Strafrecht overig

Deelneming aan rechtsextremistische en terroristische organisatie, art. 140a.1 Sr. 1. Bewijsklacht. Had…

Hoge Raad, 22 april 2025

Zaakgegevens

Op 22 april 2025 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
22 april 2025
Datum publicatie
18 april 2025
Zaaknummer
23/01708
Procedure
Artikel 81 RO-zaken
ECLI
ECLI:NL:HR:2025:650
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Deelneming aan rechtsextremistische en terroristische organisatie, art. 140a.1 Sr. 1. Bewijsklacht. Had verdachte wetenschap van oogmerk van organisatie? 2. Uitdrukkelijk onderbouwd standpunt dat verdachte niet wist dat organisatie het oogmerk had tot het plegen van terroristische misdrijven, art. 359.2 Sv.

HR: art. 81.1 RO.

Procesgang

  1. Rechtbank Rotterdam · 2 december 2021

    ECLI:NL:RBROT:2021:11858
  2. Gerechtshof Den Haag · 20 april 2023

    ECLI:NL:GHDHA:2023:1936
  3. Gerechtshof Den Haag · 20 april 2023

    ECLI:NL:GHDHA:2023:997
  4. Conclusie A-G · 18 maart 2025

    ECLI:NL:PHR:2025:249
  5. Hoge Raad · 22 april 2025deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2025:650

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 23/01708

Datum 22 april 2025

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 20 april 2023, nummer 22-003669-21, in de strafzaak

tegen

[verdachte] ,

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2001,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat B. Kizilocak bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.

De advocaat-generaal A.E. Harteveld heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest, maar uitsluitend wat betreft de aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan aan de hand van de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2 Beoordeling van het eerste en het tweede cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3 Beoordeling van het derde cassatiemiddel

3.1

Het cassatiemiddel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.

3.2

Het cassatiemiddel is gegrond. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van 24 maanden, waarvan 16 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;

- vermindert deze in die zin dat deze 23 maanden en 1 week, waarvan 16 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren beloopt;

- verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en C.N. Dalebout, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 22 april 2025.