzicht erin heeft gegeven op welke feiten en omstandigheden, zoals de aard van de werkzaamheden die de effectenbemiddelaar of vermogensbeheerder voor de in de tenlastelegging genoemde personen gedurende de daarin vermelde periode heeft verricht of het tijdstip waarop deze die werkzaamheden heeft verricht, het zijn uitleg van de tenlastelegging heeft gebaseerd. Hier speelde mijns inziens de wijze van ten laste leggen een rol. In zijn conclusie voorafgaand aan het arrest van de Hoge Raad merkt A-G Machielse op dat bij ieder concreet aanbod aan een individueel persoon telkens de delictsinhoud van art. 7 Wte 1995 werd voltooid. Bij het geven van gelegenheid tot het meedoen aan kansspelen, zoals in de onderhavige zaak, ligt dat mijns inziens anders. In de onderhavige zaak is blijkens de tenlastelegging geen sprake van het bieden van gelegenheid aan concrete personen, maar van een aan het algemene publiek op verschillende websites op het internet aangeboden gelegenheid om mee te doen aan kansspelen, hetgeen in zekere zin een openstaande uitnodiging tot het spelen van kansspelen inhoudt die blijft bestaan zolang zij niet is ingetrokken of anderszins is beëindigd. De wijze van ten laste leggen in het onderhavige geval laat kortom ruimte voor de uitleg die het hof aan de tenlastelegging heeft gegeven.

4.41

Het voorgaande in aanmerking genomen, acht ik het niet onbegrijpelijk dat het hof de tenlastelegging in de onderhavige zaak zo heeft opgevat dat het gaat om het voortdurend geven van gelegenheid en niet ten aanzien van elke website een zelfstandige vervulling van het delict uit art. 1 lid 1 onder a Wok heeft aangenomen. Die uitleg van de tenlastelegging is niet strijdig met de bewoordingen ervan.

4.42

De eerste en tweede deelklacht uit het eerste middel falen.

5 Het tweede en het derde middel

5.1

Gelet op hun onderlinge samenhang bespreek ik het tweede en het derde middel gezamenlijk.

5.2

Het tweede middel bevat de klacht dat vanwege de verjaring van feit 13 en gelet op hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht in hoger beroep over de doorwerking ten aanzien van de feiten 2, 3 en 4 (witwasdelicten):

(i) het oordeel van het hof dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in de vervolging van de feiten 2, 3 en 4 onjuist, onbegrijpelijk en/of ontoereikend gemotiveerd is; en/of

(ii) de bewezenverklaring van deze feiten onvoldoende is gemotiveerd; en/of

(iii) het oordeel van het hof dat het onder 2, 3 en 4 bewezenverklaarde kan worden gekwalificeerd als strafbaar feit onjuist, onbegrijpelijk en/of ontoereikend gemotiveerd is.

5.3

Met het derde middel wordt geklaagd dat vanwege de verjaring van feit 13 en hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht over de doorwerking ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde (deelneming aan een criminele organisatie):

(i) het impliciete oordeel van het hof dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in de vervolging van feit 1 onjuist en/of onbegrijpelijk en/of ontoereikend gemotiveerd is;

(ii) de bewezenverklaring van feit 1 onvoldoende met redenen is omkleed;

(iii) het impliciete oordeel van het hof dat het onder 1 bewezenverklaarde kan worden gekwalificeerd als strafbaar feit onjuist en/of onbegrijpelijk en/of ontoereikend gemotiveerd is.

Het onder 1, 2, 3 en 4 bewezenverklaarde

5.4

Voor de volledige weergave van de bewezenverklaring van de feiten 1 tot en met 4 verwijs ik naar de gepubliceerde versie van het arrest van het hof. Kort gezegd is onder 1 bewezenverklaard dat de verdachte leiding heeft gegeven aan een organisatie die tot oogmerk had het plegen van misdrijven inzake overtreding van de wet op de kansspelen. Onder 2, 3 en 4 is bewezenverklaard het – in verschillende hoedanigheden – gewoontewitwassen van de inkomsten uit illegale online kansspelen.

De overwegingen van het hof

5.5

Het hof heeft na de verwerping van het beroep op verjaring (zie middel 1) ten aanzien van het beroep op doorwerking van de verjaring van feit 13 als volgt overwogen:

Doorwerking verjaring in andere tenlastegelegde feiten

Voor zover de verdediging op gronden zoals gevoerd in de pleitnota’s nog heeft aangevoerd dat de verjaring van de tenlastegelegde overtreding van de Wet op de Kansspelen doorwerking vindt in de andere tenlastegelegde feiten, behoeven deze gelet op het vorengaande geen bespreking meer.”

5.6

Met betrekking tot de feiten 1, 2, 3 en 4 heeft het hof – voor zover hier relevant – het volgende in zijn arrest opgenomen:

“Witwassen (zaaksdossiers 02A-B-C-D-F-K, feiten 2 en 3)

Uit misdrijf afkomstig

Het hof heeft in navolging van de rechtbank vastgesteld dat in de tenlastegelegde periode op de websites [internetsite 1] , [internetsite 2] ,

[internetsite 3] , [internetsite 4] , [internetsite 5] , [internetsite 7] en [internetsite 6] , kansspelen werden aangeboden, gericht op en toegankelijk voor Nederlandse consumenten. Het via internet opzettelijk aanbieden van kansspelen in Nederland is een misdrijf op grond van de Wok en de WED. Inkomsten die daarmee worden gegenereerd, zijn dus van misdrijf afkomstig.

(…)

Witwassen (zaaksdossiers 02G-I-L-M, feit 4)

(…)

Witwassen € 536.876,- van [C] via [S] en/of [medeverdachte 1] (in privé) en/of [verdachte] in privé (zaaksdossier 02-G)

(…)

Uit misdrijf afkomstig

(…)

Gelet op het voorgaande stelt het hof, met de rechtbank, vast dat het geldbedrag van € 536.876,- afkomstig is van creditcardbetalingen door spelers die gebruik maakten van de aangeboden online kansspelen in Nederland en dus dat dit geldbedrag uit misdrijf afkomstig was.

(…)

Witwassen € 4.1 miljoen van [E] via [T] ( [T] ) (zaaksdossier 02-L)

(…)

Uit misdrijf afkomstig

Gelet op wat het hof reeds hiervoor in het kader van zaaksdossier 1, overtreding van de Wok heeft vastgesteld, in combinatie met hof reeds heeft vastgesteld in het kader van het witwassen van de zaaksdossier A-B-C-F, stelt het hof, met de rechtbank, vast dat het geldbedrag van € 4.147.581,- dat [E] aan [T] heeft betaald, afkomstig was uit het aanbieden van online kansspelen in Nederland en daarmee dat dit bedrag afkomstig was uit enig misdrijf.

(…)

Witwassen € 2.2 miljoen ontvangen via (Stichting Derdengelden) Buckaroo door [M] (zaaksdossier 02-M)

(…)

Uit misdrijf afkomstig

De betalingen van [M] aan [L] zijn gedaan via bij Buckaroo aangehouden accounts. Met betrekking tot de vraag waar het geld op de accounts bij Buckaroo vandaan kwam, verwijst het hof naar wat hierover is vastgesteld in het kader van de bespreking van zaaksdossier 1, het overtreden van de Wok, en de zaaksdossiers 02A-B-C-F en dan in het bijzonder wat is vastgesteld met betrekking tot Buckaroo . Aan de hand hiervan stelt het hof, met de rechtbank, vast dat het geld op de accounts bij Buckaroo afkomstig was van het aanbieden van online kansspelen in Nederland en dat dit geld dus afkomstig was uit misdrijf.

(…)

Criminele organisatie (zaaksdossier 03, feit 1)

(…)

Beoordeling: criminele organisatie

Het hof is verder van oordeel dat de hiervoor omschreven organisatie vanaf het begin (vanaf 2004) het oogmerk (het doel) had het aanbieden van online kansspelen in Nederland en daarmee het opzettelijk overtreden van de Wok. Het hof stelt vast dat het oogmerk op het aanbieden van online kansspelen in Nederland in strijd met de wet een crimineel oogmerk was. Het hof verwijst in dit kader naar wat hiervoor is overwogen met betrekking tot de organisatie en ook naar wat is vastgesteld in het kader van de overtreding van de Wok.”

De toelichting op het tweede en het derde middel

5.7

In de toelichting op het tweede en derde middel wordt opgemerkt dat de cassatieklachten uit dit middel voortbouwen op de verjaring van feit 13. Verwezen wordt naar hetgeen in hoger beroep is aangevoerd met betrekking tot de doorwerking van de verjaring voor de feiten 1, 2, 3 en 4. Kort gezegd is ten aanzien van de witwasfeiten (feiten 2, 3 en 4) aangevoerd dat uit HR 9 december 2008, ECLI:NL:HR:2008:BF5557 niet kan worden afgeleid dat de verjaring van het gronddelict in geen geval aan een veroordeling voor witwassen in de weg staat en dat een dergelijke uitleg ook strijd zou opleveren met de onschuldpresumptie uit art. 6 lid 2 EVRM. Ten aanzien van de deelneming aan een criminele organisatie (feit 1) is in hoger beroep, kort gezegd, aangevoerd dat het arrest van 7 december 2004, ECLI:NL:HR:2004:AP8460 niet zonder meer doorwerking van verjaring van gronddelicten op de deelneming aan een criminele organisatie uitsluit, aangezien de Hoge Raad daarin ruimte laat voor bijzondere omstandigheden die alsnog de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie mee kunnen brengen, en dat in dit geval sprake is van zo’n bijzondere omstandigheid omdat in het onder 1 tenlastegelegde uitsluitend het Wok-feit de deelnemingshandeling constitueert. Het hof heeft op deze verweren niet beslist op de grond dat feit 13 niet is verjaard. Gelet op al het voorgaande zijn ’s hofs (impliciete) oordelen onjuist, onbegrijpelijk en/of ontoereikend gemotiveerd. Daaraan wordt toegevoegd dat nu in cassatie feit 13 volledig is verjaard, de beslissingen van het hof ten aanzien van de feiten 1, 2, 3 en 4 geheel dienen te worden vernietigd, aldus de stellers van het middel.

Het beoordelingskader bij het tweede en derde middel

5.8

Uit het arrest van 7 december 2004, ECLI:NL:HR:2004:AP8460, NJ 2005/71 m.nt. T.M. Schalken (ook wel bekend als de Clickfondszaak), waarnaar de stellers van het middel in de toelichting op het derde middel verwijzen, is het volgende van belang. Het hof had het openbaar ministerie in die zaak niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging voor de tenlastegelegde deelneming aan een criminele organisatie omdat de door de criminele organisatie beoogde misdrijven niets anders behelsden dan strafbare feiten die wegens verjaring niet meer als zelfstandige feiten konden worden vervolgd. De Hoge Raad casseerde op dit punt en overwoog:

“7.3 Het oordeel van het Hof vindt geen steun in het recht. Art. 140 Sr bevat de omschrijving van een zelfstandig misdrijf, te weten — kort gezegd — de deelneming aan een criminele organisatie, met een eigen strafbedreiging die niet afhankelijk is van de straf die is bedreigd ter zake van de door de organisatie beoogde misdrijven. Voor art. 140 Sr vloeit uit de wet de termijn voor de verjaring van het recht tot vervolging rechtstreeks voort. Niet van belang is dus de vraag of de door de organisatie beoogde misdrijven, voorzover deze ook zijn begaan, zijn verjaard, maar of dat het geval is ten aanzien van de deelnemingshandelingen van het desbetreffende lid van de organisatie. Bijzondere omstandigheden die niettemin aan de ontvankelijkheid van de Officier van Justitie in zijn vervolging voor wat betreft het door het Hof bedoelde onderdeel van feit 3 in de weg zouden kunnen staan, zijn voorts niet vastgesteld of aangevoerd.”

5.9

De Hoge Raad wees de mogelijkheid van doorwerking van verjaring in zoverre dus van de hand. Reden daarvoor is, zo begrijp ik het arrest, dat er bij de strafbaarstelling van deelneming aan een criminele organisatie geen sprake is van conditionele strafwaardigheid. Het betreft geen strafverzwaringsgrond of een feit waarvoor een accessoriteitsvereiste geldt; het is een zelfstandig strafbaar feit. Om tot een bewezenverklaring van het delict uit art. 140 Sr te komen is bovendien niet vereist dat een misdrijf is begaan en er hoeven zelfs nog geen voorbereidingen te zijn getroffen. Het gaat in deze bepaling – kortom – niet om het daadwerkelijk gepleegd zijn van misdrijven, maar het gaat om het oogmerk tot het plegen van misdrijven. Verjaring van misdrijven die in het verband van de criminele organisatie daadwerkelijk zijn begaan speelt dus geen rol bij de beoordeling van de ontvankelijkheid van de officier van justitie of het bewijs van een tenlastegelegde deelneming aan een criminele organisatie.

5.10

In lijn met het arrest uit 2004 is HR 9 december 2008, ECLI:NL:HR:2008:BF5557, NJ 2009, 147 m.nt. M.J. Borgers, het andere arrest waaraan door de stellers van het middel wordt gerefereerd en dat gaat over de doorwerking van verjaring van gronddelicten in witwassen. De Hoge Raad oordeelde in dit arrest uit 2008 dat de opvatting dat misdrijven die zijn gepleegd voor de inwerkingtreding van de artikelen 420bis, 420ter en 420quater Sr en die mogelijk voor of na die datum zijn verjaard, niet als ‘enig misdrijf’ in de zin van die bepalingen kunnen gelden, onjuist is., Hoewel het een kort arrest betreft, is het duidelijk waarom de Hoge Raad tot deze beslissing komt, zeker gelet op de inhoud van het arrest van 2004. Ook Borgers schrijft in zijn noot bij dit arrest dat het niet moeilijk te berenedeneren is wat de achterliggende redenen zijn voor de beslissing van de Hoge Raad. Als een verdachte wordt vervolgd wegens witwassen, dan ziet die vervolging op de witwasgedraging, niet op het gronddelict. Het gronddelict is ‘slechts’ van belang voor de bepaling van het voorwerp dat wordt witgewassen. Voor het bewijs van witwassen is het ook niet nodig dat nauwkeurig komt vast te staan door wie, wanneer en waar het gronddelict is begaan. Nu vervolging wegens witwassen moet worden onderscheiden van vervolging wegens het gronddelict, kan verjaring van het gronddelict geen vervolgingsbeletsel vormen in relatie tot het witwassen, aldus Borgers.

De bespreking van het tweede en derde middel

5.11

Het tweede en derde middel gaan uit van het slagen van het eerste middel en houden in de kern in dat het oordeel van het hof, inhoudende dat de doorwerking van de verjaring van feit 13 in de feiten 1, 2, 3 en 4 geen bespreking behoeft aangezien feit 13 in hoger beroep nog niet was verjaard, onjuist dan wel onbegrijpelijk of ontoereikend gemotiveerd is aangezien dat feit wel degelijk was verjaard.

5.12

Uit mijn bespreking van de eerste en tweede deelklacht van het eerste middel volgt dat het oordeel van het hof dat feit 13 in hoger beroep nog niet was verjaard in stand kan blijven. Dat betekent dat het hof inderdaad niet in hoefde te gaan op hetgeen in hoger beroep is aangevoerd met betrekking tot de eventuele doorwerking van de verjaring van feit 13. Het tweede en derde middel falen dus in zoverre.

5.13

Hoewel de stellers van het middel met hun klachten uit het tweede en derde middel en de toelichting daarop het oordeel van het hof als uitgangspunt nemen, eindigen zij de toelichting met de opmerking dat feit 13 in ieder geval in cassatie volledig is verjaard, zodat de beslissingen van het hof ten aanzien van feit 1, 2, 3 en 4 niet in stand kunnen blijven en geheel moeten worden vernietigd, dit overigens zonder nadere toelichting. De vraag die resteert is of de thans absolute verjaring van feit 13 in deze fase van het strafproces nog gevolgen heeft voor de veroordeling door het hof voor de feiten 1 tot en met 4.

5.14

De jurisprudentie van de Hoge Raad is helder. Verjaring van een gronddelict staat niet in de weg aan een vervolging of het gebruik voor het bewijs van dat gronddelict voor witwassen. Hetzelfde geldt voor verjaring van (daadwerkelijk gepleegde) delicten waarop het oogmerk van een criminele organisatie ziet. Wie handelingen begaat zoals omschreven in de witwasbepalingen of in art. 140 Sr, pleegt een nieuw strafbaar feit. Het hof heeft de vaststellingen gedaan die nodig zijn voor de bewezenverklaring van het bestanddeel ‘afkomstig uit enig misdrijf’ en voor het crimineel oogmerk. Dat het witwassen betrekking heeft op geldbedragen (of andere voorwerpen) die zijn voortgekomen uit een delict dat op later zou zijn verjaard, maakt dat niet anders. Ook verjaring van strafbare feiten die in het kader van een criminele organisatie zijn gepleegd, doet niet af aan de strafbaarheid van de deelneming aan die organisatie. Ik zie (zeker niet zonder nadere toelichting) niet in waarom van het voorgaande zou moeten worden afgeweken in het geval de verjaring intreedt nadat het hof arrest heeft gewezen en hoe dat gevolgen zou moeten hebben voor bewezenverklaringen van andere feiten.

5.15

Het tweede en het derde middel falen.

6 Het vierde middel

6.1

Het vierde middel richt zich tegen de verwerping door het hof van het verweer strekkende tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie wegens schending van het vertrouwensbeginsel. Het middel valt uiteen in negen deelklachten.

Hetgeen in hoger beroep is aangevoerd

6.2

Ter terechtzitting in hoger beroep van 1 december 2023 (bij pleidooi) en 4 december 2023 (bij dupliek) hebben de raadslieden van de verdachte het hof verzocht om het openbaar ministerie niet-ontvankelijk te verklaren in de vervolging wegens een schending van het vertrouwensbeginsel.

6.3

Daartoe is door de verdediging in de kern het volgende aangevoerd. Door de verdediging wordt niet ter discussie gesteld dat in de tenlastegelegde pleegperiode (en daarna) sprake was van een verbod op het aanbieden van (online) kansspelen zonder vergunning, en evenmin dat de verdachte van het verbod op de hoogte was. Er is echter voor 1 april 2012 (de oprichtingsdatum van de Kansspelautoriteit, hierna: Ksa) nooit iemand strafrechtelijk aangesproken op het zonder vergunning aanbieden van online kansspelen. Een bestendige praktijk, die jarenlang voortduurt, is volgens de verdediging bij uitstek geschikt om tot gerechtvaardigd vertrouwen te leiden. Dat vertrouwen werd bevestigd en versterkt in gesprekken die in aanloop naar de oprichting van de Ksa plaatsvonden tussen de overheid en kansspelaanbieders, waarna het voor een ieder duidelijk was dat niet zou worden opgetreden tegen het aanbieden van kansspelen via het internet, zolang het aanbod zich niet al te opzichtig op de Nederlandse markt zou richten. Het vertrouwen werd wederom verstevigd door en na oprichting van de Ksa op 1 april 2012. In de eerste plaats omdat de wetgever kenbaar maakte dat het primaat van de handhaving van illegale kansspelen niet bij het strafrecht zou liggen, maar bij het bestuursrecht. En voorts omdat aan aanbieders die niet voldeden aan door de Ksa opgestelde prioriteringscriteria, kenbaar werd gemaakt dat (voorlopig) niet opgetreden zou worden door de Ksa. Bij brief van 22 januari 2013 heeft de Ksa schriftelijk bevestigd dat de websites van [C] niet langer aan de prioriteringscriteria voldeden, met de toevoeging dat tegen [C] voorlopig niet zou worden opgetreden.

6.4

De verdediging merkt op dat voornoemde (en andere) uitlatingen “misschien niet uit de mond van een vertegenwoordiger van het openbaar ministerie zijn opgetekend”, maar wel uit de mond van de wetgever – terwijl een ieder er vanuit mag gaan dat het openbaar ministerie zich niet distantieert van de wet of van de wetgever. De uitlatingen waaraan de verdachte het vertrouwen ontleende dat niet zou worden gehandhaafd zijn daarnaast afkomstig van de Ksa, die publiekelijk is neergezet en ook zichzelf heeft geafficheerd als dé handhaver van de Wet op de kansspelen. Dat het openbaar ministerie, dat met die uitlatingen van de wetgever en van de Ksa bekend was, bovendien op geen enkel moment publiekelijk of in directe communicatie met aanbieders van online kansspelen een voorbehoud heeft gemaakt, brengt mee dat alle uitlatingen op dit terrein mede aan het openbaar ministerie kunnen worden toegerekend.

6.5

De verdediging concludeert dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk behoort te worden verklaard in de vervolging, omdat sprake is van een uitzonderlijk geval waarin het instellen of voortzetten van de vervolging in strijd was (en: is) met beginselen van een goede procesorde. Dat verweer heeft betrekking op alle aan de verdachte tenlastegelegde feiten, voor zover die in hoger beroep nog aan de orde zijn. Dat het verweer zo’n omvangrijk bereik heeft, is de consequentie van de vaststelling van de verdediging dat alle beschuldigingen aan het adres van de verdachte een afgeleide zijn van de gestelde overtredingen van de Wet op de kansspelen.

6.6

Ik merk hier ook nog op dat bij dupliek door de verdediging is aangevoerd:

“Het klopt dat de KSA niet spreekt namens het Openbaar Ministerie. Maar er is ook een persbericht gemaakt, het is in de Tweede Kamer besproken en de staatssecretaris heeft het publiek gemaakt.”

De overwegingen van het hof

6.7

Het hof heeft het verweer verworpen en daartoe het volgende overwogen (met overneming van voetnoten):


“Regelgeving

De delictsomschrijving in de Wok luidde – voor zover thans van belang – in de tenlastegelegde periode als volgt:

Behoudens het in Titel Va van deze wet bepaalde is het verboden: gelegenheid te geven om mede te dingen naar prijzen of premies, indien de aanwijzing der winnaars geschiedt door enige kansbepaling waarop de deelnemers in het algemeen geen overwegende invloed kunnen uitoefenen, tenzij daarvoor ingevolge deze wet vergunning is verleend.

Juridisch kader

Het hof stelt met de rechtbank voorop dat in artikel 167, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering aan het Openbaar Ministerie de bevoegdheid is toegekend zelfstandig te beslissen of naar aanleiding van een ingesteld opsporingsonderzoek vervolging moet plaatsvinden. De beslissing van het Openbaar Ministerie om tot vervolging over te gaan, leent zich slechts in zeer beperkte mate voor een inhoudelijke rechterlijke toetsing in die zin dat slechts in uitzonderlijke gevallen plaats is voor een niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de vervolging op de grond dat het instellen of voortzetten van die vervolging onverenigbaar is met beginselen van een goede procesorde.

Zo’n uitzonderlijk geval doet zich voor wanneer de vervolging wordt ingesteld of voortgezet nadat door het Openbaar Ministerie gedane, of aan het Openbaar Ministerie toe te rekenen uitlatingen (of daarmee gelijk te stellen gedragingen) bij de verdachte het gerechtvaardigde vertrouwen hebben gewekt dat niet (verder) zal worden vervolgd. Aan uitlatingen of gedragingen van functionarissen aan wie geen bevoegdheden in verband met de vervolgingsbeslissing zijn toegekend, kan zulk gerechtvaardigd vertrouwen dat (verdere) vervolging achterwege zal blijven in de regel niet worden ontleend.

Een uitzonderlijk geval als zojuist bedoeld, doet zich ook voor wanneer de vervolging wordt ingesteld of voortgezet terwijl geen redelijk handelend lid van het Openbaar Ministerie heeft kunnen oordelen dat met (voortzetting van) de vervolging enig door strafrechtelijke handhaving beschermd belang gediend kan zijn. In het geval van een zodanige, aperte onevenredigheid van de vervolgingsbeslissing is de (verdere) vervolging onverenigbaar met het verbod van willekeur (het beginsel van een redelijke en billijke belangenafweging). Aan het oordeel dat het Openbaar Ministerie om deze reden in de vervolging van een verdachte niet-ontvankelijk moet worden verklaard, worden zware motiveringseisen gesteld.

(…)

Beoordeling

● Inleiding

Het hof ziet aanleiding om bij de beoordeling van het verweer onderscheid te maken in de periode vóór de oprichting van de Ksa op 1 april 2012 en de periode daarna. Vóór het bestaan van de Ksa kon immers feitelijk slechts via het strafrecht handhavend worden opgetreden tegen illegaal kansspelaanbod. Met de instelling van de Ksa werd een duaal handhavingssysteem mogelijk, waarbij de Wok niet alleen met het strafrechtelijke instrumentarium, maar ook met bestuursrechtelijke sancties gehandhaafd kon worden. De beoordeling van de verweren dient in onderling verband en samenhang te worden beschouwd. Bij de beoordeling daarvan heeft het hierboven geschetste juridische kader als uitgangpunt te gelden.

● Ad 2a. Schending van het vertrouwensbeginsel?

Periode vóór 1 april 2012

Uit het rapport ‘Nieuwe ronde, nieuwe kansen’ dat op 20 november 2000 aan de Tweede Kamer is aangeboden, blijkt dat vanwege capaciteitsproblemen bij het justitieel apparaat niet altijd werd opgetreden tegen overtredingen van de Wok. Deze situatie werd als ongewenst ervaren. Daarom zijn door het kabinet enkele beleidswijzigingen aangekondigd in de aanpak van illegaal kansspelaanbod. Daarbij is ingezet op een intensivering van de handhaving onder meer door een gecombineerd en integraal handhavingstraject. In dit verband werd medio 2001 onder meer het Projectbureau kansspelen ingesteld.

Het ingezette traject, dat na afkondiging zonder onderbrekingen is voortgezet, heeft geleid tot daadwerkelijke aanpak van (fysiek) kansspelaanbod. Waar het de handhaving van illegaal kansspelaanbod via het internet betreft, zijn brieven aan aanbieders verzonden waarbij zij erop werden gewezen dat de Wok werd overtreden en welke consequenties daaraan verbonden waren en dat strafrechtelijk kon worden opgetreden indien het aanbod van kansspelen niet werd gestaakt. Het resultaat daarvan was dat meer dan de helft van de aan de aangeschreven aanbieders en tussenpersonen gelieerde websites onbereikbaar, niet langer actief, of aangepast waren.

In het dossier Rykiel is een aantal waarschuwingsbrieven opgenomen. Het hof wijst op brieven van het Ministerie van Justitie (Projectbureau kansspelen) gericht aan:

- [verdachte] op 5 februari 2007;

- [C] op 8 september 2008, 12 februari 2009, 2 en 3 maart 2009;

- [D] op 23 december 2009, 11 mei 2010, 30 september 2011, 25 november 2011 en 13 januari 2012.

Het voorgaande brengt naar het oordeel van het hof mee dat geen sprake was van een situatie waaraan de verdachte het gerechtvaardigd vertrouwen kon ontlenen dat er niet door het Openbaar Ministerie zou worden vervolgd. Dergelijk vertrouwen kon ook niet worden ontleend aan ontwikkelingen gericht op een toekomstige liberalisering van de kansspelmarkt, noch aan ontwikkelingen in jurisprudentie van het Europees Hof van Justitie (waaronder het door de verdediging aangehaalde arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 3 juni 2010, zaak C‑203/08, ECLI:EU:C:2010:307 (Sporting Exchange Ltd / ‘Betfair’ tegen Minister van Justitie)), nu deze ontwikkelingen niet zagen op een ongeclausuleerd toestaan van het aanbieden van kansspelen via internet, zonder enige regulering of handhaving van overheidswege. Het gegeven dat, voor zover bekend, geen aanbieders van online kansspelen daadwerkelijk zijn vervolgd, is evenmin voldoende om te kunnen spreken van een situatie waarin het hiervoor bedoelde vertrouwen is gewekt. Er is geen sprake geweest van aan het Openbaar Ministerie toe te rekenen uitlatingen of daarmee gelijk te stellen gedragingen, waaruit de verdachte kon afleiden dat er niet tot vervolging zou worden overgegaan.

Periode na 1 april 2012

Na oprichting van de Ksa is voorrang gegeven aan de aanpak van kansspelen aangeboden op internet. Omwille van capaciteits- en doelmatigheidsredenen heeft de Ksa prioriteringsbeleid opgesteld. Dit beleid houdt in dat aanbieders die zich prominent op de Nederlandse markt richtten het eerst in aanmerking kwamen voor handhaving. Om te bepalen of een aanbieder zich op Nederland richtte, zijn drie prioriteringscriteria ontwikkeld. Indien een aanbieder voldeed aan een of meer van de hierna genoemde criteria, richtte de Ksa zich bij handhaving op deze aanbieder. De focus van de Ksa kwam daarmee te liggen op de aanbieder:

- waarvan de website, waarop het kansspel gespeeld werd, eindigde op .nl en/of

- waarvan de kansspelwebsite in de Nederlandse taal te raadplegen was, en/of

- die reclame maakte via radio, televisie of in geprinte media reclame gericht op de Nederlandse markt.

Over het prioriteringsbeleid is een persbericht uitgebracht. Tevens zijn in 2012 onderzoeken gestart naar illegaal aanbod van kansspelen op internet en zijn verschillende aanbieders – ditmaal door de Ksa – schriftelijk gewaarschuwd. Het hof wijst in dit verband op de brief gericht aan [D] d.d. 8 juni 2012. In deze brief is duidelijk uiteengezet wat het prioriteringsbeleid inhield. Voorts zijn in 2013 twee bedrijven die online kansspelen aanboden daadwerkelijk door de Ksa beboet, hetgeen bij openbaar boetebesluit bekend is gemaakt.

Het hof concludeert dat geen sprake was van een door de Ksa gevoerd gedoogbeleid en dat ook aanbieders die niet (meer) onder de prioriteringscriteria vielen, niet zonder meer gevrijwaard waren van handhavend optreden. De omstandigheid dat de kans op handhaving kleiner is, omdat een aanbieder van online kansspelen zonder vergunning niet (meer) aan de prioriteringscriteria voldoet, maakt van het prioriteringsbeleid nog geen gedoogbeleid.

Dat aanbieders, als onderdeel van het gevoerde prioriteringsbeleid, een termijn werd gegund om aan de gestelde criteria te voldoen en dat aanbieders op de hoogte zouden worden gebracht van wijzigingen in die criteria, maakt dat niet anders.

Dat er sprake zou zijn van gedogen, kan evenmin worden afgeleid uit de omstandigheid dat de Ksa – op aanvraag – brieven heeft verstrekt aan aanbieders van online kansspelen, waarin onder meer werd medegedeeld dat zij niet (langer) voldeden aan de prioriteringscriteria. Ook aan [D] is via [betrokkene 9] een dergelijke brief, gedateerd 22 januari 2013, verstrekt. Door de verdediging is betoogd dat deze brief als ‘gedoogbrief’ moet worden aangemerkt. Naar het oordeel van het hof was van een ‘gedoogbrief’ geen sprake, nu in die brief tevens is opgenomen de zinsnede: ‘Kansspelaanbieders, die niet langer voldoen aan deze prioriteringscriteria, zijn daarmee niet legaal. Tegen deze aanbieders zal slechts in het kader van de prioriteitstelling (voorlopig) niet opgetreden worden.’ Derhalve kon ook hieraan niet een gerechtvaardigd vertrouwen worden ontleend dat handhaving niet zou plaatsvinden, laat staan dat dat vertrouwen zich zou kunnen uitstrekken tot handhavingsbeslissingen van andere instanties dan de Ksa, zoals het Openbaar Ministerie.

Dat sprake zou zijn van een bestuurlijk gedoogbeleid kan ook niet worden afgeleid uit de contacten die de Ksa onderhield met vertegenwoordigers van de kansspelindustrie. Deze contacten – in de vorm van georganiseerde bijeenkomsten en workshops – vonden in het licht van het wetsvoorstel Kansspelen op afstand plaats. Daarbij werd slechts – al dan niet op verzoek van verscheidene aanbieders zelf – van gedachten gewisseld over de toekomstige wetgeving en de mogelijkheden van het aanbieden van online gokspellen in Nederland. Er zijn daarbij – in lijn met het gevoerde prioriteringsbeleid – geen toezeggingen gedaan, waaruit kon of mocht worden afgeleid dat er nimmer handhavend zou worden opgetreden. Daarbij merkt het hof nog op dat een algeheel verbod op kansspelen zonder vergunning ook na eventuele wetswijziging het uitgangspunt blijft. Het wetsvoorstel Kansspelen op afstand beoogt slechts het reguleren van kansspelen op afstand (via internet) en het verder moderniseren van het kansspelbeleid.

Bovendien is, in de periode na de bevestigingsbrief van 22 januari 2013, nimmer (volledig) aan de prioriteringscriteria voldaan. Bij controle van enkele websites is immers geconstateerd dat na het verkrijgen van die brief verschillende websites weer of nog steeds in de Nederlandse taal werden aangeboden, het spelaanbod op de websites was voorzien van keuzeknoppen in de Nederlandse taal en de speluitleggen bij de aangeboden spellen in de Nederlandse taal waren opgesteld. Voor zover er gedoogbeleid zou bestaan, zou dat dus niet kunnen worden ingeroepen.

Ten slotte is niet gebleken dat het voor het vervolgingsbeleid verantwoordelijke overheidsorgaan, het Openbaar Ministerie, in de periode na 1 april 2012, toezeggingen heeft gedaan waaraan de verdachte het gerechtvaardigd vertrouwen kon ontlenen dat vervolging uit zou blijven.

Verklaringen getuigen mr. [getuige 1] en mr. [getuige 2] ter terechtzitting in hoger beroep

Het vorenstaande vindt naar het oordeel van het hof bevestiging in de verklaringen van de ter terechtzitting in hoger beroep gehoorde getuigen mr. [getuige 1] , van 14 oktober 2010 tot 9 maart 2015 staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, belast met onder meer de kansspelportefeuille, en mr. [getuige 2] , advocaat (niet zijnde de raadsman van een van de verdachten), gespecialiseerd in het kansspelrecht.

Beide getuigen zijn uitvoerig gehoord over de vraag of op enig moment sprake is geweest van een (bestuurlijk en/of strafrechtelijk) gedoogbeleid. Uit hun verklaringen blijkt – samengevat – het volgende. In 2011 heeft het toenmalige kabinet, mede ingegeven door (jurisprudentiële) ontwikkelingen binnen de Europese Unie, het voornemen opgevat om de regels omtrent kansspelen wezenlijk te veranderen, onder meer door regulering van de online kansspelmarkt. Bij de gedachtevorming daarover zijn welwillende aanbieders van kansspelen, dat wil zeggen aanbieders van kansspelen die bereid waren zich aan de regels te houden, betrokken. In dit verband hebben vanaf 2011 gesprekken plaatsgevonden tussen de staatssecretaris en/of ambtenaren van het Ministerie van Veiligheid en Justitie en/of medewerkers van de Ksa (in oprichting) enerzijds en welwillende aanbieders van kansspelen anderzijds. Een en ander heeft uiteindelijk geresulteerd in het wetsvoorstel Kansspelen op afstand.

Tijdens die gesprekken is aan de orde gekomen dat als aanbieders van kansspelen zich tijdens de transitiefase naar de inwerkingtreding van de Wet op de kansspelen zouden houden aan de voorwaarden dat geen kansspelen zouden worden aangeboden in de Nederlandse taal en er geen (grootschalige) reclame zou worden gemaakt voor die kansspelen, zij na de inwerkingtreding van die wet zouden kunnen meedingen naar een vergunning. Tegen aanbieders van online kansspelen die zich aan deze voorwaarden hielden zou door het (Bureau Kansspelen van het) Ministerie van Veiligheid en Justitie terughoudend bestuurlijk worden gehandhaafd.

Na de instelling van de Ksa op 1 april 2012 zijn er prioriteringscriteria opgesteld. Naast de twee genoemde voorwaarden kwam er een derde: de websites van de op internet aangeboden kansspelen mochten niet de extensie ‘.nl’ hebben. Aanbieders van online kansspelen die zich conformeerden aan deze criteria zouden geen prioriteit krijgen bij de bestuurlijke handhaving door de Ksa. Het primaat van de handhaving lag namelijk bij de Ksa.

Het Openbaar Ministerie is door de staatssecretaris op de hoogte gesteld van voormeld beleid, maar het Openbaar Ministerie heeft niet toegezegd dat het zich aan dat beleid zou conformeren en met het Openbaar Ministerie is ook niet de afspraak gemaakt dat er niet strafrechtelijk zou worden vervolgd.

Uit de verklaringen van de beide getuigen blijkt voorts dat op geen enkel moment van de zijde van de staatssecretaris, de betrokken ambtenaren van het Ministerie van Veiligheid en Justitie, medewerkers van de Ksa (in oprichting) en/of het Openbaar Ministerie de uitdrukkelijke toezegging is gedaan dat aanbieders van online kansspelen niet strafrechtelijk zouden worden vervolgd, ook niet als zij zich zouden houden aan de gestelde voorwaarden en – na 1 april 2012 – de prioriteringscriteria.

Kortom, uit de verklaringen van deze twee getuigen blijkt niet dat vervolging is ingesteld of voortgezet nadat door het Openbaar Ministerie gedane of aan het Openbaar Ministerie toe te rekenen uitlatingen (of daarmee gelijk te stellen gedragingen) bij de verdachte en/of de medeverdachten het gerechtvaardigde vertrouwen hebben gewekt dat niet (verder) zal worden vervolgd. Het hof merkt hierbij op dat het Openbaar Ministerie niet heeft deelgenomen aan de genoemde gesprekken en dat als er al door de staatssecretaris, de betrokken ambtenaren van het Ministerie van Veiligheid en Justitie en/of medewerkers van de Ksa (in oprichting) uitlatingen (of daarmee gelijk te stellen gedragingen) zouden zijn gedaan met de strekking dat niet (verder) strafrechtelijk zou worden vervolgd, aan dergelijke uitlatingen (of gedragingen) niet het gerechtvaardigd vertrouwen kan worden ontleend dat (verdere) vervolging achterwege zal blijven, omdat aan deze functionarissen geen bevoegdheden in verband met de vervolgingsbeslissing zijn toegekend. Wel had de Minister van Veiligheid en Justitie op grond van het bepaalde in art. 127 van de Wet op de rechterlijke organisatie een bijzondere aanwijzing aan het Openbaar Ministerie kunnen geven tot het niet (verder) vervolgen, maar van die bevoegdheid is geen gebruik gemaakt.

Van schending van het vertrouwensbeginsel is daarom geen sprake.

De persoonlijke opvatting van de [getuige 1] , dat aanbieders van online kansspelen die zich tijdens de transitiefase hielden aan de voorwaarden en later de prioriteringscriteria er op basis van de gesprekken op mochten vertrouwen dat niet bestuurlijk en strafrechtelijk zou worden gehandhaafd, maakt dit oordeel niet anders.”

Het juridisch kader bij het vierde middel

6.8

Bij de beoordeling van de klachten is het juridisch kader zoals door de Hoge Raad weergegeven in een arrest van 26 april 2016 van belang:

“3.2. Bij de beoordeling van de middelen moet worden vooropgesteld dat in art. 167, eerste lid, Sv aan het Openbaar Ministerie de bevoegdheid is toegekend zelfstandig te beslissen of naar aanleiding van een ingesteld opsporingsonderzoek vervolging moet plaatsvinden. De beslissing van het Openbaar Ministerie om tot vervolging over te gaan leent zich slechts in zeer beperkte mate voor een inhoudelijke rechterlijke toetsing in die zin dat slechts in uitzonderlijke gevallen plaats is voor een niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de vervolging op de grond dat het instellen of voortzetten van die vervolging onverenigbaar is met beginselen van een goede procesorde. (vgl. HR 6 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX4280, NJ 2013/109).

Zo'n uitzonderlijk geval doet zich voor wanneer de vervolging wordt ingesteld of voortgezet nadat door het Openbaar Ministerie gedane, of aan het Openbaar Ministerie toe te rekenen, uitlatingen (of daarmee gelijk te stellen gedragingen) bij de verdachte het gerechtvaardigde vertrouwen hebben gewekt dat hij niet (verder) zal worden vervolgd. Aan uitlatingen of gedragingen van functionarissen aan wie geen bevoegdheden in verband met de vervolgingsbeslissing zijn toegekend, kan zulk gerechtvaardigd vertrouwen dat (verdere) vervolging achterwege zal blijven evenwel in de regel niet worden ontleend (vgl. HR 8 mei 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW5002).

Een uitzonderlijk geval als zojuist bedoeld doet zich ook voor wanneer de vervolging wordt ingesteld of voortgezet terwijl geen redelijk handelend lid van het Openbaar Ministerie heeft kunnen oordelen dat met (voortzetting van) de vervolging enig door strafrechtelijke handhaving beschermd belang gediend kan zijn. In het geval van een zodanige, aperte onevenredigheid van de vervolgingsbeslissing is de (verdere) vervolging onverenigbaar met het verbod van willekeur (dat in de strafrechtspraak in dit verband ook wel wordt omschreven als het beginsel van een redelijke en billijke belangenafweging). Aan het oordeel dat het Openbaar Ministerie om deze reden in de vervolging van een verdachte niet-ontvankelijk moet worden verklaard dienen zware motiveringseisen te worden gesteld. (Vgl. HR 2 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:7, NJ 2013/563.)”

6.9

Voor wat betreft de toepassing van het vertrouwensbeginsel wijs ik op een aantal uitspraken van de Hoge Raad. In de zaak die leidde tot HR 17 december 1985, NJ 1986/591 m.nt. Th.W. van Veen werd het bedrijf DSM vervolgd wegens overtreding van de Wet chemische afvalstoffen. Het bedrijf zou melamineslik hebben gestort in een zuurteervijver en aldus afvalstoffen in of op de bodem hebben gebracht. Het hof stelde vast dat de verdachte een ontheffing had aangevraagd van het verbod tot het verrichten van de in de Wet chemische afvalstoffen verboden handelingen. De minister van Volksgezondheid en Milieuhygiëne had daarop afwijzend beslist. Deze beschikking werd op 1 december 1981 aan de verdachte toegezonden. De beschikking hield onder meer in dat zij van kracht werd zodra de beslissing op het beroepschrift onherroepelijk was geworden. De verdachte stelde beroep in tegen de beschikking. Van overheidswege werd bij of na voormelde brief van 1 december 1981 en voor de periode waarop de tenlastelegging betrekking heeft geen bezwaar gemaakt tegen storting van melamineslik in de in de tenlastelegging genoemde zuurteervijver. Dat leidde het hof tot het oordeel “dat dit beleid, zoals de verdachte dit mocht opvatten, een voor geen misverstand vatbare en onvoorwaardelijke toezegging van de minister of staatssecretaris van Volksgezondheid en Milieuhygiene inhield dat gedurende de periode dat het beroep tegen de afwijzende beschikking nog hangende was, dat wil zeggen in de in de telastelegging onder 1 primair genoemde periode, tegen voortzetting van de door de Wet chemische afvalstoffen verboden stortingen 'geen stappen zouden worden ondernomen, zolang niet van het tegendeel blijk werd gegeven'.” Daaraan verbond het hof de conclusie dat de officier van justitie niet kon worden ontvangen in zijn vervolging ten aanzien van dit feit, aangezien een strafvervolging onder deze omstandigheden niet verenigbaar is met – kort gezegd – het vertrouwensbeginsel. De Hoge Raad achtte het tegen dit oordeel gerichte middel van de procureur-generaal bij het hof gegrond:

5.2.2.

Immers, ook indien moet worden aangenomen, gelijk het hof klaarblijkelijk doet, dat in vorenbedoelde toezegging van de minister of staatssecretaris van Volksgezondheid en Milieuhygiene een belofte besloten ligt dat tegen de verdachte ter zake geen strafvervolging zal worden ingesteld, gaat het hof uit van de onjuiste opvatting dat een dergelijke toezegging van een niet voor het strafvervolgingsbeleid verantwoordelijk overheidsorgaan het vertrouwen zou vermogen te rechtvaardigen dat het OM zou zijn verstoken van het recht om ter zake alsnog tot strafvervolging tegen de verdachte over te gaan.”

6.10

In de zaak die leidde tot HR 9 april 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD8737, NJ 2002/535 m.nt. Y. Buruma werd de verdachte verweten dat hij zonder een daartoe verleende vergunning een inrichting voor het opslaan en/of overslaan van gevaarlijke stoffen in werking had. Omdat aan de verdachte door de burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam wel een gedoogbeschikking was verleend, oordeelde het hof dat niet kon worden bewezen dat de verdachte zonder een aan haar verleende vergunning had gehandeld. Naar aanleiding van een hiertegen gerichte cassatieklacht overwoog de Hoge Raad:

“5.2 Een gedoogbeschikking houdt in dat het orgaan dat de gedoogbeschikking afgeeft gedurende een bepaalde periode onder voorwaarden afziet van het gebruik maken van de bevoegdheid om bestuursrechtelijke handhavingsmiddelen te hanteren. Deze enkele omstandigheid rechtvaardigt niet het vertrouwen dat het openbaar ministerie zal afzien van de hem ingevolge art. 167, eerste lid, Sv toekomende zelfstandige beslissingsbevoegdheid om tot strafvervolging over te gaan van degene die, hoewel handelend overeenkomstig een hem verleende gedoogbeschikking, een inrichting in werking heeft zonder een vergunning als bedoeld in de Wet milieubeheer. Het oordeel van het Hof, dat inhoudt dat het ook voor de strafrechtelijke handhaving geen verschil maakt of men een gedoogbeschikking dan wel een milieuvergunning heeft, geeft dan ook blijk van een onjuiste rechtsopvatting.”

6.11

In zijn noot onder het arrest schrijft Buruma dat het sinds het in randnummer 6.9 genoemde arrest vaste rechtspraak is “dat een toezegging van een niet voor het strafvervolgingsbeleid verantwoordelijk overheidsorgaan het vertrouwen niet vermag te rechtvaardigen dat het OM zou zijn verstoken van het recht om tot strafvervolging over te gaan. De vraag of het OM tot vervolging mag overgaan staat dus los van het al dan niet gedogen door niet voor de strafvervolging verantwoordelijke autoriteiten.”

6.12

Dan zijn er nog de uitspraken van de Hoge Raad over coffeeshop Checkpoint. Uit de conclusie van A-G Machielse voorafgaand aan HR 2 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:7, NJ 2013/563 m.nt. P.H.P.H.M.C. van Kempen leid ik af dat coffeeshop Checkpoint, op enig moment de grootste coffeeshop van het land, sinds 1995 werd gedoogd. Die bestuursrechtelijke beslissing was jarenlang onderwerp van gesprek in het lokale driehoeksoverleg. Op enig moment is door het openbaar ministerie besloten strafvervolging in te stellen wegens overtreding van de gedoogvoorwaarden. Het hof verklaarde het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging van de verdachte wegens schending van het vertrouwensbeginsel en schending van het beginsel van redelijke en billijke belangenafweging. De Hoge Raad casseerde en overwoog onder meer:

“2.5.1. Indien die overwegingen aldus moeten worden begrepen dat daarin tot uitdrukking is gebracht dat de verdachte, die ervan kon uitgaan dat het plaatselijke gezag bekend was met het stelselmatige overtreden van de in de gedoogvergunning gestelde voorwaarden, aan het uitblijven van bestuursrechtelijke en (in de periode vóór 1 juni 2007) strafvorderlijke maatregelen ter beëindiging van die overtredingen het vertrouwen heeft kunnen ontlenen dat hij ter zake van de in strijd met de gedoogvoorwaarden begane misdrijven tegen de Opiumwet niet zou worden vervolgd, heeft het Hof miskend dat zulk uitblijven van handhavend optreden niet op één lijn kan worden gesteld met een door het Openbaar Ministerie gedane, of aan het Openbaar Ministerie toe te rekenen, uitlating als hiervoor in 2.4.2 bedoeld. Dit wordt niet anders door de enkele omstandigheid dat bij het zogenoemde driehoeksoverleg, waarin het plaatselijke coffeeshopbeleid en de gang van zaken bij Checkpoint werden besproken, ook het Openbaar Ministerie was vertegenwoordigd.”

6.13

Na verwijzing verklaarde het hof Amsterdam het openbaar ministerie wederom niet-ontvankelijk in de vervolging van de verdachte ter zake van het onder 1 tenlastegelegde opzettelijk verkopen, afleveren en/of verstrekken van hennep en/of hasjiesj. Die niet-ontvankelijkverklaring berustte – aldus de Hoge Raad – in de kern op het oordeel dat de verdachte en de medeverdachten “het gerechtvaardigd vertrouwen mochten koesteren” dat de gedoogvoorwaarden, zoals opgenomen in de door de burgemeester op 15 november 2005 afgegeven gedoogverklaring, niet werden overtreden en dat het openbaar ministerie wat betreft het opzettelijk verkopen, afleveren en/of verstrekken van hennep en/of hasjiesj dan ook niet tot vervolging zou overgaan. De Hoge Raad casseerde wederom:

“Dit oordeel is niet begrijpelijk, reeds omdat het Hof niet heeft vastgesteld dat dit vertrouwen is gewekt door uitlatingen of daarmee gelijk te stellen gedragingen van het Openbaar Ministerie, dan wel door uitlatingen of daarmee gelijk te stellen gedragingen die aan het Openbaar Ministerie moeten worden toegerekend. De door het Hof genoemde omstandigheden dat de controles op de naleving van de gedoogvoorwaarden zich - op aangeven van de gemeente - beperkten tot de op de verkoopoppervlakte aanwezige handelsvoorraad en dat door de verdachte tevergeefs is getracht duidelijkheid te verkrijgen omtrent de toelaatbaarheid van het aanhouden van voorraad buiten de verkoopoppervlakte alsmede dat de gemeente en het Openbaar Ministerie ermee bekend waren dat een zeer aanzienlijk deel van de klanten vanuit het buitenland naar Terneuzen kwam, en dat het beleid van de gemeente Terneuzen erop gericht was deze stroom van klanten te reguleren, volstaan daartoe niet.”

De bespreking van het vierde middel

6.14

Het vierde middel komt zoals gezegd op tegen de verwerping door het hof van het verweer strekkende tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de strafvervolging wegens schending van het vertrouwensbeginsel.

6.15

Het verweer dat namens de verdachte in hoger beroep is gevoerd is in randnummers 6.3-6.6 samengevat. Ik verwijs daarnaar. Heel kort gezegd komt het erop neer dat 1) vóór 1 april 2012 niemand anders strafrechtelijk is vervolgd voor het aanbieden van kansspelen op internet, 2) de verdachte er (in de aanloop naar en na 1 april 2012) op basis van uitlatingen van de wetgever en Ksa op mocht vertrouwen dat er (voorlopig) niet zou worden opgetreden en 3) deze uitlatingen aan het openbaar ministerie kunnen worden toegerekend omdat het openbaar ministerie bekend was met die uitlatingen van de wetgever en de Ksa en bovendien op geen enkel moment publiekelijk of in directe communicatie met aanbieders van online kansspelen een voorbehoud heeft gemaakt.

6.16

Bij de verwerping van het verweer heeft het hof onderscheid gemaakt tussen de periode vóór de oprichting van de Ksa op 1 april 2012 en de periode daarna. Ten aanzien van de periode vóór 1 april 2012, waarin slechts strafrechtelijke handhaving mogelijk was, heeft het hof overwogen dat vanaf 2000/2001 beleid is ingezet dat heeft geleid tot een intensivering van de handhaving. Die aanpak heeft geleid tot daadwerkelijke aanpak van (fysiek) kansspelaanbod. Aan aanbieders van illegaal kansspelaanbod zijn brieven verzonden waarin erop werd gewezen dat de Wok werd overtreden, welke consequenties daaraan verbonden waren en dat strafrechtrechtelijk kon worden opgetreden indien het aanbod van kansspelen niet werd gestaakt. Het hof wijst in dat kader op waarschuwingsbrieven die in de periode van 2007 tot en met januari 2012 zijn gericht aan de verdachte, [C] en [D] . Dat brengt het hof tot het oordeel dat geen sprake was van een situatie waaraan de verdachte het gerechtvaardigd vertrouwen kon ontlenen dat er niet door het openbaar ministerie zou worden vervolgd. Dergelijk vertrouwen kon ook niet worden ontleend aan ontwikkelingen gericht op een toekomstige liberalisering van de kansspelmarkt of aan ontwikkelingen in de jurisprudentie van het Europees Hof van Justitie. Het gegeven dat er, voor zover bekend, geen andere aanbieders van online kansspelen daadwerkelijk zijn vervolgd, is evenmin voldoende om te kunnen spreken van een situatie waarin het hiervoor bedoelde vertrouwen is gewekt. Het hof concludeert ten aanzien van die periode dat er geen sprake is geweest van aan het openbaar ministerie toe te rekenen uitlatingen of daarmee gelijk te stellen gedragingen, waaruit de verdachte kon afleiden dat er niet tot vervolging zou worden overgegaan.

6.17

Wat betreft de periode na 1 april 2012 heeft het hof vastgesteld dat na oprichting van de Ksa voorrang werd gegeven aan de aanpak van kansspelen aangeboden op internet. Omwille van capaciteits- en doelmatigheidsredenen heeft de Ksa prioriteringsbeleid opgesteld, dat inhield dat aanbieders die zich prominent op de Nederlandse markt richtten het eerst in aanmerking kwamen voor handhaving. Het hof heeft geoordeeld dat dit prioriteringsbeleid geen gedoogbeleid was en dat ook aanbieders die niet (meer) onder de prioriteringscriteria vielen, niet zonder meer waren gevrijwaard van handhavend optreden. Daarvoor gebruikt het hof meerdere argumenten. De omstandigheid dat de kans op handhaving kleiner is, omdat een aanbieder van online kansspelen zonder vergunning niet (meer) voldoet aan de prioriteringscriteria, maakt van het prioriteringsbeleid nog geen gedoogbeleid. Dat aanbieders, als onderdeel van het prioriteringsbeleid, een termijn werd gegund om aan de gestelde criteria te voldoen en dat zij op de hoogte zouden worden gebracht van wijzigingen in die criteria, maakt dat niet anders. Dat sprake was van gedogen kan niet worden afgeleid uit de omstandigheid dat de Ksa – op aanvraag – brieven heeft verstrekt aan aanbieders van online kansspelen waarin onder meer werd medegedeeld dat zij niet (langer) voldeden aan de prioriteringscriteria. De brief van 22 januari 2013 die via [betrokkene 9] aan [D] is verstrekt was naar het oordeel van het hof geen ‘gedoogbrief’, omdat in die brief tevens is opgenomen de zinssnede: “Kansspelaanbieders, die niet langer voldoen aan deze prioriteringscriteria, zijn daarmee niet legaal. Tegen deze aanbieders zal slechts in het kader van de prioriteitsstelling (voorlopig) niet worden opgetreden.” Daarom kon ook hieraan niet een gerechtvaardigd vertrouwen worden ontleend dat handhaving niet zou plaatsvinden, laat staan dat dat vertrouwen zich zou kunnen uitstrekken tot handhavingsbeslissingen van andere instanties dan de Ksa, zoals het openbaar ministerie. Dat sprake was van een gedoogbeleid kan ook niet worden afgeleid uit de contacten die de Ksa onderhield met vertegenwoordigers van de kansspelindustrie. Er zijn daarbij – in lijn met het gevoerde prioriteringsbeleid – geen toezeggingen gedaan, waaruit kon of mocht worden afgeleid dat er nimmer handhavend zou worden opgetreden. Bovendien is – aldus het hof – in de periode na de bevestigingsbrief van 22 januari 2013 door de organisatie van de verdachte nooit (volledig) aan de prioriteringscriteria voldaan, zodat – voor zover er gedoogbeleid zou bestaan – dat dus niet zou kunnen worden ingeroepen. Tenslotte is niet gebleken dat het voor het vervolgingsbeleid verantwoordelijke overheidsorgaan, het openbaar ministerie, in de periode na 1 april 2012 toezeggingen heeft gedaan waaraan de verdachte het gerechtvaardigd vertrouwen kon ontlenen dat vervolging zou uitblijven. Dat vindt naar het oordeel van het hof bevestiging in de verklaringen van de ter terechtzitting in hoger beroep gehoorde getuigen mr. [getuige 1] en mr. [getuige 2] . Uit de verklaringen van deze twee getuigen blijkt niet dat vervolging is ingesteld of voortgezet nadat door het openbaar ministerie gedane of aan het openbaar ministerie toe te rekenen uitlatingen (of daarmee gelijk te stellen gedragingen) bij de verdachte en/of de medeverdachten het gerechtvaardigde vertrouwen hebben gewekt dat niet (verder) zal worden vervolgd. Het hof merkt daarbij nog op dat het openbaar ministerie niet heeft deelgenomen aan gesprekken tussen de staatssecretaris en/of ambtenaren van het ministerie van Veiligheid en Justitie en/of medewerkers van de Ksa (in oprichting) enerzijds en welwillende aanbieders van kansspelen anderzijds en dat als er al door de staatssecretaris, de betrokken ambtenaren van het Ministerie van Veiligheid en Justitie en/of medewerkers van de Ksa (in oprichting) uitlatingen (of daarmee gelijk te stellen gedragingen) zouden zijn gedaan met de strekking dat niet (verder) strafrechtelijk zou worden vervolgd, aan dergelijke uitlatingen (of gedragingen) niet het gerechtvaardigd vertrouwen kan worden ontleend dat (verdere) vervolging achterwege zal blijven, omdat aan deze functionarissen geen bevoegdheden in verband met de vervolgingsbeslissing zijn toegekend. Van schending van het vertrouwensbeginsel is daarom geen sprake, aldus het hof.

De eerste deelklacht

6.18

De eerste deelklacht houdt in dat voor zover in het oordeel van het hof besloten ligt dat voor een gehonoreerd beroep op het vertrouwensbeginsel sprake moet zijn van (aan het openbaar ministerie toe te rekenen) ‘toezeggingen’ of zelfs ‘uitdrukkelijke toezeggingen’, dit oordeel getuigt van een onjuiste rechtsopvatting.

6.19

In de toelichting op de deelklacht wijzen de stellers van het middel op vier overwegingen uit het arrest, die zouden duiden op een dergelijke (voornoemde) interpretatie van het vertrouwensbeginsel door het hof:

“Er zijn daarbij – in lijn met het gevoerde prioriteringsbeleid – geen toezeggingen gedaan, waaruit kon of mocht worden afgeleid dat er nimmer handhavend zou worden opgetreden.”

“Ten slotte is niet gebleken dat het voor het vervolgingsbeleid verantwoordelijke overheidsorgaan, het Openbaar Ministerie, in de periode na 1 april 2012, toezeggingen heeft gedaan waaraan de verdachte het gerechtvaardigd vertrouwen kon ontlenen dat vervolging uit zou blijven.”

“Het Openbaar Ministerie is door de staatssecretaris op de hoogte gesteld van voormeld beleid, maar het Openbaar Ministerie heeft niet toegezegd dat het zich aan dat beleid zou conformeren en met het Openbaar Ministerie is ook niet de afspraak gemaakt dat er niet strafrechtelijk zou worden vervolgd.”

“Uit de verklaringen van de beide getuigen blijkt voorts dat op geen enkel moment van de zijde van de staatssecretaris, de betrokken ambtenaren van het Ministerie van Veiligheid en Justitie, medewerkers van de Ksa (in oprichting) en/of het Openbaar Ministerie de uitdrukkelijke toezegging is gedaan dat aanbieders van online kansspelen niet strafrechtelijk zouden worden vervolgd, ook niet als zij zich zouden houden aan de gestelde voorwaarden en – na 1 april 2012 – de prioriteringscriteria.”

6.20

Volgens de stellers van het middel miskennen voornoemde overwegingen dat het vertrouwensbeginsel ook geschonden kan zijn in geval van met uitlatingen ‘gelijk te stellen gedragingen’. Dit standpunt wordt door de stellers van het middel niet nader toegelicht.

6.21

Het hof heeft in zijn hiervoor onder randnummer 6.7 weergegeven overwegingen het juiste juridische kader vooropgesteld. Ook in de beoordeling van het beroep op het vertrouwensbeginsel heeft het hof er meermalen blijk van gegeven het juiste kader voor ogen te hebben gehad. In die overwegingen komt immers meermalen terug dat geen sprake is geweest van aan het openbaar ministerie toe te rekenen uitlatingen of daarmee gelijk te stellen gedragingen, waaruit de verdachte kon afleiden dat er niet tot vervolging zou worden overgegaan.

6.22

Bovendien is het goed de door de stellers van het middel genoemde citaten in hun context te plaatsen. Het eerste citaat komt uit een alinea die gaat over de vraag of sprake zou zijn van een bestuurlijk gedoogbeleid. Het hof overweegt daarin dat in contacten die de Ksa onderhield met vertegenwoordigers van de kansspelindustrie – in lijn met de prioriteringscriteria – geen toezeggingen zijn gedaan waaruit kon of mocht worden afgeleid dat nimmer handhavend zou worden opgetreden. Dat ziet dus op bestuursrechtelijke en niet op strafrechtelijke handhaving. Het tweede citaat is het sluitstuk van de overwegingen van het hof over het beweerdelijke gedoogbeleid. Na de vaststelling door het hof dat geen sprake was van een bestuurlijk gedoogbeleid moet deze overweging mijns inziens zo worden gelezen dat ook van de zijde van het openbaar ministerie geen uitlatingen (of daarmee gelijk te stellen gedragingen hebben plaatsgehad waarmee het vertrouwen is gewekt dat geen (strafrechtelijke) vervolging zou plaatsvinden. Dat dergelijke uitlatingen wel door het openbaar ministerie zouden zijn gedaan is overigens ook niet aangevoerd. Het derde en het vierde citaat hebben betrekking op verklaringen van de in hoger beroep gehoorde getuigen mr. [getuige 1] en mr. [getuige 2] en hetgeen daaruit kan worden afgeleid en betreffen dus geen oordelen of overwegingen van het hof.

6.23

Kortom, een onjuiste rechtsopvatting kan ik in de door de stellers van het middel aangehaalde passages niet ontdekken.

De tweede deelklacht

6.24

Met de tweede deelklacht wordt geklaagd over het oordeel van het hof dat in de periode vóór 2012 geen sprake was van aan het openbaar ministerie toe te rekenen uitlatingen of daarmee gelijk te stellen gedragingen waaruit de verdachte kon afleiden dat er niet tot vervolging zou worden overgegaan. Dat oordeel zou is onbegrijpelijk en/of ontoereikend gemotiveerd zijn. Dat geldt volgens de stellers van het middel in het bijzonder voor ‘s hofs overweging dat het gegeven dat, voor zover bekend, geen aanbieders van online kansspelen daadwerkelijk zijn vervolgd ‘evenmin voldoende is’ om te kunnen spreken van een situatie waarin het bedoelde vertrouwen is gewekt.

6.25

Ik kan de stellers van het middel op dit punt niet volgen. Wat betreft de periode vóór 1 april 2012 wijs ik erop dat het hof heeft vastgesteld dat het in 2000/2001 ingezette beleid ten aanzien van illegaal kansspelaanbod heeft geleid tot de daadwerkelijke aanpak daarvan. Het hof verwijst daarbij naar Kamerstukken II, 2002-2003, 24036 en 24557, nr. 280, p. 12, waarin staat vermeld dat de aanpak van illegale casino’s effect sorteert en er inmiddels bijna zestig illegale casino’s zijn gesloten door toepassing van bestuursrechtelijke en/of strafrechtelijke en/of fiscaalrechtelijke instrumenten. Dat dit – voor zover bekend – geen aanbieders van online kansspelen betrof, heeft het hof klaarblijkelijk niet relevant gevonden. Dat lijkt mij niet onbegrijpelijk en behoefde geen nadere motivering. Zelfs als dat anders zou zijn stuit deze deelklacht mijns inziens af op het arrest van de Hoge Raad van 2 juli 2013 (besproken in randnummer 6.12): het uitblijven van bestuursrechtelijke en strafrechtelijke handhaving kan niet op één lijn worden gesteld met een door het openbaar ministerie gedane, of aan het openbaar ministerie toe te rekenen uitlating.

De derde tot en met de negende deelklacht

6.26

De derde tot en met de negende deelklacht richten zich tegen het oordeel van het hof dat het vertrouwensbeginsel ook in de periode na 1 april 2012 niet is geschonden. Ik zal deze klachten slechts kort bespreken, omdat zij alle afstuiten op het oordeel van het hof dat geen sprake is van door het openbaar ministerie gedane, of aan het openbaar ministerie toe te rekenen uitlatingen (of daarmee gelijk te stellen gedragingen) die bij de verdachte het gerechtvaardigde vertrouwen hebben gewekt dat hij niet (verder) zal worden vervolgd, welk oordeel in lijn is met de kaders die de Hoge Raad in de hiervoor in de randnummers 6.8-6.13 besproken arresten heeft uiteengezet.

6.27

Volgens de derde deelklacht getuigt het oordeel van het hof van een onjuiste rechtsopvatting en/of is het onbegrijpelijk, aangezien het hof zijn oordeel te dezen in essentie - althans in te grote mate - baseert op de vaststelling dat geen sprake was van een ‘gedoogbeleid’. Bij de beoordeling van het verweer had centraal behoren te staan a) of sprake was van aan het openbaar ministerie toe te rekenen uitlatingen of daarmee gelijkgestelde gedragingen, b) of de verdachte daarop heeft vertrouwd en c) of dat vertrouwen gerechtvaardigd was, aldus de stellers van het middel. Zoals ik bij de bespreking van de eerste deelklacht heb aangegeven, is het hof uitgaan van het juiste juridische kader. Dat het hof bij de verwerping van het beroep op het vertrouwensbeginsel veel aandacht heeft besteed aan de vraag of al dan niet sprake was van een gedoogbeleid (of prioriteringsbeleid) is in het licht van hetgeen door de verdediging is aangevoerd, niet onbegrijpelijk. De kern van dat beroep was immers dat sprake was van een gedoogbeleid door de Ksa. Het hof heeft het daarbij bovendien niet gehouden. Het hof heeft óók geoordeeld dat geen sprake was van (door het openbaar ministerie gedane of) aan het openbaar ministerie toe te rekenen uitlatingen (of daarmee gelijk te stellen gedragingen) die bij de verdachte en/of de medeverdachten het gerechtvaardigd vertrouwen hebben gewekt dat niet (verder) zal worden vervolgd.

6.28

De vierde deelklacht luidt dat het hof het oordeel dat het beroep op het vertrouwensbeginsel dient te worden verworpen voorts ontoereikend heeft gemotiveerd, omdat het hof de mogelijkheid heeft opengelaten dat sprake was van toezeggingen tot niet-vervolging zijdens de Ksa en de staatssecretaris en/of ambtenaren van het ministerie van Veiligheid en Justitie, zonder vervolgens te beoordelen of die toezeggingen aan het openbaar ministerie kunnen worden toegerekend. Deze klacht kan ik niet goed volgen. Nadat het hof heeft geoordeeld dat geen sprake was van een gedoogbeleid, heeft het hof overwogen dat uit de verklaringen van de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] blijkt dat op geen enkel moment van de zijde van de staatssecretaris en/of ambtenaren van het ministerie van Veiligheid en Justitie, medewerkers van de Ksa (in oprichting) en/of het openbaar ministerie de toezegging is gedaan dat niet strafrechtelijk zou worden vervolgd. Aan de vraag naar eventuele toerekening van die (niet bestaande) toezeggingen aan het openbaar ministerie kwam het hof dus niet toe.

6.29

De vijfde deelklacht houdt in dat ’s hofs oordeel dat de toezeggingen van de Ksa en de staatssecretaris en/of ambtenaren van het Ministerie van Veiligheid en Justitie niet aan het openbaar ministerie kunnen worden toegerekend, onjuist en/of onbegrijpelijk en/of ontoereikend gemotiveerd. Hetzelfde geldt voor ’s hofs overweging dat uit de verklaringen van getuigen [getuige 1] en [getuige 2] niet blijkt dat vervolging is ingesteld of voortgezet na door het openbaar ministerie gedane of aan het openbaar ministerie toe te rekenen uitlatingen of daarmee gelijk te stellen gedragingen. Ik verwijs naar de bespreking van de vierde deelklacht: het hof heeft geoordeeld dat geen sprake was van een gedoogbeleid en dat door de Ksa en de staatssecretaris en/of ambtenaren van het Ministerie van Veiligheid en Justitie geen toezeggingen tot niet-vervolging zijn gedaan. Daarmee is ook deze deelklacht gedoemd te falen.

6.30

Met de zesde deelklacht geraken we wat verder van de kern van het oordeel van het hof. ’s Hofs overweging dat in de periode na de bevestigingsbrief van 22 januari 2013 nimmer (volledig) aan de prioriteringscriteria is voldaan, zodat – voor zover er gedoogbeleid zou bestaan – dit niet kan worden ingeroepen, is onbegrijpelijk gelet op hetgeen namens de verdachte in hoger beroep is aangevoerd, aldus de stellers van het middel. Deze klacht faalt reeds omdat deze zich richt tegen een overweging ten overvloede. Overigens lijkt die overweging mij niet direct onbegrijpelijk, gelet op de verslagen van gesprekken tussen de verdachte en [medeverdachte 1] van (nota bene) 22 januari 2013 (bewijsmiddelen 24 en 26 bij feit 1 deel 1, p. 20, 21 en 22 van de bewijsmiddelenbijlage), waarin zij het hebben over het terugzetten van de taal op de goksites van het Engels naar het Nederlands, terwijl onderdeel van de prioriteringscriteria was dat werd gekeken of de kansspelwebsite in de Nederlandse taal te raadplegen was.

6.31

De zevende deelklacht luidt dat ’s hofs oordeel dat na 1 april 2012 geen sprake was van een gedoogbeleid en/of dat geen sprake was van uitlatingen of gedragingen waaraan de verdachte het gerechtvaardigd vertrouwen kon ontlenen dat hij niet strafrechtelijk zou worden vervolgd ontoereikend is gemotiveerd, nu het hof niet heeft gerespondeerd op het verweer dat [getuige 1] , [getuige 2] en [betrokkene 9] hebben gesteld dat aanbieders van online kansspelen op basis van de gevoerde gesprekken het gerechtvaardigd vertrouwen konden hebben dat van elke vorm van handhaving, dus ook van strafrechtelijke handhaving, zou worden afgezien. Of sprake is van een responsieplichtig verweer kan mijns inziens in het middel blijven. Uit het bestreden arrest volgt immers duidelijk dat het hof de verklaringen van de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] anders heeft gewogen dan de verdediging. Het hof ziet in die verklaringen bevestiging voor de vaststelling dat de Ksa en de staatssecretaris en/of ambtenaren van het ministerie van Veiligheid en Justitie en/of het openbaar ministerie geen toezeggingen hebben gedaan dat aanbieders van online kansspelen niet strafrechtelijk zouden worden vervolgd. Dat het hof die verklaringen zo heeft begrepen, is niet onbegrijpelijk. Ik citeer uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 27 januari 2022:

“De [getuige 1] verklaart op vragen van de voorzitter het volgende.

(…)

U vraagt mij of tijdens de gesprekken die zijn gevoerd met aanbieders van kansspelen ook is gezegd dat als zij zich aan de voorwaarden zouden houden, het strafrecht niet in beeld zou komen, dat sprake was een gedoogbeleid. Er is geen gedoogbeleid afgesproken. Er is niet gezegd dat er niet bestuurlijk of strafrechtelijk zou worden gehandhaafd. (…)

Ook heb ik gesproken met de procureur-generaal van het Openbaar Ministerie die dit onderwerp in zijn portefeuille had. Ik heb hem uitgelegd welk kansspelbeleid het kabinet voorstond en dat wij niet over de strafrechtelijke handhaving gingen. Het was mij bekend dat strafrechtelijke handhaving ultimum remedium is en dat het vaak volgt na bestuurlijke handhaving. Hij heeft daar kennis van genomen. Wij hebben echter niet afgesproken dat niemand strafrechtelijk zou worden vervolgd. (…)

Er was derhalve geen sprake van expliciet gedogen. Dat is ook nooit toegezegd. Of het kan worden gezien als impliciet gedogen is een waarderingsdiscussie waar ik mij als getuige niet aan waag. (…)

U zegt mij dat ik dus eigenlijk verklaar dat er niet met zoveel woorden sprake was van een gedoogbeleid, maar dat als de aanbieders zich aan de voorwaarden hielden, zij niet vooraan zouden staan bij de handhaving, dat ik contact heb gehad met het Openbaar Ministerie, dat ik daarbij het kabinetsbeleid uiteen heb gezet en dat het Openbaar Ministerie daar derhalve van op de hoogte was. U vraagt mij of de leiding van het Openbaar Ministerie zich daaraan heeft geconformeerd. Dat heeft het Openbaar Ministerie niet gezegd. Het Openbaar Ministerie is onafhankelijk van het kabinet. Wel heeft het Openbaar Ministerie gezegd dat het begrijpt wat de uitgangspunten van het kabinet waren. (…)

U vraagt mij of er door mij of in opdracht van mij een toezegging is gedaan aan één of meer van deze verdachten of via hun raadslieden dat zij niet strafrechtelijk zouden worden vervolgd. Nee, noch door mij noch in opdracht van mij is een dergelijke toezegging gedaan. (…)

U vraagt mij, als wordt gezegd dat iets mag onder voorwaarden, of dat niet kan worden gezien als een gedoogafspraak. Je kunt dat zien als impliciet gedogen. Ik denk dat je kunt zeggen dat partijen erop mochten vertrouwen dat er niet bestuurlijk of strafrechtelijk zou worden gehandhaafd tegen hen. Ik denk dat ze daaraan gerechtvaardigd vertrouwen mochten ontlenen. (…)

Ik realiseer mij natuurlijk goed dat het kabinet niet gaat over het vervolgingsbeleid van het Openbaar Ministerie, maar als je met de Kansspelautoriteit afspreekt dat zij een terughoudend bestuurlijk handhavingsarrangement hanteert ten aanzien van dit soort aanbieders, dan zou het een beetje raar zijn - dat begrijpt iedereen - als ten aanzien van hen dan wel strafrechtelijk zou worden gehandhaafd.

(…)

Op vragen van de voorzitter verklaart de [getuige 2] als volgt.

(…)

U vraagt mij of ik bekend ben met het feit dat er op enig moment waarschuwingsbrieven zijn verzonden door de Kansspelautoriteit. Ja natuurlijk. U vraagt mij of ik daarover kan vertellen. Ik vermoed dat u het hebt over de brieven waarover ik zojuist al verklaarde, te weten de brieven die enige tijd na de oprichting van de Kansspelautoriteit door deze werden verstuurd, waarin - samengevat - stond dat mijn cliënten zich moesten houden aan de drie voorwaarden, waarna ze zich niet zouden prioriteren en dan voorlopig niet in aanmerking zouden komen voor handhaving. ‘Voorlopig’ lazen wij, en de hele markt overigens, als woord voor de bühne, want er was een harde afspraak met Justitie dat niet zou worden gehandhaafd. (…)

U zegt mij dat [getuige 1] tevens heeft verklaard dat, op basis van de hele gang van zaken richting de uiteindelijke wetgeving, partijen er gerechtvaardigd op mochten vertrouwen dat niet zou worden gehandhaafd als zij zich zouden blijven conformeren en dat dit ook zo naar de advocaten van die partijen werd gecommuniceerd. U vraagt mij of dit een juiste visie is van [getuige 1] . Ja, ik denk het wel. (…) Op dat moment waren wij er inderdaad van overtuigd dat er geen handhaving zou plaatsvinden. Dat wilde [getuige 1] ook niet; hij wilde een ordentelijke overgang naar een gereguleerde markt. Ik kan dus alleen maar bevestigen wat [getuige 1] volgens u zojuist heeft verklaard.

U vraagt mij of ik contact heb gehad met [betrokkene 9] . Ja, zij heeft mij benaderd met betrekking tot het wel of niet bestuursrechtelijk of strafrechtelijk ingrijpen. Ik ken [betrokkene 9] beroepshalve en ik heb in het verleden contact met haar gehad. Wat wilt u precies weten? U vraagt mij of ook werd gecommuniceerd naar mensen die mij benaderden dat sprake was van een gerechtvaardigd vertrouwen dat er niet zou worden ingegrepen. Ja natuurlijk. Er was een kleine groep advocaten die zich met het Nederlands kansspelbeleid bezighield. Deze advocaten hadden onderling contact en zodoende had ik ook contact met [betrokkene 9] . Ik heb daarover zeker uitvoerig met haar gesproken. Zij wist denk ik heel goed van de hoed en de rand. (…)

Over strafrechtelijke handhaving ging het toen helemaal niet. Het primaat van handhaving zou bij de Kansspelautoriteit komen te liggen. Op het Ministerie van Justitie is tijdens de gesprekken met meel in de mond gesproken over gedogen. Ik heb toen ook gevraagd of sprake was van gedogen. Er werd gezegd dat het geen gedogen genoemd mocht worden, maar dat er geen handhaving zou plaatsvinden. Er is toen niet gespecifieerd wat voor handhaving dat dan zou zijn. Logischerwijs ging het om bestuursrechtelijke handhaving, nu de Kansspelautoriteit in wisselende samenstelling deelnam aan die gesprekken. Alle partijen die deelnamen aan de

gesprekken liepen naar buiten met het idee dat als zij zich aan de voornoemde voorwaarden zouden houden, gelet op het feit dat de nieuwe wet eraan zat te komen, de kans dat tegen hen werd gehandhaafd buitengewoon klein was. (…)

U, voorzitter, zegt mij dat [getuige 1] als voormalig officier van justitie als geen ander zal weten dat het Ministerie van Justitie niet gaat over het wel of niet strafrechtelijk vervolgen. Daar gingen die gesprekken ook niet over. Het Openbaar Ministerie werd niet betrokken in de discussie. Op dat moment ging het over handhaving in brede zijn en daarmee werd bedoeld de bestuursrechtelijke handhaving. (…)

Wij wilden niet dat er bestuursrechtelijk werd gehandhaafd. Ik heb toen meermalen gesproken met één van de medewerkers van [getuige 1] om te vragen of er niet een telefoontje moest worden gepleegd naar het College van Procureurs-Generaal of het Openbaar Ministerie in het algemeen om af te spreken dat cliënten met rust zouden worden gelaten omdat we nu eenmaal een afspraak hadden. Vervolgens werd daarover niets aan mij teruggekoppeld. Toen de gesprekken op het Ministerie van Justitie plaatsvonden, was mij wel bekend dat [getuige 1] contact had opgenomen met het Openbaar Ministerie. Ik weet overigens niet met wie hij van het Openbaar Ministerie heeft gesproken. Ik weet niet wat er precies is gezegd. (…) Ik ben geen deelgenoot geweest van de gesprekken tussen [getuige 1] en het Openbaar Ministerie, dus ik weet niet wat daar precies is besproken. Ik weet dat wij die vraag hebben gesteld en ik weet dat die gesprekken hebben plaatsgevonden met het Openbaar Ministerie, maar ik kan u dus geen mededelingen doen over de inhoud van die gesprekken.”

6.32

In de vaststelling dat de Ksa en de staatssecretaris en/of ambtenaren van het ministerie van Veiligheid en Justitie en/of het openbaar ministerie geen toezeggingen hebben gedaan dat aanbieders van online kansspelen niet strafrechtelijk zouden worden vervolgd ligt logischerwijs besloten dat ook geen sprake kan zijn van gerechtvaardigd vertrouwen in dergelijke toezeggingen. Tot een nadere motivering was het hof niet gehouden.

6.33

De achtste deelklacht komt op tegen het oordeel van het hof dat aan eventuele door de staatssecretaris, de betrokken ambtenaren van het ministerie van Veiligheid en Justitie en/of medewerkers van de Ksa (in oprichting) gedane uitlatingen (of daarmee gelijk te stellen gedragingen) geen gerechtvaardigd vertrouwen kan worden ontleend, omdat aan deze functionarissen geen bevoegdheden in verband met de vervolgingsbeslissing zijn toegekend. Net als de zesde deelklacht faalt deze klacht reeds omdat deze zich richt tegen een overweging ten overvloede. Voorop staat immers het oordeel van het hof dat van dergelijke uitlatingen (of daarmee gelijk te stellen gedragingen) geen sprake is. Voor het overige merk ik op dat art. 124 RO bepaalt dat het openbaar ministerie is belast met de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde. De taken en bevoegdheden van het openbaar ministerie worden, zo bepaalt art. 125 RO, uitgeoefend door – kort gezegd – het College van procureurs-generaal, de advocaten-generaal bij de ressortsparketten en de officieren van justitie. De minister van Veiligheid en Justitie kan ingevolge art. 127 RO algemene en bijzondere aanwijzingen geven betreffende de uitoefening van de taken en bevoegdheden van het openbaar ministerie, maar van die bevoegdheid is – aldus het hof – geen gebruik gemaakt. Op grond van art. 46 lid 2 van de Grondwet treedt een staatssecretaris in de gevallen waarin de minister het nodig acht en met inachtneming van diens aanwijzingen, in zijn plaats als minister op. Het Besluit van de Minister van Veiligheid en Justitie, houdende bekendmaking van de taak waarmee de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie meer in het bijzonder zal zijn belast (Stcrt. 2012, 24375), houdt niet in dat de toenmalige staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, mr. [getuige 1] , in het bijzonder was belast met aangelegenheden betreffende het openbaar ministerie, laat staan het vervolgingsbeleid van het openbaar ministerie. Voornoemd Besluit houdt – overeenkomstig de vaststellingen van het hof – wél in dat [getuige 1] was belast met aangelegenheden betreffende kansspelen. Waarom dat met zich zou brengen dat het oordeel van het hof dat hij niet kan worden aangemerkt als een voor het vervolgingsbeleid verantwoordelijke persoon als gevolg daarvan dan toch onjuist en/of onbegrijpelijk zou zijn, ontgaat mij. Ik verwijs ook naar voornoemde uitspraak van de Hoge Raad van 17 december 1985 (randnummer 6.9), waarin de Hoge Raad oordeelde dat de opvatting dat een toezegging van een niet voor het strafvervolgingsbeleid verantwoordelijk overheidsorgaan, in dat geval de minister of staatssecretaris van Volksgezondheid en Milieuhygiëne, het vertrouwen zou vermogen te rechtvaardigen dat het OM zou zijn verstoken van het recht om ter zake alsnog tot strafvervolging tegen de verdachte over te gaan, onjuist is. Ook om deze redenen faalt de deelklacht.

6.34

Tegen die achtergrond is ook ’s hofs oordeel dat aanbieders van online kansspelen die zich aan de voorwaarden hielden erop mochten vertrouwen dat niet bestuurlijk en strafrechtelijk zou worden gehandhaafd een ‘persoonlijke opvatting’ is van [getuige 1] , niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd, zodat ook de negende deelklacht faalt.

6.35

Het vierde middel faalt in al zijn onderdelen.

7 Het vijfde, zesde, zevende, achtste en negende middel

7.1

Het vijfde middel bevat de klacht dat het hof ten aanzien van feit 2 de grondslag van de tenlastelegging heeft verlaten door – zonder te oordelen over het primair tenlastegelegde – het subsidiair tenlastegelegde bewezen te verklaren. Het zesde middel houdt de klacht in dat het hof ten aanzien van feit 3 na het primair tenlastegelegde ten onrechte ook tot een bewezenverklaring van het subsidiair tenlastegelegde is gekomen. Voor zover het hof die tenlastelegging als impliciet cumulatief heeft mogen interpreteren wordt geklaagd dat het hof zonder over het primair tenlastegelegde te oordelen tot een bewezenverklaring van het subsidiair tenlastegelegde is gekomen. Het zevende middel klaagt dat het onder 3 primair bewezenverklaarde, meer in het bijzonder dat de verdachte van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, niet uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid. Het achtste middel bevat de klacht dat het hof ten aanzien van feit 8 de grondslag van de tenlastelegging heeft verlaten door – zonder te oordelen over het primair tenlastegelegde – het subsidiair tenlastegelegde bewezen te verklaren. Het negende middel houdt in dat het hof de bewezenverklaring van feit 8 onvoldoende met redenen heeft omkleed.

Het onder 2, 3 en 8 tenlastegelegde en bewezenverklaarde

7.2

Voor de volledige weergave van de tenlasteleggingen en bewezenverklaringen van de feiten 2, 3 en 8 verwijs ik naar het gepubliceerde arrest van het hof. Kort gezegd is onder 2 en 3 bewezenverklaard het – in verschillende hoedanigheden – gewoontewitwassen van de inkomsten uit illegale online kansspelen. Onder 8 is bewezenverklaard dat de verdachte feitelijke leiding heeft gegeven aan het medeplegen van het opzettelijk voorhanden hebben van valse geschriften.

De overwegingen van het hof

7.3

Voor de overwegingen van het hof verwijs ik in de eerste plaats naar de bewijsoverwegingen van het hof ten aanzien van feit 13, die ik hierboven in het kader van de bespreking van het eerste middel over verjaring heb opgenomen (randnummer 4.5). De uitspraak van het hof houdt voorts het volgende in:

“III. Bewijsoverwegingen

(…)

Witwassen (zaaksdossiers 02A-B-C-D-F-K, feiten 2 en 3)

Uit misdrijf afkomstig

Het hof heeft in navolging van de rechtbank vastgesteld dat in de tenlastegelegde periode op de websites [internetsite 1] , [internetsite 2] , [internetsite 3] , [internetsite 4] . [internetsite 5] , [internetsite 7] en [internetsite 6] , kansspelen werden aangeboden, gericht op en toegankelijk voor Nederlandse consumenten. Het via internet opzettelijk aanbieden van kansspelen in

Nederland is een misdrijf op grond van de Wok en de WED. Inkomsten die daarmee worden

gegenereerd, zijn dus van misdrijf afkomstig.

Op grond van wat het hof bij de bespreking van zaaksdossier 1, inzake overtreding van de Wok, heeft vastgesteld en op grond van de aan dit vonnis gehechte bijlage met de daarin omschreven bewijsmiddelen inzake zaaksdossiers 02A-B-C-D-F-K - welke bewijsmiddelen hier als herhaald en ingelast dienen te worden beschouwd - stelt het hof het navolgende vast.

Witwashandelingen

Spelers van online kansspelen op voornoemde websites legden geld in door betalingen te doen per creditcard, sms, Ideal of anderszins. Het ingelegde geld werd - meestal door tussenkomst van Buckaroo of (andere) payment service providers - overgeboekt naar rekeningen die ter beschikking stonden van [A] en [E] . Van 2004 tot en met 2006 was [A] het centrale punt voor inkomsten uit online kansspelen (bankrekening bij ABN AMRO). Vanaf 2006 werd die positie ingenomen door [E] (bankrekeningen bij Rabobank en ING Bank en accounts van [E] bij Buckaroo ).

De geldbedragen ZD02A -B -C en -F

De volgende bedragen zijn uit online kansspelen gegenereerd en bij [A] . en [E] binnengekomen.

1. Er is € 1.014.963,- via [U] , [V] en overmakingen (‘Inleg’) binnengekomen op [rekeningnummer 1] van [A] . Dit vond plaats in de periode van 3 november 2004 tot en met 22 augustus 2006.

2. Er is € 12.107.534,- via [W] , [X] , [Y] en [V] binnengekomen op bankrekeningen (Rabobank en ING Bank) van [E] Dit vond plaats in de periode van 1 januari 2006 tot en met mei 2013.

3. Er is € 91.288.166,- binnengekomen op de accounts die [E] aanhoudt bij Buckaroo . Dit vond plaats in de periode van 1 januari 2006 tot en met mei 2013.

Deze uit misdrijf verkregen inkomsten belopen in totaal € 104.410.663,-.

Vanaf de accounts bij Buckaroo (onder punt 3 hiervoor) is in de periode van januari 2006 tot en met mei 2013 in delen € 32.482.427,- overgemaakt naar de bankrekeningen van [E] , zodat op de bankrekeningen van [E] . B.V. in elk geval € 44.589.961,-

(€ 12.107.534 + € 32.482.427), afkomstig uit misdrijf is binnengekomen.

De politie heeft vervolgens inzichtelijk gemaakt welke bedragen vanaf de bankrekeningen van [E] zijn overgemaakt naar de verdachte, medeverdachten, familieleden en gelieerde rechtspersonen. Het gaat om een totaalbedrag van € 29.981.146,- in de periode van januari 2006 tot en met mei 2013.

Vanaf de accounts bij Buckaroo zijn niet alleen bedragen overgemaakt naar bankrekeningen van [E] (ruim 32 miljoen euro), maar ook naar andere rechtspersonen en familieleden.

Het geldbedrag ZD02K

[verdachte] heeft persoonlijk ook nog € 95.772,- ontvangen van [D] , de registrant van de websites waarop online kansspelen in strijd met de Wok werden aangeboden. Dat geld, rechtstreeks afkomstig van die online kansspelen, is via Moneybookers/Skrill aan [verdachte] overgedragen door de gebruikers van de e-mailadressen [e-mailadres 1] en [e-mailadres 2] .

De geldbedragen ZD02D

Van voornoemde inkomsten van [E] werd in totaal € 11.841.613,- overgemaakt naar bestuurder [F] en later [G] , de persoonlijke holdings van [verdachte] .

[verdachte] eigen inkomen was afkomstig van en uit zijn persoonlijke holdings. Daarnaast bouwde [verdachte] vermogen op met de handel in vastgoed. Die handel werd (indirect) gefinancierd door [F] en dus met inkomsten die afkomstig waren van online kansspelen in strijd met de Wok. Uit de bij de Belastingdienst ingediende aangiften inkomstenbelasting is gebleken dat de waarde van de bezittingen van [verdachte] persoonlijk anno 2011 € 5.698.687,- bedroeg.

(…)

Feitelijk leidinggeven

Met de rechtbank merkt het hof [verdachte] ten aanzien van het overdragen, omzetten en gebruiken van de geldbedragen via de rechtspersonenstructuur aan als feitelijke leidinggever. [verdachte] had samen met [medeverdachte 1] de leiding binnen het concern dat zich bezighield met online kansspelen. Zij waren bovendien (indirect) bestuurders van de rechtspersonen waar de inkomsten uit online kansspelen binnenkwamen. Werknemers van het bedrijf van [verdachte] deden de betalingen en de financiële administratie en [verdachte] stuurde die werknemers aan. [verdachte] had zeggenschap over de route van de uit misdrijf afkomstige geldbedragen en oefende die ook uit.

Gewoonte

Met de rechtbank overweegt het hof tot slot dat de totale geldsommen zijn opgebouwd uit vele bedragen, die uitsluitend verband houden met de verdiensten uit illegaal aangeboden online kansspelen. Deze bedragen zijn in de loop van vele jaren overdragen, omgezet en gebruikt. Het gaat om witwashandelingen met een structureel karakter, die in onderling verband staan en die passen in de gebruikelijke bedrijfsvoering van [A] .

en [E] , waaraan [verdachte] leiding heeft gegeven. Het hof is dan ook van oordeel dat sprake is van gewoontewitwassen, zoals strafbaar gesteld in artikel 420ter Wetboek van Strafrecht.

(…)

Witwassen (zaaksdossiers 02G-I-L-M, feit 4)

(…)

Witwassen € 2.2 miljoen ontvangen via (Stichting Derdengelden) Buckaroo door [M]

(zaaksdossier 02-M)

De vraag is of het bedrag van € 2.2 miljoen dat door [M] aan [L] dan wel aan [K] (op grond van de door [L] gestuurde facturen) is betaald, is witgewassen.

[L] en [M]

Met betrekking tot de betrokken entiteiten - [L] en [M] - stelt het hof het volgende vast.

De naam van de holding van [verdachte] , [F] , is op 31 mei 2012 gewijzigd in [I] . [I] is 100% aandeelhoudster van [J] (vanaf 16 maart 2012) en van [K] (vanaf 6 juni

2011). [J] is op haar beurt 100% aandeelhoudster van onder meer [L] . Vaststaat dat de [L] vennootschappen zich bezig houden met online kansspelen. [K] heeft daartoe een licentie gekregen van Alderney Gambling Control Commission.

[M] is op 6 januari 2011 te Panama opgericht door [betrokkene 2] en was de aandeelhoudster van [D] ( [D] ). [M] was eerst klant

van [K] en later van [L]

Het geldbedrag

Over de periode van medio 2011 tot en met mei 2013 zijn er voor circa € 3.1 miljoen aan verkoopfacturen aangetroffen in de administratie van [L] . Een deel van deze verkoopfacturen - tot een bedrag van € 2.2 miljoen - was gericht aan [M] . De door [K] en [L] gestuurde facturen vermelden als omschrijving ‘revenueshare’

(opbrengst verdeling). Deze revenueshare had betrekking op omzet gegenereerd door middel van casinospelen, zo is vastgesteld. Het ging om 8 facturen in 2011, 31 facturen in

2012 en 11 facturen in 2013. Ter zitting van 19 september 2018 heeft [verdachte] hierover verklaard dat [K] een contentbedrijf is dat spelletjes maakt. Deze spelletjes zouden aan [M] zijn geleverd, waarvoor [L] een vergoeding kreeg van [M] .

Uit onderzoek naar gelden die [K] en [L] op hun ING rekeningen in Nederland hebben ontvangen, blijkt dat in het jaar 2012 voor circa € 1.5 miljoen is ontvangen aan overboekingen van de Stichting Derdengelden Rekening Buckaroo . Een groot deel van deze ontvangsten per bank zijn, aan de hand van de bedragen en betalingskenmerken, te matchen met de facturen die gericht waren aan [M] . Ook voor de

jaren 2011 en 2013 is vastgesteld dat het merendeel van de betalingen namens [M] aan de [L] vennootschappen direct te koppelen zijn aan betalingen gedaan vanaf de bij Buckaroo aangehouden accounts. Op grond van deze bevindingen stelt het hof, met de rechtbank, vast dat de betalingen die [M] heeft gedaan aan [K] en [L]

, in totaal tot een bedrag van € 2.2 miljoen euro, betaald zijn vanaf de bij Buckaroo aangehouden accounts van [M] .

Uit misdrijf afkomstig

De betalingen van [M] aan [L] zijn gedaan via bij Buckaroo aangehouden accounts. Met betrekking tot de vraag waar het geld op de accounts bij Buckaroo vandaan kwam, verwijst het hof naar wat hierover is vastgesteld in het kader van de bespreking van zaaksdossier 1, het overtreden van de Wok, en de zaaksdossiers 02A-B-C-F en dan in het bijzonder wat is vastgesteld met betrekking tot Buckaroo . Aan de hand hiervan stelt het hof, met de rechtbank, vast dat het geld op de accounts bij Buckaroo afkomstig was van het aanbieden van online kansspelen in Nederland en dat dit geld dus afkomstig was uit misdrijf. Nu dit geld is overgedragen en omgezet is er sprake geweest witwassen van het bedrag van € 2.2 miljoen.

Medeplegen of feitelijke leiding geven

De vraag die vervolgens moet worden beantwoord, is of [verdachte] zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen dan wel feitelijke leiding geven van/aan het witwassen van het bedrag van € 2.2 miljoen.

Gelet op wat hiervoor is vastgesteld met betrekking tot de [L] vennootschappen stelt het hof, met de rechtbank, vast dat [verdachte] feitelijke leidinggever was van de Bubble vennootschappen en dat hij op feitelijk niveau de beslissingen nam, ook met betrekking tot

de financiële gang van zaken.

Met betrekking tot [M] stelt het hof het navolgende vast.

Bij de politie heeft [betrokkene 2] verklaard dat hij [M] in Panama heeft opgezet om te verhullen wie de eigenaren waren van de Costa Ricaanse vennootschappen en dat onder meer [verdachte] de Ultimate Beneficial Owner (UBO) was van [M] . Volgens [betrokkene 2] was [verdachte] samen met [medeverdachte 1] verantwoordelijk voor de feitelijke gang van zaken binnen [M] . Op een later moment heeft [verdachte] - toen [betrokkene 2] niet meer op papier verantwoordelijk wilde zijn voor [M] - [betrokkene 8] naar voren geschoven. [betrokkene 8] heeft

toen op papier de directievoering overgenomen. Dit laatste blijkt ook uit de verklaring van [betrokkene 8] zelf (ZD02M-124 t/m 192) en uit de stukken als aangetroffen bij Alderney Gambling Control Commission (ZD02M-225 t/m 227). Ook [betrokkene 8] heeft verklaard dat zij enkel op papier directeur was van [M] . Zij heeft verklaard dat zij niet weet wat [M] precies inhoudt en dat zij enkel de naam kent. Op grond van de verklaringen van [betrokkene 2] en [betrokkene 8] stelt het hof voorts vast dat zij wellicht op papier de feitelijke leidinggevers van [M]

waren, maar dat dit in werkelijkheid [verdachte] en [medeverdachte 1] zijn geweest. Dit oordeel wordt ondersteund door het volgende.

Ter terechtzitting in eerste aanleg van 2 oktober 2018 heeft [verdachte] verklaard dat - in tegenstelling tot de verklaring die hij ter terechtzitting in eerste aanleg van 19 september 2018 heeft afgelegd in het kader van de verdenking van witwassen van € 2.2 miljoen - hij wel de Ultimate Beneficial Owner was van [M] en dat [M] boven de rechtspersoon van [D] was geplaatst. Mede gelet op de verklaring van [verdachte] op 2 oktober 2018 gaat het hof, met de rechtbank, uit van de juistheid van de verklaringen van [betrokkene 2] en [betrokkene 8] . zorggedragen voor betaling van in totaal € 2.2 miljoen euro in de jaren 2011 tot en met 2013. De verklaring van [verdachte] ter terechtzitting in eerste aanleg van 19 september 2018 dat hij de facturen van [L] aan [M] ter controle aan hem werden gestuurd, is een bevestiging van positie van [verdachte] , zoals hiervoor is geschetst. Naar het oordeel van het hof heeft [verdachte] dus feitelijke leiding gegeven aan de betaling van in totaal € 2.2 miljoen euro door [M] aan [L] , via Buckaroo . Hij heeft zich daarmee schuldig gemaakt aan het feitelijke leiding geven van het witwassen van dit bedrag.

Verder vloeit uit het factureringsproces van [K] en [L] aan [M] de directe betrokkenheid van [verdachte] voort. Gebleken is dat het factureringsproces als volgt ging.

De administratie van [L] dan wel [K] stelde de facturen op, waarna de facturen naar [M] werden gestuurd op de e-mailadressen [e-mailadres 3] en [e-mailadres 1] .

Deze adressen waren in gebruik van [verdachte] ( [e-mailadres 3] ) en [betrokkene 10] ( [e-mailadres 1] ). Uit de verklaring van [betrokkene 11] die de facturen namens [L] opstelde, volgt dat het haar opviel dat zij geen net mailtje in het Engels hoefde te sturen, maar dat zij kon volstaan met ‘ […] ’ gevolgd door een bedrag of factuurnummer, waarna zij het naar de e-mailadressen als hiervoor genoemd stuurde. Ter terechtzitting in eerste aanleg van 19 september 2018 heeft [verdachte] ook erkend dat het e-mailadres [e-mailadres 3] bij hem in gebruik was. Uit de verklaring van [betrokkene 10] , werkneemster van [verdachte] (processen-verbaal van verhoor d.d. 2 december 2013, ZD02M 193 t/m 205) blijkt dat - naast het feit dat de factuur aan [M] bij haar belandde via het genoemde e-mailadres - zij ook zorg droeg voor de betaling van de factuur aan [M] .

Gelet op al deze bevindingen stelt het hof, met de rechtbank, vast dat [verdachte] die de feitelijke leiding had binnen de Bubble vennootschappen er voor zorgde dat er facturen van [L] aan [M] werden gestuurd ter betaling van aan [M] gestelde geleverde diensten

(leveren van spelletjes) terwijl die facturen aan zijn eigen e-mailadres [e-mailadres 3] en aan die van zijn werkneemster [betrokkene 10] werden gestuurd, waarna [betrokkene 10] - in opdracht van [verdachte] - zorgdroeg voor betaling van deze facturen. [betrokkene 10] betaalde vervolgens vanaf de accounts bij Buckaroo de facturen aan [K] dan wel [L] en heeft dus zorggedragen voor betaling van in totaal € 2.2 miljoen euro in de jaren 2011 tot en met 2013. De verklaring van [verdachte] ter terechtzitting in eerste aanleg van 19 september 2018 dat hij de facturen van [L] aan [M] ter controle aan hem werden gestuurd, is een bevestiging van positie van [verdachte] , zoals hiervoor is geschetst. Naar het oordeel van het

hof heeft [verdachte] dus feitelijke leiding gegeven aan de betaling van in totaal € 2.2 miljoen

euro door [M] aan [L] , via Buckaroo . Hij heeft zich daarmee schuldig gemaakt aan het feitelijke leiding geven van het witwassen van dit bedrag.

(…)

Valsheid in geschrift / gebruik / voorhanden hebben valse facturen [M] en [L] (zaaksdossier 02-M, feit 8)

Onder feit 8 van de tenlastelegging wordt [verdachte] primair verweten dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van het valselijk opmaken van facturen, dan wel dat hij feitelijke leiding heeft gegeven aan één of meer vennootschappen ten aanzien van het gebruik van valse facturen (van [L] aan [M] ) door die facturen op te doen nemen in de administratie van [K] en/of [L] en/of [M] en/of voorhanden hebben van die valse geschriften.

Het hof stelt daaromtrent het navolgende vast.

Voor de beschrijving van de opzet en structuur van de [L] vennootschappen en [M] verwijst het hof naar wat daarover is vastgesteld onder feit 4 van de tenlastelegging, welk feit ziet op het witwassen van € 2.2 miljoen euro, zijnde het bedrag waarvoor [K] en [L] facturen aan [M] hebben gestuurd.

Zoals vastgesteld, zijn in de administratie van [K] verkoopfacturen aangetroffen voor ongeveer € 3.1 miljoen, waarvan een deel - tot het bedrag van € 2.2 miljoen - gericht was aan [M] . Het ging om 8 facturen in 2011, 31 facturen in 2012 en 11 facturen in 2013. Op deze facturen staat vermeld dat het gaat om ‘revenueshare’ (opbrengst verdeling). Deze revenueshare had betrekking op omzet gegenereerd door middel van casinospelen. Het hof heeft onder feit 4 ook vastgesteld dat de betalingen die [M] heeft gedaan aan [K] en [L] , gedaan zijn vanaf de Buckaroo accounts en dus betaald zijn met geld dat afkomstig is uit het aanbieden van online kansspelen in Nederland en daarmee afkomstig uit een misdrijf.

Onder verwijzing naar de overwegingen van hiervoor ten aanzien van zaaksdossier ZD02-

M, feit 4, stelt het hof het navolgende vast.

Op papier waren [betrokkene 2] en [betrokkene 8] wellicht de feitelijke leidinggevers van [M] , maar in werkelijkheid waren dat [verdachte] en [medeverdachte 1] . Verdachte heeft ook erkend dat hij de Ultimate Beneficial Owner was van [M] . Verdachte was tevens indirect bestuurder van de

[L] entiteiten.

Verder volgt uit het proces van factureren van [L] aan [M] , dat [verdachte] hierbij betrokken was. [verdachte] zorgde ervoor dat er facturen van [L] aan [M] werden opgemaakt ter betaling van aan [M] gestelde geleverde diensten en liet die facturen naar

zijn eigen e-mailadres [e-mailadres 3] en aan die van zijn werkneemster [betrokkene 10] werden sturen. Vervolgens droeg [betrokkene 10] - die voor [E] en

[L] werkte, maar niet voor [M] - in opdracht van [verdachte] zorg voor betaling van deze

facturen. [betrokkene 10] betaalde de facturen vanaf de accounts bij Buckaroo .

Gelet op de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden is het hof, met de rechtbank, van oordeel dat de verhouding tussen [K] , [L] en [M] een schijnconstructie was, waarbij de ogenschijnlijke zelfstandige positie van [M] en diens formele bestuurders (onder andere [betrokkene 2] en [betrokkene 8] ) zijn gebruikt om te verhullen dat alle zeggenschap over deze vennootschap en over de geldstromen bij [verdachte] en [medeverdachte 1] lag.

Naar het oordeel van het hof is het opstellen van de facturen door [K] en [L] en de betaling daarvan door [M] een opzet geweest om te verhullen dat [verdachte] volledige controle en zeggenschap had over de geldstroom, die indirect afkomstig was van het aanbieden van online kansspelen in Nederland, waaraan [verdachte] en [medeverdachte 1] - zoals eerder vastgesteld - feitelijke leiding gaven.

Omdat de facturen tussen [L] en [M] onderdeel waren van de opzet en als doel hadden de schijnconstructie te verhullen, acht het hof bewezen dat de facturen van [K] en [L] aan [M] in strafrechtelijke zin volledig vals zijn (vgl. Hoge Raad 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1392). Gelet op zijn rol in het geheel was [verdachte] hiervan - naar het oordeel van het hof - ook op de hoogte.

Hetgeen de verdediging en het Openbaar Ministerie nog in hoger beroep hebben aangevoerd, maakt dit oordeel niet anders.

Medeplegen of feitelijke leidinggevende aan

De volgende vraag die beantwoord moet worden, is of de verdachte als medepleger de facturen valselijk heeft opgemaakt, of dat de verdachte dient te worden aangemerkt als feitelijk leidinggever aan het voorhanden hebben en/of gebruikmaken van de valse geschriften.

Het hof is gelet op het vorengaande van oordeel dat de verdachte zo nauw betrokken was bij de totstandkoming van de schijnconstructie tussen [K] , [L] en [M] dat hij wist dat de opgemaakte facturen niet in overeenstemming waren met de werkelijkheid en dat er kennelijk voldoende noodzaak was om de werkelijkheid te verhullen tegenover derden door het plegen van het misdrijf valsheid in geschrift. Het hof is van oordeel dat gelet op de rol van de verdachte, als feitelijke leidinggevende van de [L] vennootschappen (als vastgesteld bij de bespreking van feit 4) en zijn rol bij de gang van

zaken, hij hieraan feitelijk leiding heeft gegeven.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

(…)

Het onder 2 subsidiair (…) bewezenverklaarde levert op:

feitelijke leiding geven aan het door een rechtspersoon begaan van het medeplegen van het gewoonte maken van witwassen.

Het onder 3 primair bewezenverklaarde levert op:

medeplegen van het gewoonte maken van witwassen;

en feitelijke leiding geven aan het door een rechtspersoon begaan van het medeplegen van het gewoonte maken van witwassen

(…)

Het onder 8 subsidiair bewezenverklaarde levert op:

feitelijke leidding geven aan het door een rechtspersoon begaan van medeplegen van opzettelijk een geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, voorhanden hebben, terwijl hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat dit geschrift bestemd is voor gebruik als ware het echt en onvervalst, meermalen

gepleegd.

(…)

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

(…)

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 primair, (…) 8 primair (…) tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder (…) 2 subsidiair, 3 primair, (…) 8 subsidiair (…) tenlastegelegde heeft begaan.”

Het vijfde middel

7.4

In (de toelichting op) het vijfde middel wordt aangevoerd dat het hof het onder feit 2 subsidiair tenlastegelegde feit bewezen heeft verklaard, maar dat het arrest geen beslissing bevat over het onder 2 primair tenlastegelegde. Door dit na te laten heeft het hof de grondslag van de tenlastelegging verlaten, aldus de stellers van het middel.

7.5

Daarin kan ik hen niet volgen. Ik licht dat toe. Feit 2 heeft – kort gezegd – betrekking op het overdragen, omzetten en gebruik maken van de inkomsten uit het in strijd met de Wok aanbieden van de online kansspelen en volgt zo bezien op feit 13. De in feit 2 genoemde bedragen betreffen de inleg van de spelers van de online kansspelen die – meestal door tussenkomst van Buckaroo of andere payment service providers – werd overgeboekt naar rekeningen die ter beschikking stonden van [A] en [E] .

7.6

Na de vaststelling dat op zeven websites in strijd met de Wok kansspelen werden aangeboden en de daarmee gegenereerde inkomsten aldus van misdrijf afkomstig zijn, overweegt het hof dat zijn bewijsoverwegingen ten aanzien van de feiten 2 en 3 (mede) zijn gegrond op de daaraan voorafgaande overwegingen van het hof ten aanzien van de overtreding van de Wok (feit 13). Onderdeel van laatstgenoemde overwegingen is dat naar het oordeel van het hof geen sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en [C] , [D] , [A] / [B] , maar een functioneren onder leiding van onder meer de verdachte. Alle relevante beslissingen in de bedrijfsvoering rondom het aanbieden van online kansspelen werden volgens het hof genomen door de verdachte, in overleg met zijn compagnon [medeverdachte 1] . Dat resulteert in een vrijspraak voor feit 13 primair (medeplegen van de Wok-overtreding) en een veroordeling voor feit 13 subsidiair (feitelijk leidinggeven door de verdachte).

7.7

De overwegingen van het hof ten aanzien van feit 2 en 3 houden voorts in dat het hof de verdachte ten aanzien van het overdragen, omzetten en gebruik maken van de geldbedragen via de rechtspersonenstructuur aanmerkt als feitelijke leidinggever. Daarin ligt besloten – mede gelet op de verwijzing naar feit 13 – dat naar het oordeel van het hof ook ten aanzien van feit 2 geen sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking van de verdachte met de in de tenlastelegging genoemde rechtspersonen (het onder 2 primair tenlastegelegde), maar van een functioneren onder leiding van de verdachte (het onder 2 subsidiair tenlastegelegde). Bevestiging daarvoor is te vinden in het dictum, waarin het hof beslist dat de verdachte wordt vrijgesproken van feit 2 primair. Anders dan de stellers van het middel willen, heeft het hof dus wel geoordeeld over het onder 2 primair tenlastegelegde.

7.8

Het vijfde middel ontbeert zo bezien feitelijke grondslag.

Het zesde middel

7.9

In het zesde middel en de toelichting daarop wordt geklaagd dat het hof de grondslag van de tenlastelegging heeft verlaten door ten aanzien van feit 3 na het primair tenlastegelegde ook het subsidiair tenlastegelegde bewezen te achten. Volgens de stellers van het middel kon het hof de tenlastelegging ten aanzien van feit 3 niet als impliciet cumulatief opvatten. Voor zover het hof de tenlastelegging van feit 3 wel als impliciet cumulatief had mogen opvatten, geldt dat het arrest ten aanzien van het bedrag van € 11.841.613,- en de bezittingen ter waarde van € 5.698.687,- ten onrechte geen beslissing bevat over het primaire.

7.10

Feit 3 heeft betrekking op meerdere geldbedragen en bezittingen. Het onder 3 primair bewezenverklaarde bedrag van € 95.772,- betreft het totaal van de overboekingen naar Moneybookersaccounts op naam van de verdachte, welk geld vervolgens terecht is gekomen op een persoonlijke bankrekening van de verdachte. Dit geld was afkomstig van het Moneybookersaccount van [D] . De verdachte ontving dit geld naar eigen zeggen omdat hij (een van) de ultimate benificial owner(s) van [D] was. De overboekingen tussen de accounts van [D] en de verdachte werden onder meer verricht door [betrokkene 10] in opdracht van de verdachte en/of [medeverdachte 1] . In het bijzonder uit bewijsmiddel 13 (van de bewijsmiddelen ten aanzien van feit 2 en 3, zie hierna in randnummer 7.18) is af te leiden dat dit het totaal betreft van meerdere overboekingen die hebben plaatsgevonden in de periode van september 2010 tot en met februari 2013. Het Moneybookersaccount van de verdachte was gekoppeld aan een Nederlandse bankrekening op naam van de verdachte, waarop de uiteindelijke uitbetaling plaatsvond. Uit dit bewijsmiddel volgt ook dat de beheerder van een Moneybookersaccount de enige is die opdracht kan geven om gelden vanaf het account over te boeken naar een reguliere bankrekening. Het hof heeft geoordeeld dat de verdachte zich wat betreft dit feit schuldig heeft gemaakt aan het in vereniging met anderen plegen van gewoontewitwassen en is aldus in zoverre tot een bewezenverklaring van het primaire gekomen.

7.11

Het onder 3 subsidiair bewezenverklaarde heeft in de eerste plaats betrekking op € 11.841.613,-, zijnde het totaal van bedragen die door [E] over de jaren 2006 tot en met mei 2013 zijn overgemaakt aan [F] en [G] , de persoonlijke holdings van de verdachte. Feit 3 subsidiair ziet in de tweede plaats op het vermogen dat de verdachte met het inkomen uit de persoonlijke holdings, en dus (indirect) uit [F] , opbouwde met de handel in vastgoed. De waarde van de bezittingen van de verdachte bedroeg anno 2011 € 5.698.687,- en bestond uit de huurwaarde van (kennelijk) twee eigen woningen, liquide middelen en aandelen en overige onroerende zaken. Het onder 3 subsidiair bewezenverklaarde heeft – om de woorden van de stellers van het middel te gebruiken – betrekking op andere witwasobjecten dan het onder 3 primair bewezenverklaarde. Ten aanzien van de onder 3 subsidiair bewezenverklaarde witwasgedragingen heeft het hof de verdachte niet als medepleger, maar als feitelijk leidinggever aangemerkt.

7.12

Het hof heeft blijkens de bewezenverklaring de tenlastelegging van feit 3 aldus verstaan, dat daarin aan de verdachte wordt verweten dat hij zich in een periode van ruim zeven jaren meermalen, op verschillende manieren en ten aanzien van diverse ‘witwasobjecten’ heeft schuldig gemaakt aan gewoontewitwassen. Dat de feiten per witwasobject volgens de steller van de tenlastelegging meermalen, en dus op verschillende tijdstippen, hebben plaatsgevonden, kan worden afgeleid uit de tenlastegelegde periode en de vermelding van het feit dat het (per witwasobject) gaat om totaalbedragen, hetgeen impliceert dat daaraan meerdere deelbedragen ten grondslag liggen. Het hof heeft klaarblijkelijk aangenomen dat aldus sprake is van een impliciet cumulatieve tenlastelegging. Deze - aan de feitenrechter voorbehouden - uitleg van de tenlastelegging is niet onverenigbaar met de bewoordingen ervan en moet in cassatie worden geëerbiedigd. Van die uitleg uitgaande heeft het hof ten aanzien van een deel van de witwasobjecten het primair tenlastegelegde bewezen kunnen achten en ten aanzien van andere witwasobjecten het subsidiair tenlastegelegde, zonder daarbij de grondslag van de tenlastelegging te verlaten.

7.13

Het hof heeft voorts overwogen dat het de verdachte ten aanzien van het overdragen, omzetten en gebruiken van de geldbedragen via de rechtspersonenstructuur aanmerkt als feitelijk leidinggever, daarmee kennelijk doelend op het onder 3 subsidiair bewezenverklaarde. Net als ten aanzien van het vijfde middel en in navolging van de ook daar genoemde overwegingen van het hof met betrekking tot feit 13, ligt daarin besloten dat ook ten aanzien van deze witwasgedragingen geen sprake is van medeplegen en de verdachte in zoverre wordt vrijgesproken van feit 3 primair. Dat dit niet in het dictum staat vermeld, wekt geen verbazing. Voor andere (impliciet cumulatief) onder 3 primair tenlastegelegde feiten volgt immers wel een veroordeling.

7.14

Het zesde middel faalt.

Het zevende middel

7.15

Het zevende middel houdt in dat de bewezenverklaring van feit 3 primair onvoldoende met redenen is omkleed. In het bijzonder kan uit de bewijsvoering niet volgen dat de verdachte – door in totaal € 95.772,- via Moneybookers/Skrill over te dragen en/of om te zetten en/of van dat geldbedrag gebruik te maken, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, aldus de stellers van het middel.

7.16

Of een meervoud aan gedragingen kan worden gekwalificeerd als het maken van een ‘gewoonte’, hangt af van de concrete omstandigheden van het geval. Daarbij kan onder meer betekenis toekomen aan de aard van de gedragingen en de omstandigheden waaronder deze zijn verricht, alsmede aan het aantal gedragingen en het tijdsbestek waarbinnen deze zich hebben afgespeeld. Daarbij geldt niet de eis dat wordt vastgesteld dat die gedragingen zich met een bepaalde minimumfrequentie hebben voorgedaan.

7.17

Het hof heeft onder 3 primair bewezenverklaard dat de verdachte in de periode van 1 januari 2006 tot en met mei 2013 in totaal € 95.772,- via Moneybrookers/Skrill heeft overgedragen en/of omgezet en/of van dat geldbedrag gebruik heeft gemaakt.

7.18

Ten aanzien van de feiten 2 en 3 heeft het hof onder meer de volgende bewijsmiddelen gebruikt:

“13. Het proces-verbaal d.d. 9 april 2014 (ZD02K, p. 1-25), voor zover inhoudende:

Skrill is een betaalmethode die het mogelijk maakt voor particulieren en bedrijven om middels een e-mailadres online betalingen te verrichten en maakt onderdeel uit van Moneybookers Ltd gevestigd in Engeland.

Bij Skrill (Moneybookers Limited) zijn de volgende accounts geregistreerd welke gerelateerd zijn aan de verdachten [medeverdachte 1] , [verdachte] en/of [C] :

Moneybookers ID: Geregistreerde naam:

[accountnummer 1] [D]

[accountnummer 2] [medeverdachte 1]

[accountnummer 3] [verdachte]

[accountnummer 4]

[accountnummer 5] [verdachte]

Moneybookers ID [accountnummer 1] [D]

Moneybookers account nummer [accountnummer 1] is geopend op naam van [D] . [D] is 100% aandeelhouder van de Engelse vennootschap [C] .

Registration details

Registered Company name : [D]

Registered URL’s: [internetsite 3] ; [internetsite 4] ;

[internetsite 1] ; [internetsite 4]

Registered Primary E-mail Address: [e-mailadres 1] ; [e-mailadres 2] .

Key Transactions

Omschrijving (het hof begrijpt: inkomende) transacties

[internetsite 1] periode 2009-2013 Totaal: € 201.808,-

[internetsite 2] periode 2009-2013 Totaal: € 61.591,-

[internetsite 4] periode 2009-2013 Totaal: € 21.200,-

[internetsite 3] periode 2009-2013 Totaal:€ 8.961,-

[internetsite 6] periode 2007-2008 Totaal: € 8.961,-

[internetsite 8] periode 2007-2008 Totaal: € 3.480,-

Overig periode 2007-2008 Totaal: € 38.335

De transacties bestaan hoofdzakelijk uit bedragen tussen de € 25,- en € 200,- per keer met vermelding ‘from <e-mailadres>‘ en omschrijving ‘ [internetsite 1] Credit Deposit’, [internetsite 4] Credit Deposit’, [internetsite 2] Credit Deposit’, en [internetsite 3] Credit Deposit’.

Opmerking verbalisant

Aan ieder account moet een e-mailadres gekoppeld zijn en betalingen kunnen alleen van Moneybookersaccount naar Moneybookersaccount plaatsvinden. De beheerder van een Moneybookersaccount kan als enige opdracht geven om gelden vanaf dit account over te laten boeken naar een reguliere bankrekening. Deze reguliere bankrekening moet gekoppeld zijn aan het Moneybookersaccount en bij Moneybookers/ Skrill geregistreerd zijn.

Moneybookers ID [accountnummer 3] [verdachte]

Registration details

Registered Name: [verdachte]

Registered Date of Birth: [geboortedatum] /1978

Date of Registration: 07/09/2010 13:25

Registered Primary e-mail address: [e-mailadres 4]

Registered Bank Account:

Account holder: [verdachte]

Institution: ING

Account Number: [rekeningnummer 2]

Key Transactions

Omschrijving transacties

From [e-mailadres 1] periode 2010-2013 Totaal € 95.750,-

From [e-mailadres 2] periode 2010 Totaal € 50,-

Overboeking naar bankrekening

ING Bank [rekeningnummer 2] tnv [verdachte] periode 2010-2013 Totaal € 95.772

Kosten/saldo € [...]

Ruim de helft van deze opbrengst werd vanaf het Moneybookersaccount van [D] overgeboekt naar Moneybookersaccounts op naam van [verdachte] en [medeverdachte 1] op basis van een 50-50 verdeling. Deze overboekingen werden onder meer verricht door [betrokkene 12] in opdracht van [verdachte] en/ of [medeverdachte 1] .

De Moneybookersaccounts van [verdachte] en [medeverdachte 1] waren gekoppeld aan Nederlandse bankrekeningen op hun naam, waarop de uiteindelijke uitbetaling heeft plaatsgevonden.

In de periode van september 2010 tot en met 1 maart 2013 ontving [medeverdachte 1] in totaal een bedrag van € 95.028 op zijn ING bankrekening met nummer [rekeningnummer 3] afkomstig van Moneybookers.

[verdachte] ontving in de periode van september 2010 tot en met februari 2013 in totaal een bedrag van € 95.772 op zijn ING bankrekening met nummer [rekeningnummer 4] afkomstig van

Moneybookers. Door de omschrijving op de Nederlandse bankrekeningen (‘Moneybookers’) is de herkomst van de geldbedragen niet zichtbaar en wordt verborgen en verhuld dat feitelijk de criminele opbrengst van online kansspelen in het privé vermogen van [verdachte] en [medeverdachte 1] vloeit. Uit informatie van de belastingdienst blijkt dat deze gelden niet zijn aangegeven bij de Nederlandse fiscus.

(…)

17. De verklaring van de verdachte [verdachte] , afgelegd ter terechtzitting van de rechtbank in september/oktober 2018, vastgelegd in het proces-verbaal van de terechtzitting van 17 september 2018 e.v., voor zover inhoudende:

(…)

U houdt mij voorts voor dat vanuit het Skrill account van [C] geld werd overgemaakt naar mijn Skrill account, dat gaat om een bedrag van € 95.772,- (ZD02K, p. 20). U vraagt mij waarom ik dat geld van [C] kreeg. [...] De reden dat wij geld van [C] kregen was ook omdat wij uiteindelijk de UBO’s (hof: ultimate benificial owners) waren van [D] .”

7.19

Uit bewijsmiddel 13 kan worden afgeleid dat in de periode van 2007-2013 bijna 350.000,- is binnengekomen op het Moneybookersaccount van [D] , bestaande uit transacties van hoofdzakelijk bedragen tussen de € 25,- en € 200,- en met vermeldingen die te koppelen zijn aan de meergenoemde websites waarop kansspelen werden aangeboden. In de meest voorzichtige schatting (dus uitgaande van € 200,-) betreft dat ruim 1.700 transacties. Ruim de helft hiervan werd in de periode van 2010-2013 in opdracht van de verdachte en/of [medeverdachte 1] op basis van een 50-50 verdeling overgeboekt naar Moneybookersaccounts op naam van de verdachte en [medeverdachte 1] . Ten aanzien van de verdachte betreft dat een totaalbedrag van € 95.772,-. In de periode van september 2010 tot en met februari 2013 ontving de verdachte eenzelfde totaalbedrag op zijn ING bankrekening met nummer [rekeningnummer 3] .

7.20

In de toelichting op het middel wordt betoogd dat hieruit niet volgt “hoeveel overboekingen hebben plaatsgevonden of hoeveel handelingen verdachte in dat verband heeft verricht (het ‘aantal gedragingen’)”. Dat is op zichzelf juist, concrete aantallen overboekingen of gedragingen volgen niet uit de bewijsvoering. Dit kan de verdachte echter niet baten. Uit de bewijsvoering volgt wél dat gedurende enige jaren overboekingen plaatsvonden vanuit het Moneybookersaccount van [D] via het Moneybookersaccount van de verdachte naar de ING bankrekening van de verdachte, waarmee een totaalbedrag van € 95.772,- was gemoeid en de verdachte de enige was die opdracht kon geven tot overboekingen van zijn Moneybookersaccount naar zijn daaraan gekoppelde ING bankrekening. Daaruit heeft het hof kennelijk afgeleid dat de aard van de gedragingen steeds min of meer hetzelfde was en deze gedragingen gedurende een periode van meerdere jaren meermalen hebben plaatsgevonden. Het daarop gebaseerde oordeel van het hof dat de verdachte, met een ander, een gewoonte heeft gemaakt van het plegen van witwassen is mijns inziens toereikend gemotiveerd.

7.21

Het zevende middel faalt.

Het achtste middel

7.22

Het achtste middel bevat de klacht dat het hof ten aanzien van het onder 8 tenlastegelegde de grondslag van de tenlastelegging heeft verlaten door – zonder te beslissen over het primair tenlastegelegde – het subsidiair tenlastegelegde bewezen te verklaren.

7.23

Onder 8 primair is tenlastegelegd dat de verdachte, als medepleger, valselijk 51 facturen heeft opgemaakt door het in strijd met de werkelijkheid doen voorkomen dat goederen en/of diensten van [M] werden geleverd en/of waarbij in strijd met de werkelijkheid als omschrijving was opgenomen ‘revenueshare’. Subsidiair wordt de verdachte verweten feitelijk leiding te hebben gegeven aan het door [K] en/of [L] en/of de stichting [M] opzettelijk voorhanden hebben van die facturen dan wel het gebruik maken daarvan.

7.24

Uit de bewijsvoering van het hof ten aanzien van feit 4 kan worden afgeleid dat een van de persoonlijke holdings van de verdachte (in)direct 100% aandeelhouder is van [K] en [L] . Bij de beoordeling van feit 4 heeft het hof geoordeeld dat de verdachte feitelijk leidinggever was van de [L] vennootschappen en dat hij op feitelijk niveau de beslissingen nam, ook met betrekking tot de financiële zaken. Het hof heeft vastgesteld dat hij, met [medeverdachte 1] , ook de feitelijk leidinggever (en UBO) was van [M] , een klant van eerst [K] en later [L] . De verdachte zorgde ervoor dat facturen van de [L] vennootschappen aan [M] werden gestuurd ter betaling van aan [M] geleverde diensten terwijl die facturen aan zijn eigen e-mailadres en aan die van zijn werkneemster [betrokkene 10] werden gestuurd, waarna [betrokkene 10] – in opdracht van de verdachte – zorgdroeg voor betaling van deze facturen. Het hof heeft geoordeeld dat de verdachte zich op deze manier als feitelijk leidinggever heeft schuldig gemaakt aan het witwassen van € 2.200.000,-. Hierover wordt in cassatie niet geklaagd.

7.25

Feit 8 heeft betrekking op de facturen die in dit kader werden gebruikt. In de bewijsvoering ten aanzien van feit 8 verwijst het hof naar de opzet en structuur van de [L] vennootschappen en [M] . Het hof oordeelt vervolgens dat de verhouding tussen [K] , [L] en [M] een schijnconstructie was, waarbij de ogenschijnlijke zelfstandige positie van [M] en diens formele bestuurders zijn gebruikt om de geldstromen en het feit dat alle zeggenschap over deze vennootschap bij de verdachte en [medeverdachte 1] lag te verhullen. Naar het oordeel van het hof is het opstellen van de facturen door [K] en [L] en de betaling daarvan door [M] een opzet geweest om te verhullen dat de verdachte volledige controle en zeggenschap had over de geldstroom, die indirect afkomstig was uit het aanbieden van online kansspelen in Nederland, waaraan de verdachte en [medeverdachte 1] feitelijk leiding gaven. Onder het kopje ‘Medeplegen of feitelijk leidinggevende aan’ oordeelt het hof vervolgens dat de verdachte, gelet op zijn rol als feitelijk leidinggevende van de [L] vennootschappen (zoals vastgesteld bij de bespreking van feit 4) en zijn rol in de gang van zaken rondom het factureringsproces, hieraan feitelijk leiding heeft gegeven.

7.26

In het voorgaande ligt besloten dat naar het oordeel van het hof ook ten aanzien van feit 8 geen sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking van de verdachte met andere (rechts)personen (het onder 8 primair tenlastegelegde), maar van een functioneren onder leiding van de verdachte (het onder 8 subsidiair tenlastegelegde). Bevestiging daarvoor is te vinden in het dictum, waarin het hof beslist dat de verdachte wordt vrijgesproken van feit 8 primair. Anders dan de stellers van het middel willen, heeft het hof dus wel geoordeeld over het onder 8 primair tenlastegelegde.

7.27

Het achtste middel mist feitelijke grondslag.

Het negende middel

7.28

Het negende middel klaagt dat het hof de bewezenverklaring van feit 8 onvoldoende met redenen heeft omkleed. Volgens de stellers van het middel kan uit de bewijsmiddelen niet worden afgeleid dat de valsheid bestaat uit het in strijd met de werkelijk doen voorkomen dat goederen en/of diensten aan [M] werden geleverd en waarbij in strijd met de werkelijkheid als omschrijving op voornoemde facturen was opgenomen “revenueshare” en is het oordeel van het hof dat de bewezenverklaarde facturen kunnen worden aangemerkt als ‘valse geschriften’ ook overigens onjuist, onbegrijpelijk en/of ontoereikend gemotiveerd.

7.29

Onder 8 is zoals gezegd bewezenverklaard dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het feitelijk leidinggeven aan het door [K] en/of [L] en/of de stichting [M] opzettelijk voorhanden hebben van valse facturen. Het hof heeft die bewezenverklaring doen steunen op de bewijsmiddelen die ook ten aanzien van feit 4 zijn gebruikt (p. 78-103 van de bewijsmiddelenbijlage, waarvan 97-103 meer in het bijzonder betrekking heeft op het witwassen van € 2.200.000,- via Buckaroo door [M] ) en de bewijsmiddelen op p. 351-471 (p. 369-471 betreffen de facturen). Ik volsta met een weergave van een deel van bewijsmiddel 5 (p. 353 en verder):

“5. Het proces-verbaal witwassen middels de buitenlandse rechtspersoon [M] d.d. 14 april 2014 (opgenomen voorafgaand aan ZD02M-1, p. 1 t/m 17), voor zover inhoudende:

(…)

1.2

Onderwerp van dit proces-verbaal

In dit proces-verbaal zal één van deze methodieken worden beschreven, namelijk witwassen via de (Panamese rechtspersoon) [M] .

Uit onderzoek blijkt dat [verdachte] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] medio 2011 zijn begonnen met de opzet van een organisatiestructuur waarin ogenschijnlijk legale activiteiten met betrekking tot ontwikkeling van online casinospelen en het middels een systeem van licenties aanbieden van deze online casinospelen aan aanbieders van online casino’s zijn ondergebracht. Het ontwikkelen van spellen en deze aanbieden aan online casino uitbaters is niet strafbaar gesteld in Nederland.

Deze organisatiestructuur, bestaande uit vennootschappen met alle in hun naam ‘ [L] ’ zal hierna genoemd worden: ‘ [L] structuur’.

De verdachten doen voorkomen alsof vennootschappen binnen de ‘ [L] structuur’ een zakelijke relatie hebben met [M] wat leidt tot het ‘ontstaan’ van een factuur- en geldstroom.

(…)

5 Bevindingen onderzoek factuur- en geldstromen

Naar aanleiding van de, hiervoor in paragraaf 4 beschreven, aangetroffen informatie dat onze verdachten, dan wel aan hen toebehorende vennootschappen, feitelijk zelf achter de door [K] en [L] als klant gepresenteerde ‘onderneming’ [M] zitten is onderzoek gedaan naar de facturen en bijbehorende geldstromen.

5.1

Facturen gericht aan [M]

In de op [a-straat 1] in beslaggenomen administratieve stukken zijn de ordners aangetroffen met daarin de verkoop facturen van de respectievelijk ‘ [L] ’ vennootschappen. De verkoop facturen van [K] en [L] , zijn gerecapituleerd waarbij inzichtelijk is gemaakt het totaal aan facturen alsmede het aandeel van de aan [M] toe ter rekenen omzet hierin.

De door de ‘ [L] ’ vennootschappen opgestelde en aan [M] gerichte facturen (factuur adres [b-straat 1] , Panama City) hebben als omschrijving/onderbouwing een revenueshare’ (vrij vertaald: opbrengst verdeling) berekening. Waarbij de revenueshare betrekking heeft op middels casinospelen gegenereerde omzet. De uitkomsten hiervan zijn in onderstaande tabel weergegeven:

(…)

Op grond van bovenstaande tabel kan geconcludeerd worden dat gedurende de periode vanaf het moment van de start van de activiteiten in [K] medio 2011 tot aan het moment vlak voor de inbeslagname van de stukken op 24 mei 2013 binnen [K] en [L] :

• Er voor circa € 3,1 miljoen aan verkoop facturen is aangetroffen in de administratie

• Van deze circa € 3,1 miljoen er bijna € 2,2 miljoen aan facturen gericht is aan [M] te Panama

• De facturen gericht aan [M] , afgerond, 70% (in waarde) van het totaal aantal verkoopfacturen betreft.

Binnen de overige tot de ‘ [L] structuur’ behorende vennootschappen [Z] en [AA] zijn geen facturen, gericht aan [M] , aangetroffen.

Stapsgewijs kan het factureringsproces als volgt worden weergeven:

1. Administratie ‘ [L] Vennootschappen’ maakt verkoopfacturen

2. Verkoop factuur wordt gemaild naar [M] tav

[e-mailadres 3] en [e-mailadres 1]

(opm. verbalisant: feitelijk factureren ze aan zichzelf!)

3. Factuur wordt opgenomen in administratie

(…)

Uit aangetroffen e-mails is vastgesteld dat facturen aan [M] , door een medewerkster van de ‘Bubble structuur’, daadwerkelijk gemaild worden naar de mailadressen [e-mailadres 3] (= [verdachte] ) en [e-mailadres 1] (= [betrokkene 12] )

5.2

Betaling van facturen op naam van [M]

Uit onderzoek van de op de ING-bankrekeningen van [K] en [L] ontvangen gelden is gebleken dat in het jaar 2012 voor circa € 1,5 miljoen is ontvangen aan overboekingen van de stichting derdengelden rekening Buckaroo . Een groot deel van deze ontvangsten per bank zijn, aan de hand van de bedragen en meegegeven betalingskenmerken, te matchen met de facturen aan [M] . Hierbij valt op te merken dat het opmerkelijk is dat de facturen die gericht zijn aan een Panamees bedrijf, te weten [M] , betaald worden vanaf de stichting derdengelden rekening(en) van Buckaroo . Van deze ‘ Buckaroo ’ rekening is bekend dat de inkomende geldstroom geheel afkomstig is van de door de verdachten behaalde criminele inkomsten uit de illegale online casino’s.

Ook voor het jaar 2011 en 2013 is uit onderzoek vast komen te staan dat het merendeel van de betalingen namens [M] aan de respectievelijke [L] vennootschappen direct (middels factuurnummers, exact overeenkomende bedragen) te koppelen zijn aan betalingen gedaan vanaf de bij Buckaroo aangehouden accounts. Deze Buckaroo accounts worden zoals eerder gemeld gevoed door gelden afkomstig verdiend in de online casino’s van verdachten. De omvang van de geldstroom over deze twee jaren komt grofweg uit op circa € 750.000.

(…)

5.3 ‘

confrontatie’ Facturenstroom versus geldstroom

Op grond van het onderzoek naar de geld en facturenstroom tussen de ‘ [L] structuur’ enerzijds en het Panamese [M] anderzijds kan gesteld worden dat de geldstroom afkomstig is van de door de verdachten bij Buckaroo aangehouden bankrekening.

Van deze bij Buckaroo aangehouden rekening is vastgesteld dat de inkomende geldstroom geheel afkomstig is van de door de verdachten behaalde criminele inkomsten uit de illegale

online casino’s. Er zijn geen daadwerkelijke geldstromen geconstateerd van of naar Panama.

Ten aanzien van de facturenstroom kan gesteld worden dat de facturen gemaakt worden binnen de ‘ [L] structuur’ en feitelijk aan de verdachten zelf worden gestuurd. De combinatie van ‘aan zichzelf factureren’ en betalen vanaf ‘hun eigen’ bij Buckaroo aangehouden rekening duidt erop dat de facturenstroom geheel gefingeerd is, om de geldstroom een ogenschijnlijk legale herkomst te geven.

6 Resumé

Uit de inbeslaggenomen administratie op [a-straat 1] te [plaats] is gebleken dat binnen de structuur van [L] vennootschappen een klant wordt opgevoerd, te weten [M] . Van deze ‘klant’ is uit onderzoek gebleken dat:

• intern wordt aangegeven dat ze ( [L] c.s.) zelf [M] zijn

• dat deze klant, [M] , gebruikt wordt voor de data op hun eigen (gok)sites

• de facturen aan deze in Panama gevestigde klant [M] gestuurd worden naar een tweetal e-mailadressen ( [e-mailadres 5] en [e-mailadres 1] ) worden gehanteerd. Deze e-mailadressen zijn, zoals uit onderzoek aan inbeslaggenomen goederen is gebleken in gebruik bij [verdachte] respectievelijk [betrokkene 10] . Beide personen zijn werkzaam binnen de structuur van ‘ [L] ’ vennootschappen als ook voor [E] .

Daarnaast is uit afgelegde verklaringen door verdachten en getuigen met betrekking tot [M] naar voren gekomen dat:

• [M] dient om de werkelijke UBO’s, te weten [verdachte] , [medeverdachte 1] en zijn broer, achter de Costa Ricaanse vennootschappen, de aanbieders van online kansspelen, te verbergen.

• de werkzaamheden van [betrokkene 2] niet meer betroffen dan het fungeren als postbus

• de als UBO naar voren geschoven persoon [betrokkene 8] , niet weet wat een UBO is, en dat zij zich er ook niet van bewust is UBO te zijn, zij niet weet wat [M] doet en er ook nooit gewerkt heeft

• [M] feitelijk de voortzetting is van de binnen [E] opgevoerde klant [internetsite 9] , omdat [internetsite 9] geen klant mocht zijn van [L]

• de wijze van factuurverzending qua begeleidend schrijven afwijkt van alle andere via mail verstuurde facturen aan andere klanten

• het e-mailadres [e-mailadres 1] door verdachte [betrokkene 10] wordt erkend als haar mailadres

• door getuigen verklaard wordt dat [e-mailadres 3] toebehoort aan [verdachte]

• dat facturen gericht aan [M] door de financiële rechterhand van [verdachte] , te weten [betrokkene 12] per mail ontvangen werden en dat deze door haar in Nederland vanaf de bij Buckaroo aangehouden accounts namens [M] aan [L] werden betaald (opm. verbalisant: facturen van [L] aan [M] bleven dus ‘feitelijk’ binnen de kantoormuren van [L] en werden dus door een medewerkster van [L] , via de systemen van [L] betaald aan [L] ).

Nader onderzoek naar de facturen stroom richting [M] alsmede de

daarmee verbandhoudende (tegengestelde) geldstroom heeft geleid tot de volgende bevindingen:

Facturenstroom:

Met betrekking tot de periode medio 2011 tot aan de actiedatum op 24 mei 2013 zijn in de administraties van respectievelijke [K] en [L] voor circa € 3,1 miljoen aan verkoopfacturen aangetroffen (circa 438 facturen). Hiervan zijn circa 50 facturen gericht aan [M] voor een totaalbedrag van circa € 2,2 miljoen, dit is circa 70% van de totale factuurwaarde. Opvallend is hierbij dat de gemiddelde waarde van een factuur aan [M] circa € 43.416 bedraagt en dat de gemiddelde factuurwaarde aan overige klanten slechts € 2.345 per factuur bedraagt.

Indien hierbij de door verdachte [betrokkene 13] afgelegde verklaring: ‘De grootste klant

binnen [L] , zijn zij zelf, te weten [internetsite 1] ’ in ogenschouw wordt genomen dan zou ook op basis van deze verklaring aangenomen kunnen worden dat [M]

verband houdt met [internetsite 1] en dat ze dit zelf zijn.

Geldstroom:

Uit onderzoek van de op de ING-bankrekeningen van [K] en [L] ontvangen gelden is gebleken dat in het jaar 2012 voor circa € 1,5 miljoen is ontvangen aan overboekingen van de stichting derdengelden rekening Buckaroo . Een groot deel van deze ontvangsten per bank zijn, aan de hand van de bedragen en meegegeven betalingskenmerken, te matchen met de facturen aan [M] . Ten aanzien van de stichting derdengeldenrekening Buckaroo is gedurende het onderzoek vastgesteld dat deze rekening gebruikt wordt voor de verwerking van de geldstromen van de casinospelen. Betalingen vanaf deze rekening kunnen derhalve ook gezien worden als betalingen met een criminele herkomst.

Ook voor het jaar 2011 en 2013 is uit onderzoek vast komen te staan dat het merendeel van de betalingen namens [M] aan de respectievelijke [L] vennootschappen direct (middels factuurnummers, exact overeenkomende bedragen) te koppelen zijn aan betalingen gedaan vanaf de bij Buckaroo aangehouden accounts. Het gaat voor deze twee (delen van) jaren om circa € 750.000.

In totaal is er over de jaren 2011-2013 een geldstroom met criminele herkomst van circa € 2,2 miljoen vanaf de Buckaroo accounts van de verdachten aangewend voor betalingen ‘namens' [M] .

Gesteld kan worden dat er binnen de structuur van ‘ [L] ’ vennootschappen enerzijds en [M] anderzijds er sprake is van de misdrijven ‘witwassen’, artikel 420 bis WvSr en ‘valsheid in geschrift’, artikel 225 WvSr.

Middels de gefingeerde facturenstroom aan het Panamese bedrijf [M] wordt de werkelijke aard en herkomst van de geldstroom, te weten illegale online casino’s, verborgen dan wel verhuld (art. 420 bis WvSr). Het opmaken c.q. gebruik maken van de vermoedelijk valselijk opgemaakte facturen valt onder artikel 225 WvSr, ‘valsheid in geschrift’.

Het op deze wijze verkregen geld wordt in de ‘ [L] structuur’ aangewend om deze structuur financieel gezien ‘draaiende’ te houden. Zonder deze geldstroom zou de cash-flow binnen de ‘ [L] structuur’ negatief zijn.”

7.30

Het hof heeft mede op basis hiervan vastgesteld dat het opstellen van de facturen door [K] en [L] en de betaling daarvan door [M] een opzet is geweest om te verhullen dat de verdachte volledige controle en zeggenschap had over de geldstroom, die indirect afkomstig was van het aanbieden van online kansspelen in Nederland, waaraan de verdachte en [medeverdachte 1] feitelijk leiding gaven. Omdat de facturen tussen [L] en [M] onderdeel waren van de opzet en als doel hadden de schijnconstructie te verhullen, acht het hof bewezen dat de facturen van [K] en [L] aan [M] in strafrechtelijke zin volledig vals zijn.

7.31

Anders dan de stellers van het middel meen ik dat de bewijsvoering van het hof de bewezenverklaring van feit 8, waaronder het oordeel dat de facturen vals zijn, kan dragen. Ik verwijs naar bewijsmiddel 5 en licht daar een aantal elementen uit. Van belang is dat het hof heeft vastgesteld dat de verdachte(n), dan wel de aan hen toebehorende vennootschappen feitelijk zelf achter de door hen als klant gepresenteerde ‘onderneming’ [M] zaten (en niet de op papier gepresenteerde personen). De facturen aan [M] werden door een medewerkster van de [L] structuur gemaild naar de mailadressen [e-mailadres 3] (= de verdachte) en [e-mailadres 1] (= [betrokkene 12] ) en vervolgens betaald van door de verdachten aangehouden bankrekeningen/accounts bij Buckaroo (die werden gevoed met inkomsten uit de online kansspelen). Het bewijsmiddel houdt voorts in dat de combinatie van ‘aan zichzelf factureren’ en betalen van ‘hun eigen’ bij Buckaroo aangehouden rekening wijst op een geheel gefingeerde facturenstroom. Daarin ligt besloten dat de facturen niet dienden ter betaling van geleverde goederen en/of diensten en dat geen sprake was van ‘revenueshare’. Gelet op die specifieke feiten en omstandigheden, heeft het hof uit de bewijsvoering kunnen afleiden dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het valselijk opmaken van de facturen zoals onder 8 bewezenverklaard.

7.32

Het negende middel faalt eveneens.

8 Het tiende middel

8.1

Het tiende middel richt zich tegen de verwerping door het hof van het verweer ten aanzien van feit 11 strekkende tot ontslag van alle rechtsvervolging wegens verontschuldigbare rechtsdwaling.

8.2

Ten laste van de verdachte is onder 11 bewezenverklaard dat:

“11. primair

[K]

als rechtspersoon bij vonnis van de rechtbank Oost Brabant op 25 februari 2014 in staat van faillissement verklaard,

in Nederland,

tezamen en in vereniging met anderen

in de periode van 13 februari 2014 tot en met 20 februari 2014

ter bedrieglijke verkorting van de rechten van de schuldeisers van die [K] ,

a. enig goed aan de boedel onttrokken, en

b. op een tijdstip waarop [K] en haar mededaders wisten dat het faillissement niet kon worden voorkomen, één of meer van haar schuldeisers op enige wijze heeft/hebben bevoordeeld,

hebbende [K] tezamen met haar mededaders,

enig goed, te weten een bedrag (van EUR 14.520) rond 20 februari 2014 overgeboekt van de rekening van [K] op een rekening van [N] ,

hebbende hij, de verdachte, feitelijke leiding gegeven aan die verboden gedraging;”

8.3

De uitspraak van het hof houdt voorts het volgende in:

“Faillissementsfraude (zaaksdossier 04, feit 11)

Het aan de verdachte onder feit 11 tenlastegelegde komt erop neer dat in het zicht van het faillissement van [K] op 20 februari 2014 een bedrag € 14.520,00 is overgeboekt van de rekening van [K] naar de rekening van [N] ter voldoening van een factuur van [N] , waardoor [N] ten opzichte van andere schuldeisers is bevoordeeld.

[K] is onderdeel van een structuur van Bubble. Enig aandeelhouder en bestuurder van [K] is de besloten vennootschap [I]

Enig aandeelhouder en bestuurder van [I] is [G]

waarvan [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1978 op zijn beurt enig aandeelhouder en bestuurder is.

[K] is bij vonnis van de rechtbank Oost-Brabant op 25 februari 2014 failliet

verklaard.

De curator in het faillissement mr. [betrokkene 14] heeft aangifte gedaan van het feit dat op 20 februari 2014 een factuur van [N] nr. DT20140003 d.d. 13 februari 2014 met als omschrijving ‘aanvullende programmeer- en consultancywerkzaamheden in de periode van januari 2013’ ad € 14.520,00 is betaald vanaf de rekening [rekeningnummer 5] op naam van [K]

In het dossier bevinden zich twee versies van de factuur van [N] die niet overeenkomen. De versie aangetroffen in de administratie van [K] vermeldt een betalingstermijn van 30 dagen en een omschrijving met betrekking tot werkzaamheden ‘januari 2013’. De versie aangetroffen in de administratie van [N] vermeldt een betalingstermijn van 10 dagen en een omschrijving met betrekking tot werkzaamheden ‘januari 2014’. De indruk dat sprake is van een onjuiste, wellicht valselijk opgemaakte versie van de factuur zal het hof onbesproken laten, nu het al dan niet valselijk opmaken van de factuur niet afdoet aan of bijdraagt aan de omstandigheid dat op 20 februari 2014 een bedrag van € 14.520,00 is overgemaakt door [K]

Naar het oordeel van het hof was op die datum duidelijk en voorzienbaar dat [K] in staat van faillissement zou worden gesteld. Reeds in 2013 was duidelijk dat de financiële situatie van [K] niet goed was. Op 14 februari 2014 heeft een vergadering van aandeelhouders plaatsgevonden waarin werd besloten dat zo spoedig mogelijk het faillissement moest worden aangevraagd gezien de slechte financiële situatie.

Daarbij kreeg [betrokkene 15] , de moeder van de verdachte, opdracht om daarvoor zorg te dragen.

Verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg erkend dat genoemd bedrag is betaald aan [N] / [medeverdachte 3] . Daarbij heeft hij tevens verklaard dat schuldeisers niet zijn

benadeeld, omdat voorafgaand aan de betaling een bedrag ter hoogte van het factuurbedrag is overgemaakt van de rekening van [L] naar de rekening van [K] , juist met het oogmerk om benadeling van andere schuldeisers te voorkomen. Hierin is de verdachte geadviseerd door zijn civiele advocaat en voormalig curator.

Naar het oordeel van het hof gaat dit verweer niet op. Door een bedrag door [L] in de boedel van [K] te brengen is dat bedrag onderdeel gaan uitmaken van de boedel van [K] . Daarmee bestond niet meer de vrijheid om in het zicht van het faillissement een factuur van [N] te betalen en andere schuldeisers niet. Door dat wel te doen is [N] ten opzichte van andere schuldeisers bevoordeeld. Gelet op de verdachtes verklaring ter terechtzitting in eerste aanleg is daarbij welbewust gekozen voor het betalen aan [N] en niet aan anderen, waardoor er minder middelen in de boedel overbleven om andere schuldeisers te voldoen.

De feitelijke betaling is verricht door [betrokkene 15] , welke handeling moet worden toegerekend aan [K] nu deze handeling in de sfeer en ten behoeve van de rechtspersoon

is verricht. Verdachte had ontegenzeggelijk de feitelijke zeggenschap over de gang van zaken binnen [K] en had de bevoegdheid en de mogelijkheid om te beschikken over het al dan niet betalen aan [N] Weliswaar bevond hij zich in de tenlastegelegde periode in detentie vanwege de voorlopige hechtenis in het kader van onderzoek Rykiel, maar die omstandigheid heeft er niet aan in de weg gestaan dat hij doorlopend overleggen en bijeenkomsten heeft gehad met allerlei betrokkenen, zoals [medeverdachte 3] of zijn moeder. Ook heeft hij deelgenomen aan een Algemene vergadering van aandeelhouders van [K] Uit zijn verklaring afgelegd ter terechtzitting in eerste aanleg kan worden afgeleid dat de verdachte de hand heeft gehad in het regelen van de betaling van de factuur van [N]

Met de rechtbank acht het hof derhalve wettig en overtuigend bewezen dat [K] in zicht van een faillissement een bedrag van € 14.520,00 aan [N] heeft betaald, waardoor [N] is bevoordeeld ten opzichte van andere schuldeisers, aan

welke gedraging de verdachte feitelijke leiding heeft gegeven.

Voor zover de verdediging zich subsidiair nog op het standpunt heeft gesteld dat de verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging, zal het hof dat hierna bij de

strafbaarheid van het bewezenverklaarde bespreken.”

8.4

Volgens de schriftelijke pleitaantekeningen, die volgens het proces-verbaal van de terechtzitting van 1 december 2023 zijn voorgedragen, heeft de verdediging ten aanzien van feit 11 onder meer het volgende aangevoerd (met weglating van voetnoten):

“246. Voorover geoordeeld wordt dat er wel sprake is van een aanmerkelijke kans op verkorting van rechten, kan niet bewezen worden dat [verdachte] deze kans bewust heeft aanvaard.

247. Hiervoor is onder andere van belang is de situatie waarin cliënt zich bevond. Hij zat in februari 2014 al enige tijd in voorlopige hechtenis en hierdoor was zijn informatiepositie en zijn gelegenheid om het bedrijf te runnen ernstig beperkt. Nog meer dan daarvoor al het geval was geweest, moest hij vertrouwen op zijn adviseurs. In dit kader is hij bijgestaan door mr. [betrokkene 16] , civiel advocaat en curator.

248. [verdachte] heeft verklaard door het overmaken van het geldbedrag van [L] naar [K] er geen sprake is van benadeling van de schuldeiseres. Hij heeft tevens

verklaard dat mr. [betrokkene 16] hem hierover heeft geadviseerd. Deze verklaring van [verdachte] wordt niet weerlegd door de bewijsmiddelen in het dossier. Integendeel.

249. [betrokkene 16] bezocht [verdachte] veelvuldig in de PI [plaats] . [verdachte] kende [betrokkene 16] als curator van een eerder faillissement waarbij hij betrokken was. [betrokkene 16] was destijds reeds 34 jaar advocaat met als specialisme faillissementsrecht. [betrokkene 16] is gehoord bij de Raadsheer-commissaris en heeft bevestigd dat hij [verdachte] , die zich in detentie bevond, heeft bijgestaan en heeft geadviseerd. Het betrof in ieder geval de bedrijven [L] en [K] zo wist hij te herinneren.

250. Aan het advies van [betrokkene 16] is -gezien zijn beroep als advocaat, zijn jarenlange ervaring als curator, zijn ruime ervaring en expertise, zodanig gezag toe te kennen dat [verdachte] in redelijkheid op de deugdelijk van dit advies mocht vertrouwen.

251. Er is sprake van verontschuldigbare dwaling hetgeen het opzet aantast en aldus als bewijsverweer dient te gelden. Dat betekent dat [verdachte] dient te worden vrijgesproken. Subsidiair dient bij een geslaagd beroep op verontschuldigbare dwaling [verdachte] te worden

ontslagen van rechtsvervolging.”

8.5

Het hof heeft het beroep op verontschuldigbare dwaling verworpen en overwogen:

“2. Verontschuldigbare rechtsdwaling faillissementsfeit (feit 11)

De verdediging heeft zich in hoger beroep subsidiair op het standpunt gesteld dat - op de gronden zoals verwoord in de pleitnotitie - de verdachte ten aanzien van het faillissementsfeit zich bij het bepalen van zijn keuze heeft laten bijstaan door zijn civiele advocaat, en hij derhalve van alle rechtsvervolging ontslagen dient te worden omdat de verdachte verontschuldigbaar heeft gedwaald.

Oordeel hof

Voor het slagen van een beroep op afwezigheid van alle schuld wegens dwaling ten aanzien van de wederrechtelijkheid van het bewezenverklaarde feit, is vereist dat aannemelijk is geworden dat de verdachte heeft gehandeld in een verontschuldigbare onbewustheid ten aanzien van de ongeoorloofdheid van de hem verweten gedraging. Daarvan kan sprake zijn indien de verdachte is afgegaan op het advies van een persoon of instantie aan wie of waaraan zodanig gezag valt toe te kennen dat de verdachte in redelijkheid op de deugdelijkheid van het advies mocht vertrouwen. Bij de beoordeling van dit verweer kunnen de volgende aspecten van belang zijn (zie onder meer HR 26 februari 2008, L.IN BC0813)

- de onafhankelijkheid en de onpartijdigheid van de adviseur;

- de specifieke deskundigheid van de adviseur;

- de complexiteit van de materie waarover advies wordt ingewonnen;

- de precieze inhoud van de adviezen.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

De verdachte stelt zich op het standpunt dat hij zich ten tijde van zijn detentie heeft laten bijstaan door zijn civiele advocaat [betrokkene 16] . Uit het verhoor bij de raadsheer-commissaris van 11 mei 2022 blijkt dat [betrokkene 16] zich meent te herinneren dat hij door [verdachte] , of diens moeder, is bevraagd over het overmaken van een geldbedrag. Ten aanzien van het overmaken van dat mogelijke geldbedrag heeft hij het volgende verklaard:

'Ik heb toen gezegd: betaal eerst van het ene bedrijf naar het andere en betaal daarna de rekening. Anders zou het zo zijn dat er een bedrijf betaald had waar geen factuur naar verstuurd was en bij het andere bedrijf de factuur open zou blijven staan. U vraagt mij of ik

er over nagedacht heb of dat kon. Ik ging uit van een rekeningcourantverhouding tussen de vennootschappen en dal het op deze manier overgeboekt zou worden.’

Uit het verhoor kan slechts worden opgemaakt dat bij hem advies is ingewonnen over een betaling. De getuige heeft slechts verklaard dat er een betaling moest plaatsvinden, waarbij op rekening van de schuldenaar geen geld stond, en op naam van een andere vennootschap wel geld stond. Hierbij heeft de getuige slechts in acht genomen dat er mogelijk een rekeningcourant verhouding tussen de vennootschappen bestond, en dat het op die manier overgeboekt zou kunnen worden. Na verduidelijking heeft de getuige hierover als volgt verklaard:

'Ik kan mij herinneren dat er een betaling moest plaatsvinden door BV A. Bij BV A stond geen geld op de rekening en bij BV B wel. Ik zei dat er van BV B naar BV A geld moest worden overgemaakt en ik ging er vanuit dat het tussen deze twee vennootschappen ging om een rekeningcourantverhouding. Ik heb alleen gezegd dat van BV B naar BV A geld overgemaakt moest worden.’

Reeds in 2013 was duidelijk dat de financiële situatie van [K] niet goed was en [betrokkene 16] verklaart daarover dat de bedrijven het moeilijk hadden door alle gelegde beslagen, maar ook dat het de wens van de verdachte was om na de afloop van de detentie met het bedrijf verder te gaan. Uit dit verhoor blijkt in ieder geval niet dat [betrokkene 16] als adviseur op de hoogte was van de situatie dat duidelijk en voorzienbaar was dat [K] in staat van faillissement zou worden gesteld. Daarnaast blijkt niet dat [betrokkene 16] aanwezig was op 14 februari 2014 waar een vergadering van aandeelhouders heeft plaatsgevonden waarin werd besloten dat zo spoedig mogelijk het faillissement moest worden aangevraagd gezien de slechte financiële situatie.

Gelet op bovenstaande kan naar het oordeel van het hof niet worden vastgesteld dat [betrokkene 16] daadwerkelijk en specifiek met inachtneming van de achtergrond van de financiële situatie van [K] op de betreffende situatie heeft kunnen adviseren, nu hij daartoe door de verdachte niet van de juiste informatie is voorzien. Het handelen van de verdachte was derhalve wederrechtelijk terwijl geen sprake was van een advies van een persoon of instantie aan wie of waaraan zodanig gezag valt toe te kennen dat de verdachte in redelijkheid op de deugdelijkheid van het advies mocht vertrouwen. Het beroep op rechtsdwaling faalt.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.”

Het beoordelingskader bij het tiende middel

8.6

Bij de beoordeling van dit middel moet worden vooropgesteld dat voor het slagen van een beroep op dwaling ten aanzien van de wederrechtelijkheid van het bewezenverklaarde feit vereist is dat aannemelijk is dat een verdachte heeft gehandeld in een verontschuldigbare onbewustheid ten aanzien van de ongeoorloofdheid van de hem verweten gedraging. Daarvan kan sprake zijn indien de verdachte is afgegaan op het advies van een persoon of instantie aan wie of waaraan zodanig gezag valt toe te kennen dat de verdachte in redelijkheid op de deugdelijkheid van het advies mocht vertrouwen. Bij de beoordeling van een daartoe strekkend verweer kunnen verschillende aspecten van belang zijn, waaronder in een geval als het onderhavige:

- de onafhankelijkheid en de onpartijdigheid van de adviseur;

- de specifieke deskundigheid van de adviseur;

- de complexiteit van de materie waarover advies wordt ingewonnen;

- de precieze inhoud van de adviezen.

De bespreking van het tiende middel

8.7

De aspecten zoals hierboven genoemd zijn door de Hoge Raad aangemerkt als niet-limitatieve aspecten die van belang kunnen zijn bij de beoordeling van een beroep op dwaling, niet als wegingsfactoren die bij de beoordeling van elk geval moeten worden betrokken. De eerste deelklacht, die inhoudt dat het hof ‘de vier voornoemde wegingsfactoren’ onvoldoende kenbaar in de beoordeling heeft betrokken en het oordeel zodoende ontoereikend is gemotiveerd, faalt reeds daarom. Ook de klacht die inhoudt dat het hof blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting voor zover het heeft geëist dat een verdachte voor een geslaagd beroep op rechtsdwaling gehouden is om te verifiëren of het advies van de deskundige op voldoende en/of volledige kennis van de feiten berust. Een dergelijke eis lees ik niet terug in het oordeel van het hof.

8.8

De bewezenverklaring van feit 11 ziet – kort gezegd – op de betaling van een geldbedrag rond 20 februari 2014, in het zicht van faillissement, door [K] aan [N] , waaraan de verdachte feitelijk leiding heeft gegeven.

8.9

Het verweer van de verdediging komt er – kort gezegd – op neer dat de informatiepositie van de verdachte en gelegenheid om het bedrijf te runnen tijdens zijn voorlopige hechtenis in februari 2014 ernstig beperkt waren en hij nog meer dan anders moest vertrouwen op zijn adviseurs. Hij werd bijgestaan door mr. [betrokkene 16] , advocaat en curator. Ten aanzien van de deskundigheid van mr. [betrokkene 16] is aangevoerd dat hij jarenlang ervaring had als curator en ruime ervaring en expertise had in het faillissementsrecht. De verdachte heeft verklaard dat mr. [betrokkene 16] hem heeft geadviseerd over het overmaken van een geldbedrag van [L] naar [K] . Mr. [betrokkene 16] heeft bevestigd dat hij de verdachte heeft bijgestaan en geadviseerd. Volgens de verdediging mocht de verdachte vanwege de deskundigheid van mr. [betrokkene 16] op de deugdelijkheid van zijn advies vertrouwen en komt hem daarom een beroep op verontschuldigbare rechtsdwaling toe.

8.10

Het hof heeft vastgesteld dat mr. [betrokkene 16] (inderdaad) heeft verklaard over het overmaken van een geldbedrag tussen twee vennootschappen, waarbij hij ervan uitging dat tussen deze twee vennootschappen een rekeningcourantverhouding bestond. Ik begrijp de door het hof aangehaalde citaten zo dat het daarbij gaat om de door de verdachte bedoelde betaling van een geldbedrag door [L] aan [K] . Het hof heeft vervolgens vastgesteld dat niet blijkt dat mr. [betrokkene 16] op de hoogte was van het naderende faillissement en geoordeeld dat niet kan worden vastgesteld dat mr. [betrokkene 16] daadwerkelijk en specifiek met inachtneming van de achtergrond van de financiële situatie van [K] op de betreffende situatie heeft kunnen adviseren. Daarbij heeft het hof, zo begrijp ik, het oog op de betaling van [K] aan [N] . Het hof oordeelt vervolgens dat het handelen van de verdachte derhalve wederrechtelijk was terwijl geen sprake was van een advies van een persoon of instantie aan wie of waaraan zodanig gezag valt toe te kennen dat de verdachte in redelijkheid op de deugdelijkheid van het advies moet vertrouwen en dat het beroep op rechtsdwaling faalt. Dat oordeel van het hof getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is – in het licht van hetgeen de verdediging heeft aangevoerd – niet onbegrijpelijk. Daarbij neem ik – evenals kennelijk het hof – in aanmerking dat door de verdediging vooral de aandacht is gevestigd op de expertise van mr. [betrokkene 16] . Dat de verdachte (of een ander) mr. [betrokkene 16] bijvoorbeeld heeft ingelicht over de opdracht van de aandeelhoudersvergadering van [K] van 14 februari 2014 om zo spoedig mogelijk het faillissement van [K] aan te vragen, is niet aangevoerd. Over het gegeven advies is slechts naar voren gebracht dat mr. [betrokkene 16] de verdachte heeft geadviseerd over een betaling van [L] aan [K] . Dat heeft – kortom – niet rechtstreeks betrekking op de bewezenverklaarde betaling door [K] aan [N] en de vraag of de bewezenverklaarde gedragingen wederrechtelijk waren. De overige klachten van het middel stuiten daarop af.

8.11

Het tiende middel faalt in al zijn onderdelen.

9 Het elfde middel

9.1

Het middel klaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM in de cassatiefase is overschreden, omdat de stukken te laat zijn ingezonden door het hof.

9.2

Namens de verdachte is op 22 maart 2024 cassatie ingesteld. De stukken van het geding zijn op 29 oktober 2025 binnengekomen bij de griffie van de Hoge Raad. Daarmee is de inzendtermijn van acht maanden met ruim elf maanden overschreden. Het middel klaagt daarover terecht.

9.3

Bovendien doet de Hoge Raad uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep, zodat van een bijzonder voortvarende afdoening in cassatie geen sprake meer zal (kunnen) zijn.

9.4

Een en ander brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM is overschreden. Het voorgaande moet leiden tot vermindering van de opgelegde taakstraf in een mate die de Hoge Raad gepast zal voorkomen.

10 Slotsom

10.1

De derde deelklacht van het eerste middel slaagt. Voor het overige faalt het eerste middel. De middelen 2 tot en met 10 falen en kunnen worden afgedaan met een aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering. Het elfde middel slaagt.

10.2

Andere ambtshalve gronden die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven dan zoals die hiervoor onder 9 zijn weergegeven, heb ik niet aangetroffen.

10.3

Deze conclusie strekt tot:

- vernietiging van de bestreden uitspraak en de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 20 december 2018, maar uitsluitend wat betreft

(i) de beslissingen ten aanzien van het onder 13 tenlastegelegde, en

(ii) de duur van de opgelegde taakstraf;

- niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging van het onder 13 tenlastegelegde;

- vermindering van de opgelegde taakstraf, en

- verwerping van het beroep voor het overige.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

A-G

ECLI:NL:GHSHE:2024:814. Noot A-G VS: Deze door het hof gekozen formulering sluit aan bij het primair ten laste gelegde (medeplegen) in plaats van bij het subsidiair ten laste gelegde (feitelijk leidinggeven). In het subsidiair ten laste gelegde feit stond namelijk de volgende tekst opgenomen “hebbende [C] en/of [D] en/of [A] en/of [B] en/of [E] en/of haar mededader(s) een of meer virtuele versie(s) van een of meer kansspelen”, terwijl de door het hof hier bewezenverklaarde formulering juist stond opgenomen in het primair ten laste gelegde. Deze bepaling is niet van inhoud veranderd gedurende de bewezenverklaarde periode of daarna. Met ingang van 1 april 2012 is aan art. 1 Wok een tweede lid toegevoegd en is wat eerder onder a stond in lid 1 onder a ondergebracht. De bepaling is niet van inhoud veranderd gedurende de bewezenverklaarde periode of daarna. Geldend tot 1 april 2012. Geldend per 1 april 2012. In die wetswijziging is de oude titel VI verplaatst naar een nieuwe titel. Zie Stb 2012, 11 en Kamerstukken II 2009/2010, 32 264, 3, p. 34. De tekst uit art. 31 (oud) Wok heeft in de wetswijziging van enige redactionele wijzigingen ondergaan en is naar art. 36 Wok. De bepaling is ten aanzien van art. 1 lid 1 onder a Wok niet gewijzigd. Deze bepaling is niet van inhoud veranderd gedurende de bewezenverklaarde periode of daarna. Deze bepaling is niet van inhoud veranderd gedurende de bewezenverklaarde periode of daarna. Op grond van sub 3 van dit artikel geldt een hoger strafmaximum indien van het plegen van het misdrijf als bedoeld onder 2° een gewoonte is gemaakt. Dit onderdeel is per 1 januari 2015 aan art. 6 WED toegevoegd en gold dus nog niet tijdens de ten laste gelegde periode. Zie Stb. 2014, 445. Vgl. HR 8 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1626; HR 3 januari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU2901; HR 20 juni 2006, ECLI:NL:HR:2006:AW2535. A.J.A. van Dorst, De verjaring van het recht tot strafvordering, Arnhem: Gouda Quint B.V. 1985 (diss. Tilburg), p. 157; J. de Hullu & P.H.P.H.M.C. van Kempen, Materieel strafrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2024, p. 92. A.J. Machielse, in: Noyon/Langemeijer/Remmelink Strafrecht, art. 71 Sr, aant. 1 (bijgewerkt tot 9 oktober 2024). J. de Hullu & P.H.P.H.M.C. van Kempen, Materieel strafrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2024, p. 92. A.J.A. van Dorst, De verjaring van het recht tot strafvordering, Arnhem: Gouda Quint B.V. 1985 (diss. Tilburg), p. 157. Zie HR 12 mei 2020, ECLI:NL:HR:2020:839, rov. 3.3, HR 1 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2457, NJ 2017/52 m.nt. P.A.M. Mevis, rov. 2.2 (zie ook de noot bij dit arrest) en HR 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1391, rov. 3.3. In het oorspronkelijke ontwerp van art. 71 Sr stond ‘waarop de daad is gepleegd’ in plaats van ‘waarop het feit is gepleegd’. Dat in de tekst uiteindelijk toch het woord ‘feit’ is opgenomen, vindt in de wetsgeschiedenis geen verklaring. Van Dorst acht het echter aannemelijk dat de wetgever met het gewijzigde woordgebruik, zonder wijziging van bedoeling, de onzekerheid heeft willen wegnemen die voortvloeit uit het gebruik van het woord ‘daad’ met betrekking tot de verjaring van strafbaar nalaten. Onder ‘daad’ is namelijk bezwaarlijk een nalaten te verstaan, terwijl het woord ‘feit’ neutraler is en op zowel een handeling als verzuim kan zien. Zie H.J. Smidt & J.W. Smidt, Geschiedenis van het Wetboek van Strafrecht, Eerste Deel, Haarlem 1981, p. 511-513, A.J. Machielse, in: Noyon/Langemeijer/Remmelink Strafrecht, art. 71 Sr, aant. 1 (bijgewerkt tot 9 oktober 2024) en A.J.A. van Dorst, De verjaring van het recht tot strafvordering, Arnhem: Gouda Quint B.V. 1985 (diss. Tilburg), p. 155. M.J. Borgers & T. Kooijmans, Het Nederlandse strafprocesrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2021, p. 223. J. de Hullu & P.H.P.H.P.C. van Kempen, Materieel strafrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2024, p. 155. M.J. Borgers & T. Kooijmans, Het Nederlandse strafprocesrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2021, p. 224 en J. de Hullu & P.H.P.H.P.C. van Kempen, Materieel strafrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2024, p. 155-156. A.J.A. van Dorst, De verjaring van het recht tot strafvordering, Arnhem: Gouda Quint B.V. 1985 (diss. Tilburg), p. 158. Noot P.A.M. Mevis bij HR 1 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2457, NJ 2017/52 m.nt. P.A.M. Mevis. HR 23 januari 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ3863. HR 7 juli 2009, ECLI 2009:BH1911, NJ 2010, 20 m.nt. J.M. Reijntjes HR 13 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:321. HR 11 oktober 2022, ECLI:NL:HR:2022:1410, rov. 2.4. HR 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1391, rov. 3.3. J. de Hullu & P.H.P.H.P.C. van Kempen, Materieel strafrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2024, p. 156. J. de Hullu & P.H.P.H.P.C. van Kempen, Materieel strafrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2024, p. 156; M.J. Borgers & T. Kooijmans, Het Nederlandse strafprocesrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2021, p. 224; A.J. Machielse, in: Noyon/Langemeijer/Remmelink Strafrecht, art. 71 Sr, aant. 2 (bijgewerkt tot 9 oktober 2024). Zie ook A.J.A. van Dorst, De verjaring van het recht tot strafvordering, Arnhem: Gouda Quint B.V. 1985 (diss. Tilburg), p. 180-184. M.M. Dolman, in: T&C Strafrecht, commentaar op art. 51 Sr, aantek. 1 onder d (bijgewerkt tot en met 15 april 2026). Zie bijvoorbeeld HR 2 maart 1982, ECLI:NL:HR:1982:AB7909, NJ 1982, 446 m.nt. A.C. ’t Hart, waarin de verdachte werd veroordeeld voor het feitelijk leidinggeven aan het medeplegen van de heling van grammofoonplaten door twee B.V.’s) en HR 22 mei 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB1761 (waarin het ging om feitelijk leidinggeven aan medeplichtigheid van een B.V.) Zie ook J. de Hullu & P.H.P.H.P.C. van Kempen, Materieel strafrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2024, p. 535. HR 26 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:733, NJ 2016/375 m.nt. H.D. Wolswijk, rov. 3.5.1. Zie ook HR 16 juni 1981, ECLI:NL:HR:1981:AC7243, NJ 1981/586; HR 29 mei 1984, ECLI:NL:HR:1984:AC8436, NJ 1985/6 m.nt. Th.W. Van Veen). Zie ook J. de Hullu & P.H.P.H.P.C. van Kempen, Materieel strafrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2024, p. 538. HR 26 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:733, NJ 2016/375 m.nt. H.D. Wolswijk, rov. 3.3 en 3.5.1 (Overzichtsarrest feitelijk leiding geven). Zie ook E. Sikkema & P. Waeterinckx, De strafrechtelijke verantwoordelijkheid van leidinggevenden - in de economische context -, Nijmegen: Wolf Legal Publishers 2010 (Preadvies voor de jaarvergadering van de Nederlands-Vlaamse Vereniging voor Strafrecht), p. 61 en A.J. Machielse, in: Noyon/Langemeijer/Remmelink Strafrecht, art. 51 Sr, aant. 8.1 (bijgewerkt tot 16 januari 2026). M. Hornman, De strafrechtelijke aansprakelijkheid van feitelijk leidinggevenden, Den Haag: Boom juridisch 2016, p. 62. Torringa betoogde in 1984 dat feitelijk leidinggeven uit art. 51 lid 2 Sr geen deelneming aan een strafbaar feit inhoudt, maar aansprakelijkheid vestigt van een natuurlijke persoon voor het daderschap van de rechtspersoon. Zie R.A. Torringa, Strafbaarheid van rechtspersonen, Arnhem: Gouda Quint B.V. 1984, p. 111. Lindenberg en Wolswijk maken - net als Torringa – ook een duidelijk onderscheid tussen deelneming en aansprakelijkheidsstelling wegens feitelijk leidinggeven. Zie K. Lindenberg en H.D. Wolswijk, Het materiële strafrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2026, p. 360. Hornman komt tot de conclusie dat het feitelijk leidinggeven een geheel eigensoortige indirecte deelnemingsvorm is die zich – los van de accessoriteitseis dat het grondfeit moet zijn begaan door de rechtspersoon – grotendeels modelleert naar de vereisten zoals die gelden voor de reguliere deelnemingsvormen. M. Hornman, De strafrechtelijke aansprakelijkheid van feitelijk leidinggevenden, Den Haag: Boom juridisch 2016, p. 62. De Hullu en Van Kempen stellen dat inmiddels de conclusie getrokken kan worden dat feitelijk leidinggeven een bijzondere vorm van deelneming is. Zie J. de Hullu & P.H.P.H.P.C. van Kempen, Materieel strafrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2024, p. 535. Machielse spreekt van een hybride constructie die wel wat van beide fenomenen (dat wil zeggen: een aan daderschap en deelneming verwante figuur dan wel enkel een aansprakelijkheidstelling) heeft. Zie A.J. Machielse, in: Noyon/Langemeijer/Remmelink Strafrecht, art. 51 Sr, aant. 8.4 (bijgewerkt tot 16 januari 2026). R.A. Torringa, Strafbaarheid van rechtspersonen, Arnhem: Gouda Quint B.V. 1984, p. 121. Zie ook A.J. Machielse, in: Noyon/Langemeijer/Remmelink Strafrecht, art. 51 Sr, aant. 8.5 (bijgewerkt tot 16 januari 2026). Vgl. de conclusie van A-G Machielse voorafgaand aan HR 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1391. Zie ECLI:NL:GHSHE:2024:814. J.M. Ten Voorde, in: T&C Strafrecht, commentaar op art. 141 Sr. HR 4 juli 2022, ECLI:NL:HR:2022:970, NJ 2022/362 m.nt. N. Jörg, rov. 2.4.4 HR 9 december 2008, ECLI:NL:HR:2008:BF5557, NJ 2009, 147 m.nt. M.J. Borgers, rov. 3.2. Zie ook de conclusie van A-G Hofstee voorafgaand aan HR 12 mei 2020, ECLI:NL:HR:2020:838. Ik wijs er ook nog op dat de Hoge Raad in vergelijkbare lijn heeft beslist in een zaak waarin het de vraag was of ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ter zake van soortgelijke en andere strafbare feiten, als bedoeld in art. 36e lid 2 en lid 3 Sr, mogelijk was indien de vervolging voor die soortgelijke of andere feiten wegens verjaring niet meer mogelijk zou zijn. De Hoge Raad oordeelde in HR 11 mei 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL7660, dat de opvatting dat ontneming in een dergelijk geval niet mogelijk is onjuist is. HR 23 juni 2026, ECLI:NL:HR:2026:955, rov. 3.3.1. Noot M.J. Borgers, onder 3 en 4, bij HR 9 december 2008, ECLI:NL:HR:2008:BF5557, NJ 2009, 147. Borgers merkt volledigheidshalve nog op dat deze beslissing van de Hoge Raad het op zich mogelijk maakt om, met enige creativiteit, sommige verjaarde misdrijven toch nog te kunnen vervolgen via de ‘omweg’ van het witwassen. Hij heeft daarbij het oog op het mechanisme van de zogeheten automatische verdubbeling van strafbaarheid dat zich bij witwassen kan voordoen: op het moment dat een vermogensmisdrijf wordt begaan, is tegelijkertijd sprake van witwassen in de zin van het voorhanden hebben van een voorwerp waarvan men weet dat het afkomstig is uit enig misdrijf (namelijk het vermogensdelict). Van een dergelijke situatie is in de onderhavige zaak geen sprake. Zie par. 47-129 van de pleitnota, als bijlage 13 gehecht aan het proces-verbaal in hoger beroep van 1 december 2023. De tekst van artikel 1, onder a, is bij Wet van 22 december 2011 tot wijziging van de Wet op de kansspelen in verband met de instelling van de kansspelautoriteit (Stb, 2012, 11) – ongewijzigd – ondergebracht onder artikel 1, eerste lid en onder a, van de Wok (inw.tr. 1 april 2012, Stb 2012, 83). Vgl. HR 6 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX4280, NJ 2013/109. Vgl. HR 8 mei 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW5002. Vgl. HR 2 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:7, NJ 2013/563. De onderverdeling is aangebracht omwille van de leesbaarheid. Kamerstukken II, 2000-2001, 24036, nr. 180, p. 1 -3. Het genoemde rapport heeft betrekking op één van de projecten die het kabinet in het kader van de operatie ‘Marktwerking, deregulering en wetgevingskwaliteit’ had aangekondigd (Kamerstukken II, 1998/1999, 24 036, nr. 126). Kamerstukken II, 2000-2001, 24036, nr. 180, p. 5 en 9. Kamerstukken II, 2002-2003, 24036 en 24557, nr. 280, p. 12 (tweede voortgangsrapportage). Kamerstukken II, 2004-2005, 24557, nr. 64, p. 4 (vierde voortgangsrapportage). Kamerstukken II, 2006-2007, 24557, nr. 76, p. 4 (vijfde voortgangsrapportage d.d. 13 juli 2007). ZD 15 (SOETC49), p. 9-10. ZD01, map 5, resp. p. 2133-2134, p. 2136-2137, p. 2139-2140 en p. 2142-2143. ZD01, map 5, resp. p. 2146-2147, p. 2152-2153, p. 2155-2157, p. 2163-2164, p. 2169-2171. Kamerstukken II, 2014-2015, Aanhangsel van Handelingen 1845. Vgl. o.m. de brief van de Ksa aan [C] SA d.d. 8 juni 2012 (ZD01, p. 2179). Boetebesluit Ksa 7 augustus 2013. Jaarverslag Ksa 2012, p. 23 en p. 29. Zie ook de op de website van de Ksa openbaar gemaakte besluit op Wob-verzoek van 8 december 2014. ZD01, map 5, resp. p. 2179-2181. Jaarverslag Ksa 2013 en het op de website van de Ksa gepubliceerde Boetebesluit Ksa van 7 augustus 2013. Wijziging van de Wet op de kansspelen, de Wet op de kansspelbelasting en enkele nadere wetten in verband met het organiseren van kansspelen op afstand. AD, p. 2208 - 2210. Zie onder meer de controle van ‘ [internetsite 9] ’ op 7 februari 2013 (ZD01, p. 1319-1320), de controle van website [internetsite 5] op 11 april 2013 (ZD01, p. 1550-1561), de controle van website [internetsite 1] op 24 april 2013 (ZD01, p. 1421 – 1462) de controle van website [internetsite 4] op 7 mei 2013 (ZD01, p. 1575 – 1602) en de controle van website [internetsite 3] op 8 mei 2013 (ZD01, p. 1467 – 1490) en de controle op 14 mei 2013 van website Jackpotred (ZD01, p. 1505 – 1537). HR 26 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:742, NJ 2016/388 m.nt. B.F. Keulen. Vgl. ook de conclusie van A-G Remmelink (waarin hij ook wijst op (zijn conclusie in) de zaak Menten (HR 22 mei 1979, NJ 1979/301 m.nt. G.E. Mulder): “Wanneer een dergelijke vertrouwensopwekking eenmaal zou worden erkend als eventueel vervolgingsimpediment, zou het bestuur het in de hand hebben om langs indirecte weg het vervolgingsbeleid van het OM te beperken.” In zijn noot onder het arrest schrijft Van Veen: “Het belang van deze beslissing is, dat hiermee de eigen verantwoordelijkheid van het OM duidelijk wordt onderstreept. Andere ambtenaren dan die van het OM zijn niet bevoegd beslissingen over vervolging te nemen. (…) Op de eigen verantwoordelijkheid voor de vervolging dient het OM zuinig te zijn, omdat het in het belang van een onpartijdige rechtshandeling is, dat het OM zijn zelfstandigheid bewaart tegenover het beleid van andere ambtelijke diensten. (…) Andere diensten zouden omtrent het al dan niet vervolgen dan ook geen verwachtingen mogen wekken. HR 26 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:742, NJ 2016/388 m.nt. B.F. Keulen, rov. 3.4. A.J.A. van Dorst & M.J. Borgers, Cassatie in strafzaken, Deventer: Wolters Kluwer 2022, p. 68. Zie bewijsmiddel 24 bij feit 1 deel 1: “ [medeverdachte 1] zegt het teken is er al he dat anderen ook allemaal teruggezet hebben. (…) [verdachte] zegt je ken ook zeggen we doen de spellen eerst, Nee ik zou gewoon het maximale wat mag terugzetten zegt [medeverdachte 1] . Ja het mag eigenlijk allemaal niet zegt [verdachte] . (…) [verdachte] stelt voor om vanavond nog de spellen van [BB] terug te zetten in het Nederlands, zowel de betaalde als de niet betaalde en om daarnaast van alle overige spellen alleen de menubalk in het Nederlands te zetten en de rest in het Engels te houden. (…) [verdachte] zegt dus de gratis [BB] spellen en de betaalde [BB] spellen gaan de knoppen allemaal weer terug naar Nederlands. Ja zegt [betrokkene 17] . Vraag of dat ze boven bij de gratis spellen in de balk advertisement kunnen zetten, als dat kan is dat mooi meegenomen, als dat niet kan ook niet zegt [verdachte] . Dan heb je andere spellen die hoef je niet in het Nederlands te vertalen die heb je niet zoals […] en […] of ( […] ) […] ( […] ) […] heb je dat niet, die laat je gewoon Engelse knoppen, alleen doe je de menubalk doe je in het Nederlands. Ja zegt [betrokkene 17] . En […] laat je [betrokkene 18] even weer de Nederlandse versies terugzetten, dat zou denk ik het meest realistisch zijn als we dat vandaag proberen zegt [verdachte] . (…) [verdachte] zegt ja ik weet het ook niet, ik probeer maar oplossingen te verzinnen. Ik zou het gewoon doorduwen, ik zou het terugzetten in het Nederlands zegt [medeverdachte 1] . Niet alles toch zegt [verdachte] . [verdachte] zegt de kans dat we dadelijk gruwelijk op onze vingers geslagen worden ( […] ), maar ja dat zien we dan wel weet. Hoezo in de zin van vraagt [medeverdachte 1] . De KSA zegt [verdachte] , maar ja aan de andere kant ( […] ).” Zie daarnaast bewijsmiddel 26 bij feit 1 deel 1: “ [verdachte] wil nu weten wat ze moeten doen want hij had net [betrokkene 19] aan de lijn. [verdachte] twijfelt nu of ze, hij wil niet dat hun klanten ruzie met de KSA krijgen. [verdachte] zegt dat hij de header en de fooder (fon) die zit bovenin die wil [verdachte] gewoon Engels houden, de lobby en de spellen kunnen ze Nederlands doen. [verdachte] denkt dat als ze alleen de spellen in het Nederlands doen dat dat al genoeg is en het valt minder op, als hele teksten Nederlands worden dan valt dat op. [medeverdachte 1] vindt dat daar iets in zit maar stelt wel voor om vandaag gewoon door te zetten. [verdachte] zegt dat ze het ook door gaan zetten.” Zie ECLI:NL:GHSHE:2024:814. De bewijsmiddelen waarop deze overwegingen zijn gebaseerd zijn vervat in een bijlage van 492 pagina’s. Vanwege de omvang daarvan heb ik ervoor gekozen die niet op te nemen, ook omdat niet in cassatie niet wordt geklaagd dat deze overwegingen niet uit de bewijsmiddelen volgen. Waar nodig zal ik soms een enkel bewijsmiddel citeren. Daarbij is nog wel de kanttekening te maken dat het aanbieden van online kansspelen niet direct inkomsten genereert. Die inkomsten volgen pas als iemand gebruik maakt van de aangeboden gelegenheid. In de bewezenverklaring van feit 2 wordt ook [E] genoemd. P. 75 bewijsmiddelenbijlage. Zie HR 23 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1702, NJ 2022/78 m.nt. Jörg, rov. 3.4.1; HR 23 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1701, NJ 2022/79 m.nt. Jörg, rov. 2.5.1; HR 13 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1199, NJ 2022/385 m.nt. Jörg. Zie tevens HR 6 december 2022, ECLI:NL:HR:2022:1773 (HR: 81 RO), en de daaraan voorafgaande conclusie van A-G Harteveld. Dit overigens in navolging van de verdediging in hoger beroep, vgl. p. 115 van de cassatieschriftuur. Ik wijs op de opmerking van de verbalisant die in bewijsmiddel 5 staat: “facturen van [L] aan [M] bleven dus ‘feitelijk’ binnen de kantoormuren van [L] en werden dus door een medewerkster van [L] , via de systemen van [L] betaald aan [L] ”. Daaraan kan nog worden toegevoegd dat de facturen bovendien werden betaald vanaf rekeningen van [L] . De bewijsmiddelen waarop deze overwegingen zijn gebaseerd staan vermeld op p. 489-492 van de bewijsmiddelenbijlage. Ik volsta met de overwegingen van het hof over het bewijs, ook omdat niet in cassatie niet wordt geklaagd dat deze overwegingen niet uit de bewijsmiddelen volgen. Waar nodig zal ik soms een enkel bewijsmiddel citeren. Zie bijv. HR 26 februari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC0813, rov. 4.7. Zie bewijsmiddel 3 op p. 490 van de bewijsmiddelenbijlage. Op de aandeelhoudersvergadering waren aanwezig de verdachte en [betrokkene 20] . Vgl. HR 26 februari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC0813, rov. 4.8.