Strafrecht overig
Verkrachting na stapavond in Amsterdam in 2016, art. 242 (oud) Sr. 1. Aanhoudingsverzoek voorafgaand aan tz…
Hoge Raad, 22 april 2025
ECLI:NL:HR:2025:579 · Hoge Raad · 22 april 2025
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/artikel-81-ro-zaken/ecli-nl-hr-2025-579
Zaakgegevens
Op 22 april 2025 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 22 april 2025
- Datum publicatie
- 14 april 2025
- Zaaknummer
- 24/01494
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- Artikel 81 RO-zakenArtikel 81 RODe Hoge Raad verwerpt een cassatieklacht met een verkorte motivering, omdat die klacht niet kan slagen en geen belangrijke rechtsvraag opwerpt.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2025:579
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Verkrachting na stapavond in Amsterdam in 2016, art. 242 (oud) Sr. 1. Aanhoudingsverzoek voorafgaand aan tz. in hoger beroep door raadsman per e-mail gedaan en ttz. herhaald door verdachte op de grond dat verdachte kort vóór tz. contact heeft opgenomen met (nieuwe) raadsman nadat eerdere raadsman zich had onttrokken, door hof afgewezen o.g.v. belangenafweging. Kon hof verzoek om aanhouding afwijzen, nu verdachte in h.b. geen rechtsbijstand heeft gehad, terwijl hij daarom wel heeft verzocht? Art. 6 EVRM. 2. Had hof verdachtes opmerkingen ttz. in h.b. moeten opvatten als verzoek tot het horen van aangeefster als getuige? 3. Strafmotivering (gevangenisstraf van 4 jaren en 6 maanden). Is strafoplegging begrijpelijk gelet op LOVS-oriëntatiepunten? 4. Redelijke termijn in h.b. Kon hof volstaan met constatering dat redelijke termijn is overschreden, omdat overschrijding aan verdachte zelf te wijten is?
HR: art. 81.1 RO.
Procesgang
Gerechtshof Amsterdam · 11 april 2024
ECLI:NL:GHAMS:2024:891Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 18 maart 2025
ECLI:NL:PHR:2025:217Hoge Raad · 22 april 2025deze uitspraak
ECLI:NL:HR:2025:579
Uitspraak
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 24/01494
Datum 22 april 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 11 april 2024, nummer 23-001826-19, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1982,
hierna: de verdachte.
1 Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben de advocaten R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal A.E. Harteveld heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
2 Beoordeling van de cassatiemiddelen
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3 Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en C.N. Dalebout, in bijzijn van de waarnemend griffier B.C. Broekhuizen-Meuter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 22 april 2025.