Strafrecht overig

Eendaadse samenloop van medeplegen gekwalificeerde doodslag (art. 288 Sr) en medeplegen diefstal met geweld…

Hoge Raad, 22 april 2025

Zaakgegevens

Op 22 april 2025 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
22 april 2025
Datum publicatie
14 april 2025
Zaaknummer
23/05018
Procedure
Artikel 81 RO-zaken
ECLI
ECLI:NL:HR:2025:591
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Eendaadse samenloop van medeplegen gekwalificeerde doodslag (art. 288 Sr) en medeplegen diefstal met geweld de dood ten gevolge hebbende (art. 312.3 Sr) bij ripdeal in Schiedam in 2019. Noodweer, art. 41.1 Sr. Kon hof oordelen dat wijze van verdediging door slachtoffer (gebruik maken van vuurwapen) in redelijke verhouding stond tot ernst van aanranding (dreiging met vuurwapen en vastbinden)?

HR: art. 81.1 RO. Samenhang met 23/04811.

Procesgang

  1. Gerechtshof Den Haag · 8 december 2023

    ECLI:NL:GHDHA:2023:2438
  2. Conclusie A-G · 25 maart 2025

    ECLI:NL:PHR:2025:363
  3. Hoge Raad · 22 april 2025deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2025:591

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 23/05018

Datum 22 april 2025

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 8 december 2023, nummer 22-003008-21, in de strafzaak

tegen

[verdachte] ,

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1988,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat O.J. Much bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.

De advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep met eventueel vernietiging en vervolgens vermindering van de duur van de opgelegde gevangenisstraf vanwege overschrijding van de redelijke termijn.

2 Beoordeling van het cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren A.E.M. Röttgering en F. Posthumus, in bijzijn van de waarnemend griffier B.C. Broekhuizen-Meuter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 22 april 2025.