Strafrecht overig

Beklag, beslag ex art. 94 Sv n.a.v. EOB van Duitse autoriteiten op USB-stick waarop medische patiëntgegevens…

Hoge Raad, 18 maart 2025

Zaakgegevens

Op 18 maart 2025 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
18 maart 2025
Datum publicatie
14 maart 2025
Zaaknummer
24/02062
Procedure
Artikel 81 RO-zaken
ECLI
ECLI:NL:HR:2025:399
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Beklag, beslag ex art. 94 Sv n.a.v. EOB van Duitse autoriteiten op USB-stick waarop medische patiëntgegevens zouden staan en waarvan klaagster (bestuurder van thuiszorgorganisatie) stelt eigenaar te zijn. Door Rb gehanteerd toetsingskader, verweer dat sprake is van weigeringsgrond a.b.i. art. 5.4.4.1.f Sv, inhoudende dat uitvoering van EOB onverenigbaar is met verplichtingen die overeenkomstig art. 6 VEU en Handvest Grondrechten EU op Nederland rusten, en afwijzing aanhoudingsverzoek.

HR: art. 81.1 RO. Vervolg op HR:2024:177.

Procesgang

  1. Conclusie A-G · 4 februari 2025

    ECLI:NL:PHR:2025:157
  2. Hoge Raad · 18 maart 2025deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2025:399

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 24/02062 Br

Datum 18 maart 2025

BESCHIKKING

op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de rechtbank Overijssel van 22 mei 2024, nummer RK 24/004051, op een klaagschrift als bedoeld in artikel 5.4.10 in verbinding met artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering, ingediend

door

[klaagster] ,

geboren in [geboorteplaats ] op [geboortedatum] 1976,

hierna: de klaagster.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de klaagster. Namens deze heeft A.M.C.J. Baaijens, advocaat in Utrecht, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.

De advocaat-generaal P.M. Frielink heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De raadsman van de klaagster heeft daarop schriftelijk gereageerd.

2 Beoordeling van het cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van de rechtbank beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Deze beschikking is gegeven door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren F. Posthumus en R. Kuiper, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 18 maart 2025.