Strafrecht overig

Aanwezig hebben van 539 hennepplanten, art. 3.C Opiumwet. 1. Heeft hof door p-v van expertise hennep als…

Hoge Raad, 14 januari 2025

Zaakgegevens

Op 14 januari 2025 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
14 januari 2025
Datum publicatie
14 januari 2025
Zaaknummer
22/03584
Procedure
Artikel 81 RO-zaken
ECLI
ECLI:NL:HR:2025:76
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Aanwezig hebben van 539 hennepplanten, art. 3.C Opiumwet. 1. Heeft hof door p-v van expertise hennep als bewijsmiddel op te nemen acht geslagen op stukken die blijkens p-v van onderzoek ttz. in hoger beroep niet zijn voorgelezen en waarvan korte inhoud niet overeenkomstig art. 301.3 Sv is medegedeeld? 2. Heeft hof een verklaring, die verdachte ttz. in hoger beroep (eerste ronde) heeft afgelegd, voor bewijs gebruikt zonder inhoud van dit b.m. voor te lezen of korte inhoud daarvan mee te delen? 3. Bewijsklachten. Kon hof oordelen dat er in bedrijfsruimte sprake is geweest van eerdere voltooide oogst, gevolgd door nieuwe kweek? 4. Heeft hof onschuldpresumptie geschonden door te overwegen dat kwekerij in bedrijfsruimte (ruim) meer dan 10 weken voorafgaand aan 13-11-2012 in bedrijf moet zijn geweest?

HR: art. 81.1 RO. Vervolg op HR:2021:852.

Procesgang

  1. Conclusie A-G · 5 november 2024

    ECLI:NL:PHR:2024:1159
  2. Hoge Raad · 14 januari 2025deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2025:76

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 22/03584

Datum 14 januari 2025

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 23 september 2022, nummer 21-002720-21, in de strafzaak

tegen

[verdachte],

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1979,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben J. Kuijper en D.W.E. Sternfeld, beiden advocaat in Amsterdam, bij schriftuur en aanvullende schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.

De advocaat-generaal B.F. Keulen heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2 Beoordeling van de cassatiemiddelen

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3 Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof

De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. In het licht van de opgelegde geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van een maand volstaat de Hoge Raad met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden.

4 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren A.E.M. Röttgering en T. Kooijmans, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 14 januari 2025.