Strafrecht overig

Werkzaam in maatschappelijke zorg ontucht plegen met cliënte door als lichaamsgericht therapeut seksuele…

Hoge Raad, 13 mei 2025

Zaakgegevens

Op 13 mei 2025 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
13 mei 2025
Datum publicatie
13 mei 2025
Zaaknummer
23/04930
Procedure
Artikel 81 RO-zaken
ECLI
ECLI:NL:HR:2025:743
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Werkzaam in maatschappelijke zorg ontucht plegen met cliënte door als lichaamsgericht therapeut seksuele handelingen met haar te verrichten, meermalen gepleegd (art. 249.2.3 (oud) Sr). Motivering bijkomende straf van ontzetting van recht om beroep als hulpverlener in maatschappelijke zorg (waaronder therapeut/coach) uit te oefenen, art. 28.1.5 Sr. Staat opgelegd beroepsverbod in voldoende verband met gedragingen die verdachte worden verweten?

HR: art. 81.1 RO.

Procesgang

  1. Conclusie A-G · 18 februari 2025

    ECLI:NL:PHR:2025:242
  2. Hoge Raad · 13 mei 2025deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2025:743

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 23/04930

Datum 13 mei 2025

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 6 december 2023, nummer 20-000437-22, in de strafzaak

tegen

[verdachte] ,

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1952,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat P. van de Kerkhof bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.

De advocaat-generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De raadsman van de verdachte heeft daarop schriftelijk gereageerd.

2 Beoordeling van het cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en M. Kuijer, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 13 mei 2025.