Strafrecht overig

Economische zaak. Meerdere (opzettelijk begane) overtredingen van Wet vervoer gevaarlijke stoffen, begaan…

Hoge Raad, 18 maart 2025

Zaakgegevens

Op 18 maart 2025 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
18 maart 2025
Datum publicatie
24 februari 2025
Zaaknummer
22/02073
Procedure
Artikel 81 RO-zaken
ECLI
ECLI:NL:HR:2025:330
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Economische zaak. Meerdere (opzettelijk begane) overtredingen van Wet vervoer gevaarlijke stoffen, begaan door rechtspersoon door als professionele vervoerder van gevaarlijke stoffen niet met inachtneming van alle veiligheidsvoorschriften te handelen, art. 5 Wet vervoer gevaarlijke stoffen. 1. Uitdrukkelijk onderbouwd standpunt dat aan bestuurder van transporteenheid gevaarlijke stoffen geen strafrechtelijk relevant verwijt kan worden gemaakt, art. 359.2 Sv. 2. Kon hof oordelen dat gedragingen van bestuurder van transporteenheid redelijkerwijs aan verdachte kunnen worden toegerekend? 3. Kon hof oordelen dat “feit dat UN-nummer 3264 op certificaat wordt vermeld” niet betekent dat “alle stoffen die daaronder vallen in tankoplegger zijn toegelaten” en dat dit slechts geldt “voor specifiek vermelde stoffen”?

HR: art. 81.1 RO. Samenhang met 22/02114 E.

Procesgang

  1. Gerechtshof Amsterdam · 31 mei 2022

    ECLI:NL:GHAMS:2022:2079
  2. Conclusie A-G · 19 november 2024

    ECLI:NL:PHR:2024:1186
  3. Hoge Raad · 18 maart 2025deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2025:330

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 22/02073 E

Datum 18 maart 2025

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag, economische kamer, van 31 mei 2022, nummer 23-001513-21, in de strafzaak

tegen

[verdachte] B.V. ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft H.H. van Steijn, advocaat in Berlicum, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.

De advocaat-generaal A.E. Harteveld heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de hoogte van de opgelegde geldboete, tot vermindering daarvan aan de hand van de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2 Beoordeling van de cassatiemiddelen

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3 Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof

De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van één van de opgelegde geldboetes, namelijk die van € 1.500.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de strafoplegging;

- vermindert de geldboete van € 1.500 in die zin dat deze € 1.350 bedraagt;

- verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en T.B. Trotman, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 18 maart 2025.