Strafrecht overig

Zwaar lichamelijk letsel door schuld in verkeer door als bestuurder van auto op de rijstrook bestemd voor…

Hoge Raad, 11 maart 2025

Zaakgegevens

Op 11 maart 2025 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
11 maart 2025
Datum publicatie
27 februari 2025
Zaaknummer
22/04193
Procedure
Artikel 81 RO-zaken
ECLI
ECLI:NL:HR:2025:348
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Zwaar lichamelijk letsel door schuld in verkeer door als bestuurder van auto op de rijstrook bestemd voor tegemoetkomend verkeer terecht te komen en vervolgens frontaal in botsing te komen met tegemoetkomende auto, waardoor bestuurder zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen, art. 6 WVW 1994. Is sprake van schuld a.b.i. art. 6 WVW 1994? HR: art. 81.1 RO.

Procesgang

  1. Gerechtshof Amsterdam · 9 november 2022

    ECLI:NL:GHAMS:2022:3186
  2. Conclusie A-G · 17 december 2024

    ECLI:NL:PHR:2024:1368
  3. Hoge Raad · 11 maart 2025deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2025:348

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 22/04193

Datum 11 maart 2025

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 9 november 2022, nummer 23-001014-21, in de strafzaak

tegen

[verdachte] ,

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1980,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft S. Benayad, advocaat in Amsterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.

De advocaat-generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de hoogte van de aan de verdachte opgelegde taakstraf, tot vermindering daarvan aan de hand van de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het cassatieberoep voor het overige.

2 Beoordeling van de cassatiemiddelen

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3 Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof

De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde taakstraf van 120 uren, subsidiair 60 dagen hechtenis.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft het aantal uren te verrichten taakstraf en de duur van de vervangende hechtenis;

- vermindert het aantal uren taakstraf en de duur van de vervangende hechtenis in die zin dat de taakstraf 114 uren beloopt, subsidiair 57 dagen hechtenis;

- verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren C. Caminada en F. Posthumus, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 11 maart 2025.