Strafrecht overig
Diefstal van geldkistje (met daarin € 240) uit chiropractor praktijk, art. 310 Sr. 1. Bewijsklachten…
Hoge Raad, 15 april 2025
ECLI:NL:HR:2025:569 · Hoge Raad · 15 april 2025
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/artikel-81-ro-zaken/ecli-nl-hr-2025-569
Zaakgegevens
Op 15 april 2025 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 15 april 2025
- Datum publicatie
- 11 april 2025
- Zaaknummer
- 23/00561
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- Artikel 81 RO-zakenArtikel 81 RODe Hoge Raad verwerpt een cassatieklacht met een verkorte motivering, omdat die klacht niet kan slagen en geen belangrijke rechtsvraag opwerpt.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2025:569
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Diefstal van geldkistje (met daarin € 240) uit chiropractor praktijk, art. 310 Sr. 1. Bewijsklachten DNA-spoor op sigarettenpeuk. Uitdrukkelijk onderbouwd standpunt t.a.v. betrouwbaarheid van DNA-spoor gelet op wijze waarop sigarettenpeuk voorafgaand aan DNA-onderzoek is veiliggesteld, art. 359.2 Sv. 2. Bewijsklachten. Uitdrukkelijk onderbouwd standpunt dat DNA-spoor op sigarettenpeuk niet als daderspoor kan worden aangemerkt, art. 359.2 Sv.
HR: art. 81.1 RO.
Procesgang
Gerechtshof Amsterdam · 8 februari 2023
ECLI:NL:GHAMS:2023:3785Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 4 februari 2025
ECLI:NL:PHR:2025:161Hoge Raad · 15 april 2025deze uitspraak
ECLI:NL:HR:2025:569
Overig
Uitspraak
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 23/00561
Datum 15 april 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 8 februari 2023, nummer 23-002124-21, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1992,
hierna: de verdachte.
1 Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft M. Ketting bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. Daarna heeft J. Kuijper zich in de plaats van M. Ketting als advocaat gesteld. Vervolgens hebben J. Kuijper en D.W.E. Sternfeld namens de verdachte bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal T.N.B.M. Spronken heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de strafoplegging, tot strafvermindering volgens de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.
2 Beoordeling van de voorgestelde cassatiemiddelen
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3 Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. In het licht van de opgelegde gevangenisstraf van zes maanden waarvan twee maanden voorwaardelijk en de mate waarin de redelijke termijn is overschreden, volstaat de Hoge Raad met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden.
4 Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren C. Caminada en T.B. Trotman, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P.J. Lugtenburg, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 15 april 2025.