Strafrecht overig

Deelname aan criminele organisatie (art. 11b.1 Opiumwet), medeplegen vervaardigen van heroïne (art. 2.D…

Hoge Raad, 20 mei 2025

Zaakgegevens

Op 20 mei 2025 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
20 mei 2025
Datum publicatie
16 mei 2025
Zaaknummer
22/04851
Procedure
Artikel 81 RO-zaken
ECLI
ECLI:NL:HR:2025:770
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Deelname aan criminele organisatie (art. 11b.1 Opiumwet), medeplegen vervaardigen van heroïne (art. 2.D Opiumwet) en medeplegen voorbereidingshandelingen m.b.t. vervaardigen van heroïne (art. 10a.1.1 en 10a.1.3 Opiumwet). Bewijsklachten bewezenverklaarde periode, opzet, medeplegen, voorbereidingshandelingen en deelname aan criminele organisatie.

HR: art. 81.1 RO. Samenhang met 22/04835 en 22/04880.

Procesgang

  1. Gerechtshof Den Haag · 20 december 2022

    ECLI:NL:GHDHA:2022:3047
  2. Conclusie A-G · 25 maart 2025

    ECLI:NL:PHR:2025:273
  3. Hoge Raad · 20 mei 2025deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2025:770

    (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 22/04851

Datum 20 mei 2025

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 20 december 2022, nummer 22-000860-19, in de strafzaak

tegen

[verdachte] ,

geboren in [geboorteplaats] (Turkije) op [geboortedatum] 1972,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat M. van Stratum bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.

De advocaat-generaal E.J. Hofstee heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan aan de hand van de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2 Beoordeling van het eerste cassatiemiddel

2.1

Het cassatiemiddel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.

2.2

Het cassatiemiddel is gegrond. Bovendien doet de Hoge Raad uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Een en ander brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van 76 maanden.

3 Beoordeling van het tweede cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

4 Beslissing

De Hoge Raad:

- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;

- vermindert deze in die zin dat deze zeventig maanden beloopt;

- verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren A.E.M. Röttgering en R. Kuiper, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 20 mei 2025.