Strafrecht overig
Belaging, meermalen gepleegd (art. 285b.1 Sr) en bedreiging, meermalen gepleegd (art. 285.1 Sr). 1…
Hoge Raad, 21 januari 2025
ECLI:NL:HR:2025:69 · Hoge Raad · 21 januari 2025
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/artikel-81-ro-zaken/ecli-nl-hr-2025-69
Zaakgegevens
Op 21 januari 2025 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 21 januari 2025
- Datum publicatie
- 13 januari 2025
- Zaaknummer
- 22/04218
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- Artikel 81 RO-zakenArtikel 81 RODe Hoge Raad verwerpt een cassatieklacht met een verkorte motivering, omdat die klacht niet kan slagen en geen belangrijke rechtsvraag opwerpt.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2025:69
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Belaging, meermalen gepleegd (art. 285b.1 Sr) en bedreiging, meermalen gepleegd (art. 285.1 Sr). 1. Bewijsklacht belaging. Volgt uit bewijsmiddelen dat verdachte stelselmatig inbreuk heeft gemaakt op persoonlijke levenssfeer van aangeefster? 2. Strafmotivering, oplegging locatie- en contactverbod als vrijheidsbeperkende maatregel a.b.i. art. 38v Sr. Heeft hof verzuimd te bepalen dat periode waarin vrijheidsbeperkende maatregel van kracht is geweest na vonnis Rb in mindering moet worden gebracht op de door hof bepaalde duur van die maatregel (5 jaren)? 3. Motivering locatieverbod. Heeft hof in voldoende mate aangegeven welk terrein onder opgelegd gebiedsverbod valt?
HR: art. 81.1 RO.
Procesgang
Gerechtshof 's-Hertogenbosch · 31 oktober 2022
ECLI:NL:GHSHE:2022:4602Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 12 november 2024
ECLI:NL:PHR:2024:1213Hoge Raad · 21 januari 2025deze uitspraak
ECLI:NL:HR:2025:69
Bekrachtiging/bevestigingBekrachtigingDe hogere rechter laat de eerdere uitspraak in stand: de uitkomst blijft hetzelfde.Meer uitleg
Uitspraak
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 22/04218
Datum 21 januari 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 31 oktober 2022, nummer 20-000750-21, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1978,
hierna: de verdachte.
1 Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft E.E.W.J. Maessen, advocaat in Maastricht, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep met eventueel vernietiging en vervolgens vermindering van de duur van de opgelegde gevangenisstraf vanwege overschrijding van de redelijke termijn.
2 Beoordeling van de cassatiemiddelen
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3 Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. In het licht van de opgelegde gevangenisstraf van 240 dagen waarvan 198 dagen voorwaardelijk, volstaat de Hoge Raad met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden.
4 Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren A.E.M. Röttgering en T.B. Trotman, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 21 januari 2025.