Strafrecht overig

Medeplichtigheid aan medeplegen diefstal, art. 311.1.4 Sr. 1. Omvang terugwijzingsopdracht na cassatie. Is…

Hoge Raad, 11 maart 2025

Zaakgegevens

Op 11 maart 2025 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
11 maart 2025
Datum publicatie
5 maart 2025
Zaaknummer
22/02680
Procedure
Artikel 81 RO-zaken
ECLI
ECLI:NL:HR:2025:356
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Medeplichtigheid aan medeplegen diefstal, art. 311.1.4 Sr. 1. Omvang terugwijzingsopdracht na cassatie. Is hof buiten terugwijzingsopdracht HR getreden door verklaring van verdachte die is afgelegd ttz. in hoger beroep voorafgaande aan terugwijzing, voor bewijs te gebruiken? 2. Bewijsklacht medeplichtigheid. Kan opzet op gronddelict uit bewijsvoering worden afgeleid?

HR: art. 81.1 RO. Vervolg op ECLI:NL:HR:2022:289

Procesgang

  1. Conclusie A-G · 28 januari 2025

    ECLI:NL:PHR:2025:112
  2. Hoge Raad · 11 maart 2025deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2025:356

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 22/02680

Datum 11 maart 2025

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 14 juli 2022, nummer 22-000539-22, in de strafzaak

tegen

[verdachte] ,

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1994,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft D.N. de Jonge, advocaat in Rotterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.

De advocaat-generaal P.M. Frielink heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de gevangenisstraf, tot vermindering daarvan aan de hand van de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2 Beoordeling van de cassatiemiddelen

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3 Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof

De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van twaalf maanden.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;

- vermindert deze in die zin dat deze elf maanden beloopt;

- verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en A.E.M. Röttgering, in bijzijn van de waarnemend griffier B.C. Broekhuizen-Meuter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 11 maart 2025.